De Bijbel van Jezus

Genesis 1-13 vertaald vanuit de Septuaginta

Koop het boek Pieter Oussoren is begonnen met een bijbelvertaling vanuit de Griekstalige Septuaginta, de gangbare joodse canon in de tijd van Jezus.

Deze website geeft een eerste proeve (Genesis 1-13). Reacties zijn welkom op info@skandalon.nl.

Naar een hoofdstuk

Genesis hoofdstuk 1

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Bij begin
   is God gaan scheppen,-

de hemelen en het aardland.
Bij begin maakt God
de hemel en het land.
2
Het aardland

is in z'n geschieden geworden
   woestheid en warboel,

en duisternis
   op het aanschijn van de oervloed,-

en geestesadem van God
wervelend
   over het aanschijn van de wateren.
Maar het land
is
onaanzienlijk en oningericht geweest,
met duisternis
boven de afgrond,
en adem van God
is gedragen
boven het water.
3
Dan zegt God: geschiede er licht!-

en er geschiedt licht.
En God zegt: geschiede er licht!
En er geschiedt licht.
4
God ziet het licht aan: ja, het is goed!

Zo brengt God scheiding aan
tussen het licht en de duisternis.
En God ziet aan het licht dat het goed is.
En God brengt scheiding aan
midden tussen het licht en het duister.
5
God roept tot het licht ‘dag’

en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’;
er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend:
   één dag.

En God roept het licht uit tot dag
en het duister roept hij uit tot nacht.
En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
dag één.
6
Dan zegt God:

geschiede er een gewelf in het water,-
geschiede er scheiding
tussen water en water!
En God zegt:
geschiede er een firmament te midden van het water,
en laat het scheidend zijn
midden tussen water en water!
En zó geschiedt,
7
Dan maakt God

het gewelf
en brengt hij scheiding aan
tussen de wateren onder het gewelf
en de wateren
boven het gewelf;
en zo geschiedt.
en God maakt
het firmament,
en God brengt scheiding aan
midden tussen het water dat geweest is (onder het firmament)
en het water
bóven het firmament.
8
God roept tot het gewelf ‘hemel’;

er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend:
   tweede dag.

En God roept het firmament uit tot hemel.
En God ziet dat het goed is.
En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
tweede dag.
9
Dan zegt God:

dat de wateren onder de hemel
   te hoop lopen naar één oord,

en zichtbaar worde het droge!-
en zo geschiedt.
En God zegt:
laat het water ónder de hemel
verzameld worden in één verzamelplaats,
en laat het droge worden gezien!
En zo geschiedt, en verzameld wordt
het water ónder de hemel in hun verzamelplaatsen
en gezien wordt het droge.
10
God roept tot het droge ‘land’

en tot de ophoping van de wateren
   heeft hij geroepen
   ‘zeeën’;

God ziet het aan: ja, het is goed!
En God roept het droge uit tot land
en de samenstelsels der wateren
roept hij uit tot
zeeën.
En God ziet dat het goed is.
11
Dan zegt God:

laat het land groen doen groeien,
een gewas dat zaad zaait,
een vruchtdragend geboomte
dat vrucht maakt
   naar zijn verschil

met daarin zijn zaad over het land!-
en zo geschiedt.
En God zegt:
laat het land doen groeien
een weide, groen kruid,
zaaiend zaad naar genus en naar gelijkenis,
en vruchtdragend geboomte
dat vrucht maakt
met zijn zaad erin
per genus op het land!
En zo geschiedt,
12
En het land

brengt al wat groen is naar buiten,
   gewas dat zaad zaait naar zijn verschil

en geboomte
   dat vrucht maakt met daarin zijn zaad,
   naar zijn verschil;

God ziet het aan: ja, het is goed!
en uitgebracht heeft het land
het groene kruid van een weide,
zaaiend zaad naar genus en naar gelijkenis
en vruchtbaar geboomte
dat vrucht maakt met zijn zaad erin
per genus op het land.
13
Er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend:
   derde dag.

En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
derde dag.
14
Dan zegt God:

geschiede er:
   lichten aan het gewelf van de hemel

om scheiding aan te brengen
tussen de dag en de nacht;
geschieden zullen die
   als tekenen en samenkomsttijden,

voor dagen en jaren;
En God zegt: geboren worden moeten
lichtdragers aan het firmament des hemels
tot verlichting van het land
om scheiding aan te brengen
midden tussen de dag en de nacht,
en laten ze zijn
tot tekenen en tot tijdsgewrichten,
tot dagen en tot jaren,
15
geschieden zullen ze
   als lichten aan het gewelf van de hemel

om licht te brengen over het land!-
en zo geschiedt.
en laten ze zijn
tot verlichting aan het firmament des hemels
zodat ze schijnen over het land!
En zo geschiedt,
16
God maakt

de twee grote lichten:
het grote licht voor het beheer van de dag,
het kleine licht
   voor het beheer van de nacht,

en ook de sterren.
en God maakt
de twee grote lichtdragers,
de grote lichtdrager voor de beheersingen van de dag
en de kleinere lichtdrager
voor de beheersingen van de nacht,
en de sterren.
17
God geeft ze aan het gewelf van de hemel

om licht te brengen over het land,
En God zet hen aan het firmament des hemels,
zodat ze schijnen over het land
18
om te beheren de dag en de nacht,

om scheiding aan te brengen
tussen het licht en de duisternis;
God ziet het aan: ja, het is goed!
en heersen des daags en des nachts
en scheiding aanbrengen
midden tussen het licht en het duister.
En God ziet dat het goed is.
19
Er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend:
   vierde dag.

En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
vierde dag.
20
Dan zegt God:

laten de wateren wemelen
van het gewriemel van bezield leven,-
en laat er gevogelte vliegen over het land,
over het aanschijn van het gewelf, de hemel!
En God zegt:
laten de wateren naar buiten voeren
kruipers met levende zielen,
en vliegers die over het land vliegen
langs het firmament des hemels!
En zo geschiedt,
21
En God schept

de grote gedrochten,-
en alle levende ziel die rondkruipt,
waarvan de wateren zijn gaan wemelen,
   naar hun verschil,

en elke gevleugelde vogel naar z'n verschil;
God ziet het aan: ja, het is goed!
en God maakt
de grote gedrochten
en alle ziel van kruipende levende wezens
die de wateren naar buiten gevoerd hebben,
naar hun genussen,
en elke gevleugelde vlieger naar genus.
En God ziet dat ze goed zijn.
22
Dan zegent God hen, en zegt:

draagt vrucht, weest overvloedig,
vult het water in de zeeën,
en ook het gevogelte
   zij overvloedig in het land!
En God zegent ze, zeggend:
vermeerdert u, wordt véél
en vervult de wateren in de zeeën,
en laten de vliegers
er véél worden over land!
23
Er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend:
   vijfde dag.

En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
vijfde dag.
24
Dan zegt God:

brenge het land naar buiten:
   'levende ziel' naar haar verschil:

vee, onderkruipsel
   en wildleven op land

naar zijn verschil;
en zo geschiedt.
En God zegt:
laat het land naar buiten voeren
(allerlei) levende ziel naar genus:
viervoeters en kruipers en wilde dieren van het land
naar genus!
En zo geschiedt,
25
God maakt het wildleven
   van het land naar z'n verschil,

het vee naar z'n verschil
en alle kruipsel van de -rode* Het woordspel in het Hebreeuws tussen adam (mens), adama (grond, bodem) en dam (bloed) wordt weergegeven door toevoeging van -rood- bij mens en grond. Zo is duidelijk dat adam (roodbloedige mens) en adama (door ijzeroxide roodkleurige aarde) zijn afgeleid van dam (bloed).- grond
   naar z'n verschil;

God ziet het aan: ja, het is goed!
en God maakt de wilde dieren
van het land naar genus,
de staldieren naar genus
en al de kruipers van het land
naar hun genus.
26
Dan zegt God:

maken wij een -rode- mensheid
in ons beeld en als onze gelijkenis,-
laten zij neerdalen bij de vissen van de zee
en het gevogelte van de hemel,
bij het vee en bij alles van het land,
en bij alle kruipsel
   dat kruipt over het land!
En God zegt:
laten wij een mensheid maken,
naar ons beeld en naar (onze) gelijkenis,
en laten zij heersen over de vissen van de zee
en de vliegers van de hemel,
de staldieren, al het land
en al de kruipers die rondkruipen over het land!
27
God schept de -rode- mensheid in zijn beeld,

in het beeld van God
   heeft hij hem geschapen;

mannelijk en vrouwelijk
   heeft hij hen geschapen.
En God maakt de mensheid,
naar het beeld van God
maakt hij hem,
mannelijk en vrouwelijk
maakt hij hen.
28
Dan zegent hij hen, God,

en hij zegt tot hen, God:
draagt vrucht, wordt overvloedig,
   vervult het land
   en bedwingt het!-

en daalt neer
bij de vissen van de zee
   en het gevogelte van de hemel,

bij alle leven dat kruipt over het land!
En God zegent hen,
zeggend:
vermeerdert u en wordt véél,
vervult het land en beheerst het,
en heerst
over de vissen van de zee
en de vliegers van de hemel,
al de staldieren, al het land
en al de kruipers die rondkruipen op het land!
29
God zegt:

zie, geven zal ik* Of: gegeven heb ik. u al het zaadzaaiend gewas
op het aanschijn van heel het land
en alle geboomte
   waaraan een boomvrucht zaad zaait,-

voor jullie zal het er zijn als eten!-
En God zegt:
zie, gegeven heb ik u
alle zaadzaaiend zaaddragend gewas
dat er op het land is
en alle geboomte
dat de vrucht van zaaddragend zaad in zich heeft:
voor u zal het tot spijze zijn,
30
en voor al het wildleven van het land
   en alle gevogelte van de hemel

en al wat er kruipt over het land,
waarin een levende ziel is,
(geef ik) al het groen van gewas als eten!-
en zo geschiedt.
en voor al de wilde dieren van het land
en al de vliegers van de hemel
en alle kruipsel dat rondkruipt op het land,
dat een ziel van leven in zich heeft
(heb ik gegeven) alle groene gewas als voedsel!
En zo geschiedt,
31
God beziet al wat hij heeft gemaakt

en zie, zéér goed!-
er geschiedt een avond
   en er geschiedt een ochtend,
   zesde dag.

en God ziet alle dingen die hij gemaakt heeft,
en zie: zéér goed.
En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
zesde dag.

Genesis hoofdstuk 2

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Voltooid worden de hemelen en het aardland

en heel hun strijdschaar.
En voltooid worden de hemel en het land
en heel hun ordening.
2
God voltooit op de zevende dag

zijn werk dat hij heeft gedaan;
hij houdt sabbat op de zevende dag
van al zijn werk dat hij heeft gedaan.
En God voltooit op de zesde dag
zijn werken die hij gemaakt heeft
en rust op de zevende dag
van al zijn werken die hij gemaakt heeft.
3
God zegent de zevende dag

en heiligt die;
want daarop heeft hij sabbat gehouden
   van al zijn werk,

dat God geschapen heeft om te doen.
En God zegent de zevende dag
en heiligt haar,
omdat hij op haar is gaan rusten
van al zijn werken
die God is begonnen te maken.
4
Dit zijn de geboorten van de hemelen
   en het aardland
   toen zij werden geschapen,-

ten dage
dat de Ene, God, aardland en hemelen maakte.
Dit is het boek van de genesis,- geboorte,
van hemel en land
toen het werd geboren
op de dag
waarop God de hemel en het land gemaakt heeft
5
Alle struikgewas van het veld

geschiedt nog niet op het land
en alle gewas van het veld
   spruit nog niet uit,-

want de Ene, God,
   heeft het nog niet doen regenen
   over het land

er is géén -rode- mensheid
om de -rode- grond te dienen.
en alle groen des velds
voordat het werd geboren
en alle gewas des velds
voordat het opkwam.
Want God heeft het niet laten regenen
op het land
en een mens
om het land te bewerken is er niet geweest,-
6
Maar een damp klimt op van het land,-

en heeft doordrenkt heel het aanschijn
   van de -rode- grond .
maar een bron is opgeklommen uit het land
en is heel het aangezicht van het land
gaan drenken.
7
Dan formeert de Ene, God,
   de -rode- mens

van stof uit de -rode- grond
en blaast in zijn neusgaten
   ademhaling van leven;

zo wordt de -rode- mens
   tot levende ziel
En God vormt
de mens
uit stof vanaf het land
en blaast naar zijn aangezicht
adem van leven,
en de mens wordt
tot levende ziel.
8
Dan plant

de Ene, God, een hof in Eden,- liefland,
   in het oosten;

en zet dáárin
de -rode- mens
   die hij geformeerd heeft.
En (de) Heer God plant
een paradijs, in Edem,
richting Zonsopgang,
en zet dáár
de mens neer
die hij gevormd heeft.
9
Ontspruiten doet

de Ene, God, uit de -rode- grond
alle geboomte, bekoorlijk om te zien
   en goed om van te eten,-

met de boom des levens
   in het midden van de hof,

ook de boom
der kennis van goed en kwaad.
En verder laat God
uit het land opkomen
alle geboomte dat schoon is om te zien
en goed als voedsel,
en de boom des levens
in het midden van het paradijs,
en de boom om te weten
wat kenbaar is van goed en boos.
10
Een rivier trekt uit Eden naar buiten

om de hof te drenken;
vandaar af splitst hij zich
en is hij vierkoppig geworden.
Maar een rivier gaat voort uit Edem
om het paradijs te drenken;
daarvandaan splitst hij zich
in vier beginnen.
11
De naam van de eerste is Pisjon,-

die is het die omrondt
heel het land van de Chavila,-
daar waar het goud is;
Naam voor de ene?- Fison!
Deze is het die omrondt
al het land van Evilat,
daar waar het goud is.
12
en het goud van dat land is goed;

daar is de edelhars, en het gesteente beril.
Maar het goud van dat land is goed,
en daar is de houtskool en het lookgroene gesteente.
13
De naam van de tweede rivier is Gichon,

díe is het die omrondt
heel het land van Koesj.
En een naam voor de tweede rivier?- Geon!
Deze is het die omrondt
al het land van Aithiopia.
14
De naam van de derde rivier is Chidekel,

die loopt ten oosten van Asjoer;
de vierde rivier, dát is (de) Eufraat.
En de derde rivier?- Tigris;
deze is het die tegenover (de) Assyriërs voortgaat.
Maar de vierde rivier? Dat is (de) Eufraat.
15
Dan neemt de Ene, God,
   de -rode- mens mee,

en laat hem rusten in de hof van Eden
om haar te dienen en haar te bewaken.
En de Heer God neemt
de mens die hij gevormd heeft
en zet hem in het paradijs
om dat te bewerken en te bewaken.
16
De Ene, God, gebiedt

over de -rode- mens en zegt:
van alle geboomte in de hof mag je eten
   en eten;
En de Heer God gebiedt
aan Adam en zegt:
van alle geboomte in het paradijs voor voedsel
mag je eten,
17
maar van de boom

der kennis van goed en kwaad,
daarvan zul je niet eten,-
want
ten dage dat je van hem eet
   zul je de dood sterven!
maar van de boom
om te kennen goed en boos,
van hem zult ge niet eten;
maar
op de dag dat ge van hem eet
zult ge in sterfelijkheid sterven!
18
Dan zegt de Ene, God:

niet goed is het
   dat de -rode- mens hier alléén is:
   ik maak voor hem een hulp
   als zijn tegenover!
En de Heer God zegt:
niet goed (is het)
dat de mens alleen is;
laten we voor hem een helper maken
die met hem overeenkomt!
19
De Ene, God,
   formeert uit de -rode- grond

alle wildleven van het veld en
   alle gevogelte van de hemel

en brengt het tot de -rode- mens
om te zien wat die daartegen zal roepen;
en al wat hij daartegen roept,
   de -rode-mens met een een levende ziel,
   dát is zijn naam.
En God
vormt verder uit het land
al de wilde dieren van het veld en
al de vliegers van de hemel
en voert hen naar Adam,
om te zien wat hij tot hen zal roepen,
en alles wat Adam maar roept
tot een levende ziel,
dat is de naam daarvan.
20
De -rode- mens roept namen uit

voor al het vee, voor
   het gevogelte des hemels en

voor alle wildleven van het veld;
maar voor de -rode- mens
heeft hij geen hulp gevonden
   als zijn tegenover.
En Adam roept namen
voor al de staldieren
en al de vliegers van de hemel
en al de wilde dieren van het veld,
maar voor Adam
wordt geen helper gevonden
die op hem lijkt.
21
Dan laat de Ene, God, een verdoving vallen
   over de -rode- mens zodat die inslaapt;

hij neemt
een van zijn zijden
en sluit met vlees de plek daarvan af.
En God werpt uitzinnigheid
over Adam, en die slaapt in.
En hij neemt
een van zijn zijden
en vult daarvoor vlees in.
22
De Ene, God,
   bouwt de zijde die hij heeft weggenomen
   van de -rode- mens
   uit tot een vrouw;

hij laat haar komen tot de -rode- mens.
En de Heer God
bouwt de zijde die hij heeft weggenomen
van Adam uit tot een vrouw,
en voert haar tot Adam.
23
Dan zegt hij, de -rode- mens:

zij is het nu!-
been uit mijn beenderen
en vlees uit mijn vlees!-
tot haar worde geroepen ‘isja’,- vrouw,
want uit een iesj,- man is zij genomen!
En Adam zegt:
dit is nu
been uit mijn beenderen
en vlees uit mijn vlees!-
tot haar zal geroepen worden ‘vrouw’,
omdat zij uit haar man genomen is!
24
Daarom zal een man

zijn vader en moeder verlaten;
hechten moet hij zich aan zijn vrouw,
worden zullen ze tot één vlees.
Vanwege dat zal een man
zijn vader en zijn moeder verlaten
en zich hechten aan zijn vrouw,
en zijn zullen de twee tot één vlees.
25
Ze zijn, zij tweeën, naakt* Naakt en naakter (3,1) kunnen ook gelezen worden als 'ongekleed' en 'uitgekleder' (in de zin van sluwer).,

de mens en zijn vrouw;
en zij schamen zich niet.
En de twee zijn naakt geweest,
én Adam én zijn vrouw,
en zij hebben zich niet geschaamd.

Genesis hoofdstuk 3

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Maar de slang is naakt geweest

dan alle wildleven van het veld,
dat de Ene, God, heeft gemaakt;
hij zegt tot de vrouw:
is het echt zo dat God heeft gezegd
‘gij zult niet eten
van al dat geboomte in de hof!’?
Maar de slang is de schranderste geweest
van alle wilde dieren op het land
die de Heer God gemaakt heeft,
en de slang zegt tot de vrouw:
waarom heeft God gezegd:
‘eet niet
van alle geboomte in het paradijs!’?
2
Dan zegt de vrouw tot de slang:

van de vrucht van het geboomte in de hof
   mogen wij eten!-
En de vrouw zegt tot de slang:
van de vrucht van het geboomte van het paradijs
eten wij,
3
maar van de vrucht van de boom
   midden in de hof

heeft God gezegd:
van die zult ge niet eten
en hem niet aanraken,-
anders zult ge sterven!
maar van de vrucht van de boom
die is in het midden van het paradijs
heeft God gezegd:
‘eet daarvan niet
en grijpt die niet vast,
opdat ge niet sterft!’
4
Dan zegt de slang tot de vrouw:

sterven?- niet sterven zult ge!-
En de slang zegt tot de vrouw:
ge zult niet in sterfelijkheid sterven!-
5
nee, God onderkent

dat
op de dag dat ge van hem eet
uw ogen zullen opengaan;
worden zult ge als goden,
onderkennend goed en kwaad!
want God heeft geweten
dat
op de dag dat ge van hem eet
uw ogen geopend zullen worden
en ge zult zijn als goden,
kennend goed en boos!
6
Dan ziet de vrouw

dat de boom goed is om van te eten,
   en dat hij een lust is voor de ogen

en begeerlijk, de boom,
   om verstand te krijgen;

dan neemt zij van zijn vrucht en eet;
   ze geeft ook aan haar man met haar,
   en hij eet.
En de vrouw ziet
dat de boom goed is als voedsel
en aangenaam voor de ogen om te zien,
en schoon is
om te aanschouwen,
en zij neemt van zijn vrucht en eet;
en zij geeft ook aan haar man met haar,
en zij eten.
7
Dan gaan de ogen van hen tweeën open

en onderkennen ze
dat ze ongekleed zijn, zij;
ze naaien loof van een vijg aaneen
en maken zich gordels.
En geopend worden de ogen van de twee
en zij erkennen
dat zij naakt geweest zijn
en naaien vijgenbladeren aaneen
en maken voor zichzelf lendendoeken.
8
Ze horen

de stem van de Ene, God,
   omgaan door de hof,
   in de geestesadem van die dag,

en de -rode- mens verschuilt zich,
   en zijn vrouw ook,

voor het aanschijn van de Ene, God,
te midden van het geboomte van de hof.
En zij horen
de stem van de Heer God
als Hij rondwandelt in het paradijs,
tegen de avond,
en zij verbergen zich, én Adam
én zijn vrouw,
voor het aanschijn van de Heer God
te midden van het geboomte van het paradijs.
9
Dan roept de Ene, God,
   tot de -rode- mens
   en zegt tot hem: waar ben je?
En de Heer God roept
Adam
en zegt tot hem: Adam, waar ben je?
10
En hij zegt:

uw stem heb ik gehoord in de hof,-
en ik werd bevreesd, omdat ik ongekleed ben,
   en verschool mij!
En hij zegt tot hem:
uw stem hoorde ik
toen u rondwandelde in het paradijs,
en ik werd bevreesd, omdat ik naakt ben,
en ik verborg mij!
11
En hij zegt:

wie heeft aan jou gemeld
dat je ongekleed bent, jij?-
heb je van de boom gegeten
waarvan ik je heb geboden
   om daar niet van te eten?
En hij zegt tot hem:
wie heeft aan jou verkondigd
dat je naakt bent?-
de boom waarvan ik jou geboden heb
van alleen die niet te eten,-
heb je daarvan gegeten?
12
Dan zegt de -rode- mens:

de vrouw die gij hebt gegeven
   om met mij te zijn,

zij gaf mij van de boom en toen at ik.
En Adam zegt:
die u gegeven hebt
met mij,
zij heeft mij gegeven van de boom, en ik at!
13
Dan zegt de Ene, God, tot de vrouw:
   waarom heb je dát gedaan?-

de vrouw zegt:
de slang heeft mij verleid en ik at!
En de Heer God zegt tot de vrouw:
waarom heb je dit gedaan?
En de vrouw zegt:
de slang heeft mij misleid, en ik at!
14
Dan zegt de Ene, God, tot de slang:
   omdat je dat gedaan hebt,

vervloekt jij, anders dan alle gedierte
en alle wildleven van het veld
zul je op je buik voortgaan
en stof zul je eten,
   al de dagen van je leven!-
En de Heer God zegt tot de slang:
omdat je dit gedaan hebt,-
ben je vervloekt, jij, weg van alle staldieren
en weg van alle wilde dieren van het land!-
op je borst en je buik zul je voortgaan
en aarde eten,
al de dagen van je leven;
15
en vijandschap zal ik zetten

tussen jou en de vrouw,
tussen jouw zaad en haar nazaat;
hij zal jou voor het hoofd stoten,
jíj zult hem bijten in de hiel.
••
en vijandschap zal ik zetten
midden tussen jou en de vrouw,
en midden tussen jouw zaad en haar zaad;
dát zal jouw kop belagen
en jíj zult zijn hiel belagen!
16
Tot de vrouw heeft hij gezegd:

in veelvoud vermeerder ik je pijniging
   en je zwangerschap,

in pijn zul je zonen baren;
op je man richt zich je hartstocht
en hij zal je overheersen!
••
En tot de vrouw zegt hij:
met vermeerdering zal ik je smarten vermeerderen
en je gekerm,-
in smarten zul je kinderen voortbrengen,
en tot je man is je toewending
en híj zal over je heersen!
17
Tot -rode- Adam heeft hij gezegd:

omdat je hebt gehoord
   naar de stem van je vrouw

en at van de boom,
waarover ik je had geboden en gezegd:
‘eet van hem níet!’
is nu de -rode- grond
   om jouwentwil vervloekt;

in pijn zul je van haar eten
al de dagen van je leven;
Maar tot Adam zegt hij:
omdat je hebt gehoord
naar de stem van je vrouw
en hebt gegeten van de boom
waarvan ik je geboden heb
van alleen die niet te eten,
is het land
vervloekt onder je werken;
in smarten zul je het opeten,
al de dagen van je leven;
18
doornen en distels
   zal ze voor je laten ontspruiten,-

en eten zul je het gewas van het veld!-
doornen en distels
zal het voor je laten opkomen,
en jij zult het gras van het veld eten;
19
met het zweet in je neusgaten
   zul je (je) brood eten,

totdat je terugkeert tot de -rode- grond,
want uit haar ben je genomen;
ja, stof ben jij
en tot stof keer je terug!
in het zweet van je aanschijn
zul je je brood eten,
totdat je je toewendt naar de aarde
waaruit je bent genomen;
omdat je aarde bent
en tot aarde zult terugkeren!
20
De -rode- mens
   roept als naam voor zijn vrouw uit
  ‘Eva’,- levensbron,-

want zij is moeder geworden
   van al wie leeft.
En Adam
roept als naam van zijn vrouw uit:
‘Zoë’,- Leven,
omdat zij de moeder is
van alle levenden.
21
Dan maakt de Ene, God,
   voor -rode- Adam
   en voor zijn vrouw
   mantels van huid
   en kleedt hen aan.

En de Heer God maakt
voor Adam
en voor zijn vrouw
hemden van huid
en bekleedt hen.
22
Dan zegt de Ene, God:

ziehier, de -rode- mens is geworden
   als een van ons

en heeft kennis van goed en kwaad;
welnu, laat hij niet zijn hand uitzenden:
nemen zal hij ook van de boom des levens
en eten zodat hij leeft voor eeuwig!
En God zegt:
zie, Adam is geworden
als één uit ons
in het kennen van goed en boos;
en nu, laat hij nooit de hand uitstrekken
en nemen van de boom des levens
en eten, en leven tot in de eeuwigheid!
23
Dan zendt de Ene, God, hem heen
   uit de hof van Eden;

om de -rode- grond te dienen
waaruit hij is genomen;
En de Heer God zendt hem weg
uit het paradijs van de weelde
om het land te bewerken
waaruit hij is genomen,
24
hij verdrijft de -rode- mens,-

en doet ten oosten
   van de hof van Eden wonen
   de cheroeviem

en het flakkeren van het wentelende zwaard,
ter bewaking van
de weg naar de boom des levens.
••
en hij werpt Adam uit
en tegenover
het paradijs van de weelde huisvest hij hem,
en stelt de cheroebiem op,
en het vlammende zwaard dat zich wentelt
om te bewaken
de weg naar de boom des levens.

Genesis hoofdstuk 4

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
De -rode- mens

heeft Eva, zijn vrouw, bekend;
zij wordt zwanger en baart Kaïn,-
   verworvene!

Ze zegt:
verworven heb ik een man, bij de Ene!
Maar Adam
bekent Eva, zijn vrouw,
en ontvangen hebbend brengt zij Kaïn voort,
en zegt:
door God heb ik een mens verworven!
2
Zij voegt toe en baart

zijn broeder Abel,- ijlheid;
Abel wordt herder over wolvee,
Kaïn
is dienaar van de -rode- grond geworden.
En zij voegt toe en brengt voort
zijn broer Abel.
En Abel wordt een herder van schapen,
maar Kaïn
is een bewerker van het land geweest.
3
Het geschiedt na verloop van dagen:

Kaïn doet komen van de vrucht
   van de -rode- grond

een broodgift aan de Ene.
En het wordt zó, na dagen:
Kaïn heeft van de vruchten
van het land
een offer gebracht aan de Heer,
4
Abel, ook hij heeft doen komen:
   van de eerstelingen van zijn wolvee
   en van hun vet;

de Ene slaat acht
op Abel en zijn broodgift.
en Abel, ook hij heeft gebracht
van de eerstvoortgebrachten van zijn schapen
en van hun vetdelen.
En God ziet
op Abel en zijn gaven,
5
Op Kaïn en zijn broodgift
   heeft hij geen acht geslagen;

dat brandt hevig in Kaïn
en zijn aanschijnstrekken vervallen.
maar op Kaïn en op zijn offeranden
slaat hij geen acht.
En dat bedroeft Kaïn zeer,
en hij valt in het aangezicht ineen.
6
Dan zegt de Ene tot Kaïn:

waarom is het in jou zo ontbrand en
waarom
   zijn je aanschijnstrekken vervallen?-
En de Heer God zegt tot Kaïn:
waarvoor ben je zo over-bedroefd geworden
en waarvoor
is je aangezicht ineengevallen?-
7
is er niet als je goed doet verheffing?-

en als je niet goed doet
ligt zonde voor de deur op de loer;
op jou is zijn hartstocht gericht,
en jij, jij moet over hem heersen!
(geldt) niet: als je op de rechte wijze hebt aangedragen
maar niet op de rechte wijze verdeeld,
heb je gezondigd?- kom tot rust;
en jij zult overste zijn over hem!
8
Dan zegt Kaïn tot Abel, zijn broer:.........* Wát Kaïn zegt staat er niet in de Masoretische tekst. Andere tekstversies hebben daarom: Dan zegt Kaïn tot zijn broer: laten we naar het veld gaan.

En het geschiedt: als zij op het veld zijn
staat Kaïn op tegen Abel, zijn broer,
   en vermoordt hem.
Kaïn zegt tot Abel, zijn broer:
laten we oversteken naar de Vlakte!
En het geschiedt als zij op de Vlakte zijn
dat Kaïn opstaat tegen Abel, zijn broer,
en hem ombrengt.
9
Dan zegt de Ene tot Kaïn:

waar is Abel, je broer?-
hij zegt: mij onbekend,-
ben ík mijns broeders hoeder?
En God zegt tot Kaïn:
waar is Abel, je broer?
Maar hij zegt: (die) ken ik niet!-
de bewaker van mijn broer ben ík toch niet?
10
Hij zegt: wát heb je gedaan!-

een stem!- stromen bloed van je broeder
schreeuwen mij toe
   van de -rode- grond!-
En God zegt: wát heb je gedaan?-
de stem van het bloed van je broer
kermt tot mij
vanuit het land;
11
nu dan, vervloekt jij,

weg van de -rode- grond
   die haar mond moest opensperren

om de stromen bloed van je broeder
   op te nemen uit jouw hand;
en nu ben jij vervloekt,
weg van het land,
dat zijn mond heeft opengesperd
om het bloed van je broer
te ontvangen uit jouw hand,-
12
wanneer je de -rode- grond dient

zal ze haar kracht niet toevoegen aan jou;
dolend en dwalend zul je wezen
   op het aardland!
omdat je het land bewerkt
en het niet zal toevoegen jou z’n sterkte te geven;
treurend en trillend zul je zijn
op het land!
13
Dan zegt Kaïn tot de Ene:

te groot is mijn misdaad om te dragen:
En Kaïn zegt tot de Heer:
te groot is mijn schuld om mij vergeven te worden;
14
zie, ge hebt mij verjaagd vandaag

van op het aanschijn
   van de -rode- grond

en voor uw aanschijn moet ik mij verbergen;
ik ben dolend en dwalend geworden
   op het aardland,

het zal zo worden:
   wie mij vindt zal mij vermoorden!
als gij mij heden verwerpt
van het aangezicht
van het land
en ik mij voor uw aangezicht zal verbergen
en zal zijn ‘treurend en trillend
op het land’,
dan zal het zo zijn
dat al wie mij vindt mij zal ombrengen!
15
Maar dan zegt de Ene tot hem:

zó niet; al wie Kaïn vermoordt,
zevenvoudig wordt hij gewroken;
de Ene zet op Kaïn een teken,
dat al wie hem vindt hem niet mag neerslaan.
En de Heer God zegt tot hem:
zó niet!- ieder die Kaïn ombrengt
zal zeven wrekingen ontketenen!
En de Heer God stelt een teken aan Kaïn
dat al wie hem vindt hem niet uit de weg mag ruimen.
16
Kaïn trekt weg van voor het aanschijn
   van de Ene;

hij zet zich neer in het land Nod,- dwaalspoor,
   ten oosten van Eden.
Maar Kaïn trekt weg van het aangezicht
van God
en gaat huizen in het land van Naïd,
tegenover Edem.
17
Kaïn bekent zijn vrouw,

ze wordt zwanger en baart Henoch;
hij wordt bouwheer van een stad
en roept een naam uit voor de stad
naar de naam van zijn zoon: Henoch!
En Kaïn bekent zijn vrouw,
en ontvangen hebbend baart zij Enoch.
En die is een stad aan het opbouwen geweest
en noemt de stad
naar de naam van zijn zoon: ‘Enoch’.
18
Gebaard wordt aan Henoch:
   Irad,- stedeling,

en Irad
heeft Mechoejaël geboren doen worden;
Mechiaël
heeft Metoesjaël geboren doen worden en
Metoesjaël heeft Lamech
   geboren doen worden.
Maar aan Enoch wordt
Gaidad geboren,
en Gaidad
genereert Maiël,
en Maiël
genereert Methoesala,
en Methoesala genereert Lamech.
19
Lamech neemt zich twee vrouwen;

de naam van de ene is Ada,
de naam van de tweede is Tsila.
En Lamech neemt zich twee vrouwen,
de naam van de ene is Ada
en de naam van de tweede is Sella.
20
Dan baart Ada Javal;

díe is geworden
de vader
van wie neerzit met tent en kudde.
En Ada baart Jobel.
Die is geweest
de vader
van in tenten huizende veefokkers.
21
De naam van zijn broer is Joeval;

die is geworden
de vader
van al wie een greep heeft
   op harp en panfluit.
En de naam van zijn broer? Joebal.
Die is geweest
de bedenker
van psalterion
en citer.
22
En Tsila, ook zij

heeft gebaard, en wel Toeval Kaïn,
een smid,-
elk die kerft in koper en ijzer;
en de zuster van Toeval Kaïn
   is Naäma.
Maar Sella, ook zij
baart: Thobel,
en hij is geweest
een hamerslaande kopersmid.
Maar zus van Thobel
is Noëma.
23
Dan zegt Lamech tot zijn vrouwen:

Ada en Tsila, hoort naar mijn stem,
vrouwen van Lamech,
leent het oor aan wat ik zeg!-
want een man heb ik vermoord
   om een schram aan mij

en een pasgeborene
   om een striem in mij!-
Maar Lamech zegt tot zijn vrouwen:
Ada en Sella, hoort naar mijn stem,-
vrouwen van Lamech,
neemt ter ore mijn woorden!-
omdat ik een man ombracht
om een wond aan mij,
en een jongeling
die mij een striem toebracht;
24
want zevenvoudig wordt Kaïn gewroken,

en Lamech zevenenzeventigmaal!
omdat zevenmaal wordt gewroken voor Kaïn,
maar voor Lamech zeventigmaal zeven!
25

Rode Adam bekent nogmaals
   zijn vrouw,

en zij baart een zoon
en roept als naam voor hem uit: Set,- inzet,
‘want God heeft voor mij ander zaad ingezet
in plaats van Abel,
omdat Kaïn hem heeft vermoord!’
Maar Adam bekent Eva,
zijn vrouw,
en ontvangen hebbend baart zij een zoon,
en noemt als zijn naam ‘Seth’, zeggend:
‘want God heeft voor mij ander zaad doen opstaan
voor Abel,
die Kaïn heeft omgebracht!’
26
Aan Set,
   ook hem wordt een zoon geboren;

hij roept als naam voor hem uit: Enosj;
tóen is men begonnen
de naam van de Ene aan te roepen.
Ook aan Seth
wordt een zoon geboren,
maar als zijn naam noemt hij: ‘Enos’;
deze hoopt erop
de naam van de Heer God aan te roepen.

Genesis hoofdstuk 5

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dit is de boekrol

van de geboorten uit -rode- Adam,
ten dage dat
God -rode- Adam schiep
heeft hij hem
   naar de gelijkenis van God gemaakt.
Dit is het boek
van de genesis, de geboorte van de mensen.
Ten dage dat
God Adam maakt,
maakt hij hem
naar het beeld van God.
2
Mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen;

hij zegent hen
en roept als hun naam uit: Adam!,-
   rode mensheid,

op de dag van hun schepping.
••
Mannelijk en vrouwelijk maakt hij hen
en zegent hij hen,
en als hun naam noemt hij ‘Adam’.
3

Rode Adam leeft

dertig en honderd jaar;
dan wordt er een geboren naar
   zijn gelijkenis en als zijn beeld, en

hij roept als naam voor hem uit: Set.
Maar Adam leeft
tweehonderd en dertig jaren
en genereert (er een)
naar zijn aanzien en naar zijn beeld,
en noemt als zijn naam ‘Seth’.
4
De dagen van -rode- Adam worden,

nádat hij Set heeft doen baren,
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
Maar de dagen van Adam worden
nadat hij Seth gegenereerd heeft
zevenhonderd jaren,
en hij genereert zonen en dochters,
5
Zo worden

al de dagen van -rode- Adam dat hij leeft
negenhonderd jaar en
dertig jaar,-
dan sterft hij.
••
en dan worden
al de dagen van Adam die hij geleefd heeft
negenhonderd
en dertig jaren
en sterft hij.
6
Set leeft

vijf jaren en
honderd jaar,-
en doet Enosj baren.
Maar Seth leeft
tweehonderd
en vijf jaren
en genereert Enos.
7
Set leeft

nádat hij Enosj heeft doen baren
zeven jaren en
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Seth leeft
nadat hij Enos gegenereerd heeft
zevenhonderd
en zeven jaren,
en hij genereert zonen en dochters,
8
Zo worden al de levensdagen van Set

twaalf jaar en
negenhonderd jaar;
dan sterft hij.
••
en dan worden al de dagen van Seth
negenhonderd
en twaalf jaren
en sterft hij.
9
Enosj leeft negentig jaar;

dan doet hij Kenan baren.
En Enos leeft honderdnegentig jaren
en genereert Kainan.
10
Enosj leeft

nádat hij Kenan heeft doen baren
vijftien jaar en
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Enos leeft
nadat hij Kainan gegenereerd heeft
zevenhonderd
en vijftien jaren
en genereert zonen en dochters,
11
Zo worden alle dagen van Enosj

vijf jaren en
negenhonderd jaar;
dan sterft hij.
••
en dan worden al de dagen van Enos
negenhonderd
en vijf jaren
en sterft hij.
12
Kenan leeft zeventig jaar;

en doet baren: Mehalalel.
En Kainan leeft honderdzeventig jaren
en genereert Maléléël.
13
Kenan leeft

nádat hij Mehalalel heeft doen baren
veertig jaar en
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Kainan leeft
nadat hij Maléléël gegenereerd heeft
zevenhonderd en veertig jaren
en genereert zonen en dochters,
14
Zo worden alle dagen van Kenan

tien jaren en
negenhonderd jaar;
dan sterft hij.
••
en dan worden al de dagen van Kainan
negenhonderd
en tien jaren
en sterft hij.
15
Mehalalel leeft

vijf jaren en zestig jaar;
dan doet hij Jered baren.
En Maléléël leeft
honderd en vijfenzestig jaren
en genereert Jared.
16
Mehalalel leeft

nádat hij Jered heeft doen baren
dertig jaar en
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Maléléël leeft
nadat hij Jared gegenereerd heeft
zevenhonderd
en dertig jaren
en genereert zonen en dochters,
17
Zo worden alle dagen van Mehalalel

vijfennegentig jaar en
achthonderd jaar;
dan sterft hij.
••
en dan worden al de dagen van Maléléël
achthonderd
en vijfennegentig jaren
en sterft hij.
18
Jered leeft

tweeënzestig jaar en honderd jaar;
dan doet hij Henoch baren.
En Jared leeft
honderd en tweeënzestig jaren
en genereert Enoch.
19
Jered leeft

nádat hij Henoch heeft doen baren
achthonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Jared leeft
nadat hij Enoch gegenereerd heeft
achthonderd jaren
en genereert zonen en dochters,
20
Zo worden alle dagen van Jered

tweeënzestig jaar en
negenhonderd jaar;
dan sterft hij.
en dan worden al de dagen van Jared
negenhonderd
en tweeënzestig jaren
en sterft hij.
21
Henoch leeft

vijfenzestig jaar;
dan doet hij Metoesjelach baren.
En Enoch leeft
honderd en vijfenzestig jaren
en genereert Mathoesala.
22
Henoch wandelt met God

nadat hij Metoesjelach heeft doen baren,
driehonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
Maar Enoch behaagt God,-
nadat hij Mathoesala gegenereerd heeft,-
(gedurende) tweehonderd jaren
en genereert zonen en dochters,
23
Zo wordt

het geheel van de dagen van Henoch
vijfenzestig jaar en
driehonderd jaar.
en dan worden
al de dagen van Enoch
driehonderd
en vijfenzestig jaren,-
24
Henoch wandelt met God,

en dan is hij niet meer,
want God heeft hem meegenomen.
en behaagt Enoch God
en is hij onvindbaar geworden
omdat God hem heeft overgezet.
25
Metoesjelach leeft

zevenentachtig jaar en honderd jaar;
dan doet hij Lamech baren.
En Mathoesala leeft
honderd en zevenenzestig jaren
en genereert Lamech.
26
Metoesjelach leeft

nádat hij Lamech heeft doen baren
tweeëntachtig jaar en
zevenhonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Mathoesala leeft
nadat hij Lamech gegenereerd heeft
achthonderdtwee
jaren
en genereert zonen en dochters,
27
Zo worden alle dagen van Metoesjelach

negenenzestig jaar en
negenhonderd jaar;
dan sterft hij.
en dan worden al de dagen van Mathoesala
die hij geleefd heeft
negenhonderd
en negenenzestig jaren
en sterft hij.
28
Lamech leeft

tweeëntachtig jaar en honderd jaar;
dan doet hij een zoon baren.
En Lamech leeft
honderd achtenzeventig jaren
en genereert een zoon
29
Hij roept als naam voor hem uit
   ‘Noach’, troost,* Noach houdt verband met nacham dat uiteenlopende betekenissen heeft: troosten, spijt hebben, wraak uitoefenen. om te zeggen:

déze
zal ons troost verschaffen
   voor wat wij doen
   en voor de pijniging van onze handen

aan de -rode- grond
die de Ene vervloekt heeft.
en noemt als zijn naam ‘Noë’, zeggend:
deze
zal ons doen rusten
van onze werken
en van de smarten van onze handen
en van het land
dat de Heer God vervloekt heeft!
30
Lamech leeft

nadat hij Noach heeft doen baren
vijfennegentig jaar en
vijfhonderd jaar;
zonen en dochters doet hij baren.
En Lamech leeft
nadat hij Noë gegenereerd heeft
vijfhonderd
en vijfenzestig jaren
en genereert zonen en dochters,
31
Zo wordt het geheel
   van de dagen van Lamech

zevenenzeventig jaar en
zevenhonderd jaar;
dan sterft hij.
••
en dan worden
al de dagen van Lamech
zevenhonderd
en drieënvijftig jaren
en sterft hij.
32
Noach wordt een zoon van vijfhonderd jaar;

Noach laat baren
Sem, Cham en Jafet.
En Noë is vijfhonderd jaren oud geweest
en dan genereert Noë drie zonen:
Sem, Cham, Jafeth.

Genesis hoofdstuk 6

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Het gewordt dat de -rode- mensheid

is begonnen
talrijk te worden op het aanschijn van de
   -rode- grond:

en er zijn aan hen dochters gebaard.
En het gewordt: wanneer de mensen
beginnen
er vele te worden
op het land,
worden aan hen dochters gebaard.
2
De zonen van God zien de dochters van de
   -rode- mens aan:

ja, góed zijn die!-
en zij nemen zich vrouwen,
uit al wat zij hebben verkoren.
Maar als de zonen van God zien dat de dochters
van mensen
fraai zijn,
nemen zij zich vrouwen,
uit alles wat zij uitkiezen.
3
Dan zegt de Ene:

laat mijn adem niet voor eeuwig toeven
   in de -rode- mens,

hij is immers maar vlees!-
worden zullen zijn dagen
honderd en twintig jaar!
En de Heer God zegt:
laat mijn geest geenszins tot in de eeuwigheid
in deze mensen blijven!-
doordat zij wezens van vlees-en-bloed zijn;
maar zijn zullen hun dagen
honderd twintig jaren!
4
De reuzen

zijn op het aardland geweest
in die dagen
en ook daarna,
als de zonen van God komen
   tot de dochters van de -rode- mensheid

en zij voor hen kinderen gebaard hebben;
zij zijn de kerels uit de eeuwigheid,
   de mannen van de naam.

Maar de giganten
zijn op het land geweest
in die dagen
en daarna,
toen de zonen van God ingingen
tot de dochters der mensen
en voor zichzelf (kinderen) genereerden;
zij zijn de giganten van eeuwig af geweest,
de mensen van naam.
5
Dan ziet de Ene

hoe overvloedig het kwaad
   van de -rode- mens

is op het aardland,
en dat wat zijn hart aan gedachten formeert
enkel maar kwaad is, al den dag.
Maar de Heer God ziet
dat de kwalijkheden
van de mensen
zich vermenigvuldigen op het land
en alle man in zijn hart naarstig bedacht is
op het boze, al de dagen;
6
De Ene krijgt spijt

dat hij de -rode- mens gemaakt heeft
   op het aardland:

het doet pijn aan zijn hart.
en God brengt zich te binnen
dat hij de mens gemaakt heeft
op het land
en bedenkt zich.
7
Dan zegt de Ene:

wegvagen zal ik de -rode- mens
   die ik heb geschapen

van op het aanschijn van de -rode- grond,
vanaf de -rode- mensheid tot aan het vee
en wat rondkruipt
   en het gevogelte van de hemel;

want ik heb spijt gekregen
   dat ik ze heb gemaakt!
En God zegt:
wegwissen zal ik de mens
die ik gemaakt heb
van het aangezicht van het land,-
van mens tot staldier
en van de kruipers
tot aan de vliegers van de hemel,
omdat ik spijt gekregen heb
dat ik hen gemaakt heb!
8
Maar Noach,- spijt,* Noach houdt verband met nacham dat uiteenlopende betekenissen heeft: troosten, spijt hebben, wraak uitoefenen.

heeft genade gevonden
   in de ogen van de Ene.

Maar Noë
vindt genade
tegenover de Heer God.
9
Dit zijn de geboorten uit Noach:

Noach is
een man oprecht en vol-gaaf geweest
   in de generaties mét hem;

met Gód heeft Noach gewandeld.
Maar dit zijn de geboorten uit Noë.
Noë,
een rechtvaardig mens, die een volmaakte is
in zijn generatie,-
aan God behaagt Noë.
10
Noach doet een drietal zonen baren:

Sem, Cham en Jafet.
Maar Noë brengt drie zonen voort:
Sem, Cham, Jafeth.
11
Het aardland wordt bedorven
   voor het aanschijn van God:

het aardland wordt vervuld van geweld.
Maar het land wordt bedorven
tegenover God,
en vervuld wordt het land van onrecht.
12
God ziet het aardland aan,
   en ziedaar, het is bedorven;

want verdorven heeft alle vlees
   zijn weg op het aardland.

••
En de Heer God ziet het land aan
en het is verdorven geweest,-
omdat alle vlees zijn weg verdorven heeft
op het land.
13
Dan zegt God tot Noach:

het einde van alle vlees
   is voor mijn aanschijn gekomen,

want het aardland is vervuld
   van geweld,- vanwege hun verschijning;

ziehier, verderven zal ik hen
   met het aardland;
En God zegt tot Noë:
het moment van alle mens
is tegenover mij gekomen,
omdat het land is vervuld
van onrecht van hen uit,
en zie, ik verderf hén
en het land;
14
maak, jij-voor-jou,
   een ark van stammen cipres;

als een vogelnest moet je de ark maken;
bedekken moet je haar
binnenshuis en buiten met pekdekking;
maak dan voor jezelf
een ark uit vierhoekige stukken hout;
als vogelnesten zul je de ark maken
en haar vanbinnen en vanbuiten
bepekken met pek;
15
en dit is

hoe je haar moet maken:
driehonderd el
de lengte van de ark,
vijftig el haar breedte,
dertig el haar opstand;
en zó
zul je de ark maken:
van driehonderd ellen
de lengte van de ark
en van vijftig ellen de breedte,
en van dertig ellen haar hoogte
16
een lichtluik moet je maken voor de ark,

op een el van bovenaf
   moet je dat laten ophouden

en de deur van de ark
   moet je in haar zijde inzetten;

onderste, tweede en derde (dekken)
   moet je maken;
met een puntdak moet je de ark maken,
en naar een el toe
zul je haar van boven voltooien;
maar de ingang van de ark
zul je maken van opzij;
met een begane grond, een tweede dek en een derde dek
zul je haar maken;
17
en ik,

ziehier, ik doe de watervloed komen
   over het land

om te verderven alle vlees
waarin levensadem is,
onder de hemel;
al wat op het land is zal omkomen;
maar ik,
zie, ik breng de overstroming van water
over het land
om alle vlees te verderven
waarin een levensgeest is
onder de hemel;
en zoveel als er op het land is,
het zal ten einde gaan;
18
maar gestand doen
   zal ik mijn verbond met jou:

komen zul jij in de ark,
jijzelf,
je zonen, je vrouw
   en de vrouwen van je zonen met jou;
en gestand doen zal ik
mijn verbond jegens jou;
maar je moet binnentrekken in de ark,
jij,
en je zonen en je vrouw,
en de vrouwen van je zonen met jou;
19
van al wat leeft, van alle vlees

van alles twee
zul je doen komen in de ark
   om met jou te doen overleven;

mannelijk en vrouwelijk zullen ze wezen;
en vanuit al de staldieren
en vanuit al de kruipers en van al de wilde dieren
en vanuit alle vlees moet je twee aan twee
vanuit alles binnenbrengen in de ark
om (ze) samen met jouzelf te voeden;
mannelijk en vrouwelijk zullen ze zijn;
20
van het gevogelte naar hun verschil,

van het vee naar zijn verschil,
van al wat over de -rode- grond kruipt
naar hun verschil:
met van alles twee zullen ze komen tot jou
   om te doen overleven;
vanuit al de vogels die vliegen naar genus
en al de tamme dieren naar genus,
en vanuit al de kruipers
die over het land kruipen naar hun genus
zullen er twee aan twee vanuit alles bij jou binnentrekken
om samen met jou gevoed te worden,- mannelijk en vrouwelijk;
21
en jijzelf, neem jij voor jou mee

van alle eten dat wordt gegeten
en zamel dat bij jou in,
worden zal dat voor jou en voor hen
   om te eten!
maar jij, je zult voor jezelf nemen
van al de spijzen die ge eet,
en zult ze bij jezelf samenbrengen,-
en ze zullen er zijn voor jou en voor hén
om te eten!
22
Dat doet Noach;

naar al wat God hem heeft geboden,
   zo heeft hij gedaan.

••
En Noë maakt-en-doet alle dingen
die de Heer God hem heeft geboden;
zó maakt-en-doet hij.

Genesis hoofdstuk 7

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dan zegt de Ene tot Noach:

kom, jijzelf en heel je huis, in de ark;
want jou heb ik gezien als een oprechte
   voor mijn aanschijn
   in deze generatie.
En de Heer God zegt tot Noë:
trek binnen, jij en heel je huis, in de ark,-
omdat ik jou gezien heb als een rechtvaardige
tegenover mij
in deze generatie!-
2
Van al het reine vee

neem jij je er zeven en zeven,-
   een man en zijn vrouw;

en van het vee
dat niet rein is: dat is een tweetal
   een man en zijn vrouw;
maar breng vanuit de reine staldieren er
zeven aan zeven bij jou naar binnen,
mannelijk en vrouwelijk,
maar vanuit de staldieren
die níet rein zijn twee aan twee,
mannelijk en vrouwelijk,
3
ook van het gevogelte van de hemel
   zeven en zeven, mannetje en wijfje;

om nazaten te doen overleven
   op het aanschijn van heel het aardland;
en van de vogels van de hemel die rein zijn
zeven aan zeven, mannelijk en vrouwelijk,
en van de vogels die níet rein zijn
twee aan twee, mannelijk en vrouwelijk,
om zaad te verzorgen
over al het land;
4
want nog een zevental dagen,

dan laat ik het regenen over het aardland
veertigmaal een dag en
veertigmaal een nacht;
wegvagen zal ik
al het bestaande dat ik heb gemaakt
van op het aanschijn van de -rode- grond.
want nog zeven dagen,
(en) ík breng regen over het land,
veertig dagen
en veertig nachten,
en ik zal al het opgestane dat ik gemaakt heb
wegvagen
van het aangezicht van het land!
5
Noach doet,-

naar al wat de Ene hem heeft geboden.
En Noë maakt-en-doet alle dingen
die de Heer God hem heeft geboden.
6
Noach was

een zoon van zeshonderd jaar;
toen is de vloed geschied,
water over het aardland.
Maar Noë is
zeshonderd jaren (oud) geweest,
en dan geschiedt de vloed van water
over het land.
7
Dan komt Noach,

en zijn zonen en zijn vrouw
en de vrouwen van zijn zonen met hem
   de ark in,-

vanwege de verschijning
   van de wateren van de vloed.
Maar Noë trekt,
en zijn zonen en zijn vrouw
en de vrouwen van zijn zonen met hem,
de ark binnen,
vanwege
het water van de vloed.
8
Van het vee dat rein is

en van het vee
waarvan er geen rein is,-
van het gevogelte en
al wat er rondkruipt
   over de -rode- grond
En van(uit) de vogels
en vanuit de staldieren die rein zijn
en vanuit de staldieren
die niet rein zijn
en vanuit al de kruipers
over het land
9
zijn ze twee aan twee
   gekomen tot Noach, tot de ark,
   mannelijk en vrouwelijk,-

zoals God het Noach had geboden.
trekken ze twee aan twee
bij Noë in de ark binnen,
mannelijk en vrouwelijk,-
naar wat God hem heeft geboden.
10
Het gewordt, na de zeven dagen:

de wateren van de vloed
hebben gewoed over het land.
En na de zeven dagen geschiedt het,
en het water van de vloed
geschiedt over het land.
11
In het jaar van het zeshonderdste jaar
   van Noachs leven,

in de tweede maand
op de zeventiende dag na nieuwemaan,-
op deze dag
zijn alle bronnen van de overstelpende
   oervloed losgebarsten

en zijn de sluizen des hemels geopend.
In het zeshonderdste jaar
in het leven van Noë,
de tweede maand,
de zevenentwintigste van de maand,
op deze dag
breken al de bronnen
van de afgrond los
en gaan de watervallen van de hemel open,-
12
Dan woedt de slagregen over het aardland:

veertigmaal een dag en
veertigmaal een nacht.
en geschiedt de regen over het land
gedurende veertig dagen
en veertig nachten.
13
In het bot van deze dag is Noach,

met Sem, Cham en Jafet, Noachs zonen,-
en de vrouw van Noach
en de drie vrouwen van zijn zonen met hen,
   aangekomen in de ark.
Op deze dag trekt Noë,
(met) Sem, Cham, Jafeth, de zonen van Noë,
en de vrouw van Noë
en de drie vrouwen van zijn zonen met hem,
de ark binnen.
14
Zij en alle wildleven
   naar zijn verscheidenheid,

alle vee in zijn soorten en
al wat er rondkruipt over het aardland
   naar zijn verscheidenheid;

al het gevogelte naar zijn verscheidenheid,
elke tsjilper, elke vleugel,
En al de wilde dieren
naar genus
en al de staldieren naar genus,
en alle kruipsel dat over het land beweegt
naar genus
en alle gevogelte naar genus,
15
zij komen tot Noach, tot de ark;

twee aan twee, uit alle vlees
waarin levensgeest is.
zij trekken bij Noë de ark binnen,-
twee aan twee vanuit alle vlees
waarin adem van leven is.
16
En die komen,

mannelijk en vrouwelijk zijn zij
   uit alle vlees gekomen,

zoals God hem heeft geboden;
dan sluit de Ene achter hem af.
En die naar binnen gingen
zijn, mannelijk en vrouwelijk,
vanuit alle vlees binnengetrokken,-
naar wat God aan Noë heeft geboden.
En de Heer God sluit van buitenaf achter hem de ark.
17
De vloed woedt
   veertigmaal een dag over het aardland,

de wateren wassen,
tillen de ark op,
en die verheft zich van op het aardland.
En de vloed geschiedt
veertig dagen en veertig nachten over het land,
en het water wast
en heft de ark op,
en die wordt omhooggeheven van het land.
18
Als de wateren winnen
   en bovenmate wassen over het aardland,-

gaat de ark voort
   over het aanschijn van de wateren.
En het water is gaan heersen
en zeer gaan wassen over het land,
en de ark is gedragen gaan worden
over het water.
19
De wateren hebben

zo bovenmatig veel over het aardland gewonnen,
dat overdekt worden
   alle hoge bergen

die er onder al de hemelen zijn.
En het water is
over het land
zeer gaan heersen
en overdekt dan
al de hoge bergen
die er onder de hemel zijn geweest.
20
Vijftien el daarboven
   hebben de wateren gewonnen,-

en de bergen worden overdekt.
Vijftien ellen naar boven
wordt het water verhoogd,
en overdekt al de hoge bergen.
21
Dan bezwijkt

alle vlees dat rondkruipt op het aardland
als het gevogelte, als het vee,
   als het wildleven,

en als alle gewemel dat wriemelt
   over het aardland,-

heel de -rode- mensheid.
En dan sterft
alle vlees dat over het land beweegt,
en wel de vogels en de staldieren
en de wilde dieren,
ook alle kruipsel
dat over het land beweegt
en alle mens.
22
Alles

met ademtocht van geest en leven
   in zijn neusgaten,

van al wat op het droge is:
   ze zijn gestorven.
En alles
wat adem van leven heeft
en al wie
er op het droge is geweest,
sterft.
23
Hij vaagt weg
   al het bestand dat er op het aanschijn
   van de -rode- grond is,

van -rode- mens tot vee,
   tot wat rondkruipt
   en tot het gevogelte des hemels,-

ze worden weggevaagd van het aardland;
dan rest slechts Noach
   en wat er met hem in de ark is.
En hij vaagt weg
al het opgestane dat er op het aangezicht
van al het land is geweest,
van mens tot stalvee
en kruipers
en de vogels van de hemel,
en zij worden weggevaagd van het land;
en overgelaten wordt als enige Noë,
en die met hem in de ark zijn.
24
De wateren winnen over het aardland:

vijftigmaal en honderdmaal een dag.
En verhoogd wordt het water over het land
gedurende honderdvijftig dagen.

Genesis hoofdstuk 8

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Maar God blijft Noach indachtig

en al wat er in het wild leeft en alle vee
dat met hem in de ark is:
God laat een geestesstorm
   over het aardland trekken,

en de wateren bedaren.
En dan gedenkt God Noë,
en al de wilde dieren en al de staldieren
en al de vliegers en de kruipers
die met hem in de ark geweest zijn,
en God drijft geestesadem
over het land
en dan trekt het water zich terug,
2
Gestopt worden de bronnen
   van de oervloed

en de sluizen van de hemelen,-
de slagregen uit de hemelen houdt op.
en verborgen worden de bronnen
van de afgrond
en de watervallen van de hemel,
en de regen vanaf de hemel wordt vastgehouden.
3
De wateren keren terug van over het aardland,
   gaandeweg kerend;

de wateren wijken
na verloop van
honderdvijftigmaal een dag.
En het water heeft zich overgegeven
en is weggegaan van het land af;
overgegeven heeft het zich
en verminderd is het water
na vijftig en een honderdtal dagen.
4
De ark vindt rust in de zevende maand

op de zeventiende dag na nieuwemaan,-
op de bergen van Ararat.
En de ark zet zich in de zevende maand,
op de zevenentwintigste van de maand,
neer op de bergen van Ararat.
5
De wateren

zijn blijven weggaan en wijken
tot de tiende maand;
in de tiende, op de eerste na nieuwemaan
hebben de toppen van de bergen
   zich laten zien.
Maar het water
is gaandeweg verminderd,
tot aan de tiende maand;
maar in de elfde maand, op de eerste van de maand,
worden de toppen van de bergen
zichtbaar.
6
Het geschiedt

na verloop van veertigmaal een dag:
dan opent Noach
het venster in de ark dat hij gemaakt heeft
En het geschiedt:
na veertig dagen
opent Noë
de ingang van de ark die hij gemaakt heeft
7
en zendt de raaf weg;

die trekt uit,
   in een uittrekken en terugkeren,

tot aan het opdrogen van de wateren
   van over het aardland.
en zendt hij de raaf uit,
om te zien of het water teruggetrokken is;
en eenmaal uitgetrokken keert hij niet terug
totdat het water opgedroogd is
van het land.
8
Dan zendt hij de duif van zich weg,

om te zien of de wateren zijn verminderd
van over het aanschijn van de -rode- grond.
En ná hem zendt hij de duif uit
om te zien of het water teruggetrokken is
van het aangezicht van het land.
9
Maar de duif heeft geen rust gevonden
   voor de holte van haar voet

en keert tot hem terug in de ark,
want (er staat) water over het aanschijn
   van heel het aardland.

Hij zendt zijn hand uit, neemt haar vast
en laat haar tot zich komen in de ark.
En als de duif geen rustplaats vindt
voor haar voeten,
keert zij tot hem terug in de ark,
omdat er (nog) water is geweest
over alle aangezicht van al het land.
En hij strekt zijn hand uit, neemt haar vast
en brengt haar bij zich in de ark.
10
Hij wacht nog

een zevental andere dagen;
dan zendt hij de duif wéér weg uit de ark.
En nog zeven andere dagen
aanhoudend
zendt hij de duif weer weg uit de ark
11
De duif komt tot hem tegen avondtijd

en ziedaar:
   een afgebroken olijftak in haar bek!-

dan weet Noach
dat de wateren
   van over het aardland zijn afgenomen.
En tegen de avond keert de duif bij hem terug,
en zij heeft het blaadje van een olijfboom,
een splinter maar, in haar bek gehad,
en (daaraan) herkent Noë
dat het water zich van het land heeft teruggetrokken.
12
Hij wacht nogmaals

een zevental andere dagen;
hij zendt de duif weg
en zij is niet meer nogmaals
   naar hem teruggekeerd.
En nog
zeven andere dagen aanhoudend
zendt hij de duif weer weg,
en zij gaat niet door met nogmaals
bij hem terug te keren.
13
Het geschiedt
   in het zeshonderd en eerste jaar,

aan het begin,
   op de eerste na nieuwemaan,

dat de wateren zijn gaan opdrogen
   van over het aardland;

dan verwijdert Noach het deksel van de ark,
ziet uit,-
en ziedaar, gaan drogen zijn
   de gelaatstrekken van de -rode- grond!
En het geschiedt
in het één-en-achthonderdste jaar
in het leven van Noë, in de eerste maand,
op (dag) één van de maand:
dan laat het water áf
van het land;
en Noë onthult het dak van de ark
die hij gemaakt heeft, en ziet
dat het water heeft afgelaten
van het aangezicht van het land.
14
In de tweede maand

op de zevenentwintigste dag
   na nieuwemaan:

dan is het aardland droog!
••
Maar in de tweede maand,
op de zevenentwintigste
van de maand,
is het land opgedroogd.
15
Dan spreekt God tot Noach en zegt:
En de Heer God zegt tot Noë, hij zegt:
16
trek weg uit de ark:

jijzelf,
en je vrouw, je zonen
   en de vrouwen van je zonen met jou;
trek weg uit de ark,
jij
en je vrouw en je zonen,
en de vrouwen van je zonen met jou,
17
alle leven dat bij je is, van alle vlees,

met het gevogelte, het vee en al het kruipsel
   dat over het aardland rondkruipt,
   laat dat met je mee wegtrekken,-

dat ze wemelen zullen over het land
en vruchtbaar en overvloedig worden
   op het aardland.
en alle wilde dieren die met je zijn,
en alle vlees, van vogels tot staldieren
en alle kruipsel dat over het land beweegt,
voer dat met jou mee naar buiten;
en vermeerdert u
en wordt véél
op het land!
18
Dan trekt Noach uit,-

en zijn zonen, zijn vrouw
   en de vrouwen van zijn zonen
   met hem mee.
En uít trekt Noë,
en zijn vrouw en zijn zonen
en de vrouwen van zijn zonen
met hem,-
19
Alle wildleven,

al het kruipsel en al het gevogelte,
al wat over het land voortkruipt,-
in hun families
zijn ze weggetrokken uit de ark.
en al de wilde dieren en al de staldieren,
en alle gevogelte en alle kruipsel
dat over het land beweegt,
naar hun genus
zij trekken weg uit de ark.
20
Noach bouwt een altaar voor de Ene;

hij neemt
van al het reine vee
en van al het reine gevogelte een deel
en doet op het altaar opgangsgaven opgaan.
En Noë bouwt voor God een altaar
en neemt
uit al de staldieren die rein zijn
en uit al de vogels die rein zijn (een aantal)
en brengt op het altaar vruchttotaaloffers.
21
De Ene ruikt

de reuke die-tot-rust-brengt
en de Ene zegt tot zijn hart:
ik zal niet nóg eens
   de -rode- grond verwensen

vanwege de -rode- mens,
want de formatie van 's mensen hart
   is kwaadaardig van zijn jonge jaren af;

ik zal niet nog eens alle leven zó slaan
   als ik heb gedaan!-
En dan snuift de Heer God
een reuk van wélrieken op
en zegt de Heer God nadenkend:
ik zal niet doorgaan
nogmaals het land te vervloeken
vanwege de werken van de mensen,
omdat het denken van de mens van jongs af
met alle zorg gericht is op het boze;
dus zal ik niet doorgaan
nogmaals alle vlees dat leeft te slaan
zoals ik gedaan heb;
22
voortaan, al de dagen van het aardland,

zullen zaaiing en oogst, koude en hitte,
   zomer en winter, dag en nacht
   geen sabbat houden!
al de dagen van het land
zullen zaaiing en zomeroogst, koude en hitte,
zomer en voorjaar, bij dag en nacht
niet ophouden!

Genesis hoofdstuk 9

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dan zegent God

Noach en zijn zonen;
hij zegt tot hen: draagt vrucht,
   weest overvloedig

en vervult het aardland!-
En God zegent
Noë en zijn zonen,
en zegt tot hen: vermeerdert u
en wordt véél,
en vervult het land en heerst daarover;
2
vreze voor u en schrik voor u
   moge er zijn

over alle leven van het aardland en
over alle gevogelte van de hemel;
bij al wat kruipt over de -rode- grond
   en bij alle vissen der zee:

in handen zijn ze u gegeven;
en het beven voor u en de vreze
zal zijn
over al de wilde dieren van het land
en over al de vogels in de hemel
en over al wat er beweegt over het land
en over al de vissen van de zee;
onder (uw) handen heb ik (ze) u gegeven;
3
al wat er rondkruipt en leeft

zal er voor u zijn als eten;
evenals het groene kruid
heb ik u dat alles gegeven;
en alle kruipsel dat in leven zal zijn
zal voor u tot spijze zijn;
zoals de tuingroenten uit (het) gewas
heb ik u dat alles gegeven;
4
echter: vlees

met zijn ziel, zijn bloed,
zult ge niet eten;
alleen zult ge spiervlees
met bloed van lijf-en-ziel
niet eten;
5
echt, uw bloed zal ik
   voor uw zielen opeisen,

uit de hand van alle leven* Of: wildleven.
   eis ik het,-

en uit de hand van de -rode- mens:
uit de hand van eens mans broeder
eis ik de ziel van de -rode- mens op;
want uw bloed,
dat van uw lijven-en-zielen, zal ik terugzoeken;
uit de hand van alle wilde dieren
zal ik het terugzoeken;
en uit de hand van een mens,
een broeder,
zal ik de ziel van de mens terugzoeken;
6
vergiet iemand het bloed
   van de -rode- mens,

door de -rode- mens
   zal zijn bloed worden vergoten;

want naar het beeld van God
heeft hij de -rode- mens gemaakt;
wie het bloed vergiet
van een mens,
in ruil voor zijn bloed
zal er worden vergoten,
omdat ik in het beeld van God
de mens gemaakt heb;
7
gij dus: draagt vrucht en wordt overvloedig!-

verbreidt u over het aardland
   en wordt overvloedig daarop!

••
maar gij, vermeerdert u en wordt véél,
en vervult het land
en wordt véél daarop!
8
Dan zegt God tot Noach

en tot zijn zonen met hem,- hij zegt:
En God zegt tot Noë
en zijn zonen met hem,- hij zegt:
9
ik,

hier ben ik, ik breng tot stand:
   een verbond van mij met u,-

en met uw zaad na u;
ik,
zie, ik stel
mijn verbond op voor u
en voor uw zaad met u,
10
met alle levende ziel die met u is,

met het gevogelte, met het vee en
   met alle wildleven van het land met u

uit het geheel van wie
   zijn weggetrokken uit de ark,

voor alle leven van het aardland;
en voor alle ziel die met u leeft,
vanaf vogels en vanaf staldieren,
en voor al de wilde dieren van het land
die er met u zijn, vanaf alle (dieren)
die zijn uitgetrokken uit de ark;
11
gestand doen zal ik mijn verbond met u,

niet nogmaals zal alle vlees
   worden weggemaaid
   door de wateren van de vloed,-

niet nogmaals geschiede er zo’n vloed
   om het aardland te verderven!
en gestand doen zal ik mijn verbond jegens u,
en niet nogmaals zal alle vlees
sterven
vanwege het water van de vloed,
en er zal niet nogmaals een vloed van water zijn
om al het land te verderven!
12
Dan zegt God:

dit is het teken van het verbond dat ik geef
tussen mij en u
en alle levende ziel die met u is,-
voor generaties van eeuwig:
En de Heer God zegt tot Noë:
van het verbond is dit het teken
dat ikzelf geef midden tussen mij en u
en alle levende ziel die met u is,-
tot in generaties van eeuwig;
13
mijn boog

heb ik gegeven in de wolken:
zij zal worden tot teken van verbond
tussen mij en het aardland;
in de wolk zet ik
mijn boog,
en die zal zijn tot teken van het verbond
midden tussen mij en het land;
14
het zal geschieden:

als ik wolken welf over het aardland,-
en de boog in de wolken zich heeft laten zien,-
en het zal zijn:
wanneer ik over het land wolken samenwolk,
zal in de wolk mijn boog worden gezien
15
zal ik gedenken mijn verbond

tussen u en mij
en alle levende ziel, in alle vlees:
niet nogmaals zal het water
   worden tot een vloed

om te verderven alle vlees;
en zal ik mijn verbond gedenken
dat er is midden tussen mij en u
en alle ziel die leeft in alle vlees,
en niet nogmaals zal het water
er zijn tot een vloed
om weg te vagen alle vlees;
16
zal de boog daar wezen in de wolken,

aanzien zal ik haar
om te gedenken het verbond voor eeuwig
tussen God en alle levende ziel
en alle vlees op het aardland!
en mijn boog zal in de wolk zijn,
en ik zal (die) zien
om het eeuwige verbond te gedenken
midden tussen mij en alle ziel die leeft
in alle vlees dat er op het land is!
17
Dan zegt God tot Noach:

dit is het teken van het verbond dat ik
   tot stand heb gebracht

tussen mij
en alle vlees op het aardland!
En God zegt tot Noë:
dit is het teken van het verbond
dat ik heb beschikt
midden tussen mij
en alle vlees dat er op het land is!
18
De zonen van Noach
   die uit de ark wegtrekken, dat worden:

Sem, Cham en Jafet.
Cham,
   hij is de vader van Kanaän.
Maar de zonen van Noë
die uit de ark zijn uitgetrokken
dat zijn geweest: Sem, Cham, Jafeth.
Maar Cham
is de vader van Chanaän geweest.
19
Een drietal zijn dezen, de zonen van Noach,

en van dezen uit
   is heel het aardland overspreid.
Deze drie zijn de zonen van Noë;
van hen uit
hebben ze zich over het land uitgezaaid.
20
Dan maakt Noach als man
   van de -rode- grond een begin:

hij plant een wijngaard.
En Noë begint
als mens die landbewerker van land is,
en plant een wijngaard.
21
Hij drinkt van de wijn en wordt dronken;

hij ontbloot zich binnen in zijn tent.
En hij drinkt van de wijn en wordt dronken,
en ligt naakt neer in zijn huis.
22
Dan ziet

Cham, de vader van Kanaän,
de naaktheid van zijn vader aan,
en meldt die aan zijn twee broers buiten.
En dan ziet
Cham, de vader van Chanaän,
de naaktheid van zijn vader aan, en buiten komend
doet hij daarvan kond aan zijn twee broers buiten.
23
Sem neemt, met Jafet, de mantel,

en legt die op de schouders van hen tweeën;
ze lopen achteruit
en dekken
de naaktheid van hun vader toe;
met hun aanschijn naar achteren gericht
hebben ze de naaktheid van hun vader
   niet gezien.
En Sem en Jafeth nemen het kleed
en leggen dat over hun twee schouders
en lopen achteruitkijkend (naar binnen)
en bedekken samen
de naaktheid van hun vader,-
met hun aangezicht achteruitkijkend,
en de naaktheid van hun vader
zien ze niet.
24
Noach wordt wakker uit zijn wijnroes

en komt te weten
wat zijn jongste zoon aan hem heeft gedaan.
Maar na de wijn wordt Noë nuchter
en krijgt er kennis van
wat zijn jongste zoon hem heeft aangedaan.
25
En hij zegt: vervloekt is Kanaän!-

dienaar van dienaren worde hij
   voor zijn broeders!
En hij zegt: vervloekt zij Chanaän,-
huisslaaf zal hij zijn
voor zijn broeders!
26
En hij zegt:

gezegend de Ene, de God van Sem;
worde Kanaän dienstknecht voor hem!-
En hij zegt:
gezegend de Heer, de God van Sem,
en zijn zal Chanaän zijn knecht;
27
uitbreiding geve God aan Jafet,- uitbreiding,

wonen moge hij in de tenten van Sem,-
en worde Kanaän dienstknecht voor hem!
moge God het voor Jafeth ruim maken
en moge hij huizen in de huizen van Sem,
en worde Chanaän hun knecht!
28
Noach leeft na de vloed

driehonderd jaar en
vijftig jaar.
Maar Noë leeft na de vloed
driehonderd
vijftig jaren.
29
Zo wordt het geheel van Noachs dagen

negenhonderd jaar en
vijftig jaar;
dan sterft hij.
En dan worden al de dagen van Noë
negenhonderd
vijftig jaren
en sterft hij.

Genesis hoofdstuk 10

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dit zijn de geboorten uit Noachs zonen,

Sem, Cham en Jafet;
hun werden na de vloed zonen gebaard.
Dit zijn de geboorten van Noë’s zonen,
Sem, Cham, Jafeth,
en hun worden na de vloed zonen gebaard.
2
De zonen van Jafet zijn

Gomer en Magog,
Medië, Javan en Toeval;
Mesjech en Tiras.
Zonen van Jafeth?-
Gamer en Magog,
en Madai en Joran, en Elisa en Thobel,
en Mosoch en Thiras.
3
De zonen van Gomer zijn

Asjkenaz, Rifat en Togarma.
En de zonen van Gamer?-
Aschanaz en Rifath en Thorgamen.
4
De zonen van Javan: Elisja en Tarsjiesj;

Kitiërs en Dodanieten.
En zonen van Jovan?- Elisa en Tharsis,-
Kitioi, Rodioi.
5
Van hen uit hebben zich verspreid

de kustlanden der volkeren
   in hun landen,

ieder naar zijn taal,
naar hun families,
   in hun volkeren.
Van hen uit grenzen zich af:
de kustlanden der volkeren
in hun land,
ieder naar (zijn) taal,
in hun stammen
en in hun volkeren.
6
De zonen van Cham zijn

Koesj en Egypte, Poet en Kanaän.
Maar zonen van Cham?-
Choes en Mesraïm, Foed en Chanaän.
7
De zonen van Koesj zijn

Seva en Chavila,
Savta, Rama en Savtecha;
de zonen van Rama: Sjeva en Dedan.
Maar zonen van Choes?-
Saba en Evila,
en Sabatha en Regma en Sabakatha.
Maar zonen van Regma?- Saba en Dadan.
8
Koesj heeft Nimrod gebaard;

díe is begonnen
een geweldenaar te wezen op het aardland.
Maar Choes genereert Nebrod.
Deze begint ermee
een gigant te zijn op het land.
9
Hij is geweest: een geweldenaar in jagen,
   voor het aanschijn van de Ene;

daarom wordt er gezegd
‘als Nimrod een geweldenaar in jagen
   voor het aanschijn van de Ene!’
Deze is een gigant van een jager geweest
tegenover de Heer God.
Daarom zullen ze zeggen:
‘Als Nebrod zo’n gigant van een jager
tegenover de Heer!’
10
Hoofd-en-begin van zijn koninkrijk
   wordt Babel!-

met Erech, Akad en Kalnee,-
op het land van Sjinar.
Begin van zijn koninkrijk
is Babylon
en Orech, en Archad en Chalannè
in het land van Sennaär.
11
Van dat land is Asjoer weggetrokken;

hij bouwt Ninevee, Rechovot-stad en Kalach;
Uit dát land trekt Assoer weg
en bouwt Ninevee, en de stad Roöboth en Chalach,
12
en Resen,

tussen Ninevee en Kalach;
dat is de grote stad.
en Dasem,
midden tussen Ninevee en Chalach;
dat is de grote stad.
13
Egypte

heeft gebaard:
Loedieten, Anamieten, Lehavieten,
   Naftoechieten,
En Mesraïm
genereert
de Loediïem en de Enemetiïem en de Labiïem,
en de Nefthaliïem,
14
Patroesieten en Kasloechieten,-

van waaruit zijn weggetrokken
   (de) Filistijnen, naast Kaftorieten!

••
en de Patrosoniïem en de Chasloniïem,
waarvandaan Filistiïem
en de Kafthoriïem zijn.
15
Kanaän

heeft Tsidon, zijn eersteling, gebaard,
   en Cheet;
Maar Chanaän
genereert als eersteling Sidon,
en Ghettaios;
16
de Jeboesiet, de Amoriet

en de Girgasjiet;
en Jeboesaios en Amorraios
en Gergesaios;
17
de Chiviet, de Arkiet en de Siniet;
en Evaios en Aroekaios en Asennaios,
18
de Arvadiet, de Tsemariet
   en de Chamatiet.

Later zijn ze verspreid,
de families van de Kanaäniet.
en Aradios en Samaraios
en Amathi.
En daarna verstrooien zich
de stammen van de Chananaioi,
19
Zo wordt

het gebied van de Kanaäniet: van Tsidon
als je naar Gerar toe bij Gaza komt;
als je aankomt
op Sodom en Gomorra aan,
   Adma en Tsevojiem tot bij Lesja.
en worden de gebieden van de Chananaioi: van Sidon
tot waar men komt naar Gerara en Gaza,
tot waar men komt
(bij) Sodomon en Gomorras,
tot (bij) Lasa.
20
Dit zijn de zonen van Cham

naar hun families en hun talen;
in hun landen en hun volkeren.
••
Dit zijn de zonen van Cham
in hun stammen, naar hun talen,-
in hun landstreken en in hun volkeren.
21
Aan Sem -naam, is gebaard, ook aan hem,-

de vader van alle zonen van Eber,
broeder van Jafet, de oudste.
Ook aan Sem wordt gebaard, ook aan hem,
de vader van al de zonen van Eber;
(hij is) de broer van Jafeth (die) de oudste (is).
22
De zonen van Sem -naam- zijn: Elam en Asjoer;

Arpachsjad, Loed en Aram.
De zonen van Sem?- Ailam en Assoer,
en Arfaxad en Loed, en Aram en Kainan.
23
De zonen van Aram zijn

Oets, Choel, Geter en Masj.
En de zonen van Aram?-
Oos en Oel, en Gather en Mosoch.
24
Arpachsjad heeft Sjelach gebaard,

Sjelach heeft Eber gebaard.
En Arfaxad genereert Kainan,
en Kainan genereert Sala,
maar Sala genereert Eber.
25
Aan Eber werd een tweetal zonen gebaard,

de naam van de ene:
Peleg,- splitsing,
want in zijn dagen spleet het aardland;
de naam van zijn broeder is Joktan.
En aan Eber worden twee zonen gebaard;
de naam voor de ene is
Falek,
omdat in zijn dagen het land verdeeld wordt;
en de naam voor zijn broer is Jektan.
26
Joktan baarde

Almodad en Sjelef;
Chatsarmavet en Jerach;
Maar Jektan genereert
Elmodad en Salef,
en Asarmoth en Jarach,
27
Hadoram, Oezal en Dikla;
en Odorra en Aizèl en Dekla,
28
Oval, Avimaël en Sjeva;
en Abimeël en Sabev,
29
Ofir, Chavila en Jovav;

al dezen zijn zonen van Joktan.
en Oefir en Evila en Jobab.
Al dezen zijn zonen van Jektan.
30
Hun woonplaats wordt: bij Mesja vandaan

als men bij Sefar aankomt:
   het gebergte aan de oostzijde.
En hun thuisgebied wordt: vanaf Massè
tot waar men komt naar Sofèra,
het gebergte van het oosten.
31
Dit zijn de zonen van Sem -naam,

naar hun families, naar hun talen,-
in hun landen, naar hun volkeren.
Dit zijn de zonen van Sem
in hun stammen naar hun talen,
in hun landstreken en in hun volkeren.
32
Dit zijn de families
   van de zonen van Noach

naar hun geboorten, in hun volksstammen;
van dezen uit
zijn de volkeren over het aardland
   verspreid, na de vloed.

Dit zijn de stammen
van de zonen van Noë
naar hun geboorten, naar hun volkeren;
van hen uit
verstrooien zich de eilanden der volkeren
over het land, na de vloed.

Genesis hoofdstuk 11

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Het geschiedt:
   heel het aardland is van één taallip

en van eendere woorden.
En geweest is
al het land één van lip
en (met) één stemgeluid voor allen.
2
Het geschiedt,
   als ze uit het oosten opbreken,
   vinden ze een kloof in het land Sjinar
   en zetten zich dáár neer.
En het geschiedt:
als zij vanuit het oosten bewegen
vinden ze een vlakte in het land van Sennaär
en gaan daar huizen.
3
Ze zeggen,

een man tot zijn makker:
welaan, we kleien kleitegels
en branden ze brandvast!
Zo wordt voor hen het kleiwit tot steen
en het pekzwart
is voor hen tot zwartleem geworden.
En een mens zegt
tot de naaste:
welaan, laten we kleitegels kleien
en die bakken in vuur!
En dan wordt hun de klei tot steen,
en (tot) pek
is hun het leem geweest.
4
Dan zeggen ze:

welaan, bouwen wij ons een stad
en een toren met zijn top in de hemel,
en maken wij ons een sem, een naam,-
anders worden we verstrooid
   over het aanschijn van heel het aardland!
En zij zeggen:
welaan, bouwen wij voor onszelf een stad
en een toren welks top zal zijn tot aan de hemel,
en maken we voor onszelf een naam,-
voordat we uitgezaaid worden
over het aangezicht van al het land!
5
Dan daalt de Ene neer

om de stad en de toren te zien,
die ze hebben gebouwd,
   de bouwzonen van de -rode- mens.
En neer daalt de Heer,
om de stad aan te zien en de toren
die de zonen der mensen
hebben gebouwd.
6
Hij zegt, de Ene:

ziedaar, één gemeenschap,
   één taallip voor hen allen,

en dít is het begin van wat ze gaan doen:
nú is voor hen niets onuitvoerbaar
van al wat ze verzinnen te doen;
En dan zegt de Heer:
zie, één genus
en één lip hebben allen,
en dit zijn zij begonnen te maken,
en nu zal het hen niet loslaten,
alles waar zij zich aan zetten om het te maken;
7
welaan, laten we neerdalen

en daar hun taal verwarren,-
zodat ze per man de taal van zijn makker
niet horen!
welaan; en laten we neerdalen
en daar hun taal vermengen,
zodat zij ieder de stem van de naaste
niet horen!
8
Zo verstrooit de Ene hen van daaruit
   over het aanschijn van heel het aardland,

en houden ze op
   met het bouwen van de stad.
En de Heer zaait hen daarvandaan uit
over het aangezicht van al het land,
en zij houden op
aan de stad en de toren te bouwen.
9
Dáárom

heeft hij als haar sem -naam- uitgeroepen
   ‘Babel’,- verwarring,

want daar heeft de Ene
de taal van heel het aardland verward;
en van dááruit heeft de Ene hen verstrooid
over het aanschijn van heel het aardland.
Daarom
wordt als haar naam uitgeroepen:
‘Vermenging!’,
omdat daar de Heer
de lippen van al het land vermengd heeft,
en daarvandaan zaait de Heer God hen uit
over het aangezicht van al het land.
10
Dit zijn de geboorten uit Sem,- naam.

Sem -naam- laat als zoon van honderd jaar
Arpachsjad geboren worden,-
een dubbeljaar ná de vloed.
En dit zijn de geboorten uit Sem:
Sem is een zoon van honderd jaren
wanneer hij Arfaxad genereert
in het tweede jaar na de vloed.
11
Sem -naam- leeft

nadat hij Arpachsjad
   geboren heeft doen worden

vijfhonderd jaar,
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Sem leeft,
nadat hij Arfaxad
heeft gegenereerd,
honderd vijfendertig jaren,
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
12
Arpachsjad leeft vijfendertig jaar,-
   en laat Sjelach geboren worden.
En Arfaxad leeft honderd vijfendertig jaren
en genereert Kainan.
13
Arpachsjad leeft

nadat hij Sjelach geboren heeft doen worden
drie jaren en
vierhonderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Arfaxad leeft
nadat hij Kainan heeft gegenereerd
vierhonderd
dertig jaren,
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
En Kainan leeft honderd dertig jaren
en genereert Sala.
En Kainan leeft
nadat hij Sala heeft gegenereerd
driehonderd
dertig jaren
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
14
Sjelach leeft dertig jaar;

dan laat hij Eber geboren worden.
En Sala leeft honderd dertig jaren
en genereert Eber.
15
Sjelach leeft

nadat hij Eber geboren heeft doen worden
drie jaren en
vierhonderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Sala leeft
nadat hij Eber heeft gegenereerd
driehonderd
dertig jaren,
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
16
Eber leeft

vierendertig jaar;
dan laat hij Peleg geboren worden.
En Eber leeft
honderd vierendertig jaren
en genereert Falek.
17
Eber leeft

nadat hij Peleg geboren heeft doen worden
dertig jaar en
vierhonderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Eber leeft
nadat hij Falek heeft gegenereerd
driehonderd
zeventig jaren,
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
18
Peleg leeft dertig jaar,

dan laat hij Reoe geboren worden.
En Falek leeft honderd dertig jaren
en genereert Ragau.
19
Peleg leeft

nadat hij Reoe geboren heeft doen worden
negen jaren en
een dubbelhonderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Falek leeft
nadat hij Ragau gegenereerd heeft
tweehonderd
negen jaren,
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
20
Reoe leeft

tweeëndertig jaar;
dan laat hij Seroeg geboren worden.
En Ragau leeft
honderd tweeëndertig jaren
en genereert Seroech.
21
Reoe leeft

nadat hij Seroeg geboren heeft doen worden
zeven jaren en een dubbelhonderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Ragau leeft
nadat hij Seroech heeft gegenereerd
tweehonderd zeven jaren
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
22
Seroeg leeft dertig jaar;

dan laat hij Nachor geboren worden.
En Seroech leeft honderd dertig jaren
en genereert Nachor.
23
Seroeg leeft

nadat hij Nachor geboren heeft doen worden
   een dubbelhonderd jaar;

zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Seroech leeft
nadat hij Nachor heeft
gegenereerd.
tweehonderd jaren
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
24
Nachor leeft

negenentwintig jaar;
dan laat hij Terach geboren worden.
En Nachor leeft
negenenzeventig jaren
en genereert Thara.
25
Nachor leeft

nadat hij Terach geboren heeft doen worden
negentien jaar en honderd jaar;
zonen en dochters laat hij geboren worden.
••
En Nachor leeft
nadat hij Thara heeft gegenereerd
honderd negenentwintig jaren
en genereert zonen en dochters en sterft dan.
26
Terach leeft zeventig jaar;

dan laat hij Abram geboren worden
en Nachor en Haran.
En Thara leeft zeventig jaren
en genereert Abram,
en Nachor, en Arran.
27
Dit zijn de geboorten uit Terach:

Terach heeft Abram geboren doen worden
en Nachor en Haran;
Haran heeft Lot geboren doen worden.
Maar dit zijn de geboorten uit Thara.
Thara genereert Abram
en Nachor en Arran,
en Arran genereert Lot.
28
Haran sterft

voor het aanschijn van Terach, zijn vader,-
   in het land van zijn geboorte,

in het Oer Kasdiem.
En Arran sterft
voor het aangezicht van Thara, zijn vader,
in het land waarin hij werd gebaard,
in de streek van de Chaldaioi.
29
Abram en Nachor nemen zich vrouwen;

de naam van Abrams vrouw is Sarai
en de naam van Nachors vrouw is Milka,
een dochter van Haran,
   die vader van Milka
   en vader van Jiska is geweest.
En dan nemen Abram en Nachor zich vrouwen
de naam voor de vrouw van Abram is Sara,
en de naam voor de vrouw van Nachor is Melcha,
een dochter van Arran,-
de vader van Melcha
en de vader van Jescha.
30
Maar Sarai blijkt onvruchtbaar:

voor haar geen boreling.
En Sara is onvruchtbaar geweest
en heeft geen kind ontwikkeld.
31
Terach neemt Abram, zijn zoon, mee,

met Lot, zoon van Haran,
   dus een kleinzoon van hem,

en Sarai, zijn schoondochter,
de vrouw van zijn zoon Abram;
en zij trekken met elkaar weg
   uit Oer Kasdiem

om te gaan naar het land van Kanaän;
ze komen tot Charan en zetelen daar.
En dan neemt Thara Abram, zijn zoon, mee
en Lot, zoon van Arran,
(dus) zoon van zijn zoon,
en zijn schoondochter Sara,
de vrouw van zijn zoon Abram,
en leidt hen weg
uit de streek der Chaldaioi
om te gaan naar het land van Chanaän,
en komt tot aan Charra en gaat dáár huizen.
32
De dagen van Terach worden

vijf jaren en een dubbelhonderd jaar;
dan sterft Terach, in Charan.
••
En de dagen van Thara in Charra worden
tweehonderd vijf jaren,
en dan sterft Thara, in Charra.

Genesis hoofdstuk 12

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dan zegt de Ene tot Abram:

ga, jij, weg uit je land,
   uit je geboortetent en
   uit het huis van je vader,-

naar het land dat ik je zal doen zien;
En de Heer zegt tot Abram:
trek weg uit je land
en uit je geboortetent
en uit het huis van je vader,-
naar het land dat ik je, welk ook maar, zal tonen;
2
ik zal je maken tot een groot volk,
   ik zal je zegenen,

ik zal groot maken jóuw naam;
word een zegen!-
en ik zal je maken tot een groot volk
en ik zal je zegenen
en grootmaken jouw naam,-
en een gezegende zul je zijn;
3
ik zal zegenen wie jou zegenen

en wie jou verwenst zal ik vervloeken;
door jou zullen gezegend zijn
alle families op de -rode- grond!
en ik zal zegenen wie jou zegenen,
en wie jou vervloeken zal ik vervloeken;
en in jou zullen gezegend worden
al de stammen van het land!
4
Dan gáát Abram,

zoals tot hem gesproken heeft de Ene,
en met hem mee gaat Lot.
Abram is een
zoon van vijf jaren en zeventig jaar
bij zijn uittocht uit Charan.
En dan gáát Abram voort,
zoals tot hem gesproken heeft de Heer,
en met hem meegegaan is Lot.
Maar Abram is
van zeventig (en) vijf jaren geweest
toen hij wegtrok uit Charran.
5
Méé neemt Abram: zijn vrouw Sarai
   en Lot,

de zoon van zijn broer,
al hun verwerf dat ze hebben verworven en
alle levende ziel
   die ze zich eigen hebben gemaakt

in Charan;
ze trekken weg
om te gaan naar het land van Kanaän
en ze kómen in het land van Kanaän.
En Abram neemt mee: Sara, zijn vrouw,
en Lot,
zoon van zijn broer,
en al de dingen die hun toebehoren,
zoveel als ze verworven hebben,
en alle ziel
die ze in Charran hebben verworven,
en zij trekken weg
om te gaan naar het land van Chanaän
en komen aan in het land van Chanaän.
6
Abram doorkruist het land

tot aan het oord van Sjechem,
tot aan de godseik van Moree* Niet naar de letter(s), maar wel naar de klank kan deze naam verstaan worden als 'die doet zien'.;
de Kanaäniet is dan in het land.
En Abram doorkruist het land in z’n lengte
tot aan de plaats Sychem,
bij de Hoge Eik.
Maar de Chananaioi hebben toen in het land gehuisd.
7
Maar de Ene laat zich aan Abram zien

en zegt:
aan jouw zaad
zal ik dit land geven!
Dan bouwt hij daar een altaar
voor de Ene,
die zich aan hem heeft laten zien.
En zien laat zich de Heer aan Abram,
en zegt tot hem:
aan jouw zaad
zal ik dit land geven!
En dan bouwt Abram daar een altaar
voor de Heer
die zich aan hem heeft laten zien.
8
Hij trekt vandaar verder, op het gebergte aan

ten oosten van Bet El,- huis van God,
   en spant zijn tent,-

met Bet El aan de zeezij
en het Ai,- puinhoop, in het oosten;
hij bouwt daar een altaar voor de Ene
en roept de Ene aan bij zijn naam.
En hij neemt afstand daarvandaan
op het gebergte aan ten oosten van Baithel,
en stelt daar zijn tent op,
met Baithel aan de zeekant
en Aggai aan zonsopgangszij.
En hij bouwt daar een altaar voor de Heer
en roept aan bij de naam des Heren.
9
Abram breekt op,

voortgaande en opbrekend op de Negev aan.
En Abram breekt op
en voortgaande legert hij zich in de woestijn.
10
Er geschiedt honger in het land;

Abram daalt af naar Egypte,
   om dáár zwerver-te-gast te zijn,

want zwaar weegt de honger in het land.
En er geschiedt honger in het land,
en dan daalt Abram af naar Aigyptos
om dáár bijwoner te zijn,
omdat de honger te sterk wordt over het land.
11
En het geschiedt:

met dat de aankomst in Egypte is genaderd
zegt hij tot Sarai,- vorstin voor mij, zijn vrouw:
zie toch, ik wéét
dat jij een vrouw bent schoon van aanzien;
Maar het geschiedt:
wanneer Abram is genaderd
om in Aigyptos binnen te komen,
zegt Abram tot Sara, zijn vrouw:
ik erken, ik,
dat je een vrouw bent die goed van aangezicht is;
12
geschieden zal het:

wanneer de Egyptenaren jou zullen aanzien
zullen ze zeggen ‘zijn vrouw is dat!’;
vermoorden zullen ze mij, en jóu laten leven!-
dus zal het zijn:
zodra de Aigyptioi jou aanzien
zullen ze zeggen: ‘zijn vrouw is zij!’
en mij ombrengen maar jou in leven laten;
13
zeg toch dat je mijn zuster bent;

opdat het met mij goed mag gaan
   omwille van jou:

overleven zal mijn ziel ter wille van jou!
zeg dan ‘zijn zuster ben ik’,
opdat het aan mij goed geschiedt
door jou,
en mijn ziel zal leven vanwege jou!
14
En het geschiedt,

zodra Abram in Egypte aankomt
dat de Egyptenaren de vrouw aanzien:
ja, schoon is zij, bovenmate!
Maar het geschiedt
wanneer Abram in Aigyptos binnentrekt,
dat de Aigyptioi de vrouw aanzien,
omdat zij zeer fraai geweest is;
15
De vorsten van Farao zien haar aan

en loven haar bij Farao,-
en de vrouw wordt opgenomen
   in het huis van Farao.
en de oversten van Farao zien haar aan
en loven haar bij Farao,
en leiden haar binnen
in Farao’s huis.
16
En aan Abram deed hij goed
   omwille van haar;

het wordt het zijne:
wolvee, rundvee en pakezels,
dienaars en slavinnen,
ezelmerries en kamelenhengsten.
En ze behandelen Abram goed,-
door haar,
en hem geworden
schapen, stierkalveren en ezels,
slaafjes en slavinnetjes,
halfezels en kamelen.
17
Maar de Ene slaat Farao met grote slagen

en ook zijn huis
om reden van Sarai, Abrams vrouw.
En God bezoekt de Farao met grote en boze bezoekingen,
en ook zijn huis,
om Sara, Abrams vrouw.
18
Farao laat Abram roepen

en zegt:
wat is dit dat je mij hebt aangedaan?-
waarom heb je mij niet gemeld
dat zij je vrouw is?-
Maar Farao roept Abram op
en zegt:
wat is dit dat je mij hebt aangedaan?-
dat je mij niet hebt verkondigd
dat zij jouw vrouw is!-
19
waarom heb je gezegd ‘mijn zuster is zij!’

zodat ik mij haar tot vrouw nam?-
welnu,
hier is je vrouw, neem haar mee en ga!
waartoe heb je gezegd ‘mijn zuster is zij!’?
en ik nam haar mijzelf tot vrouw;
welnu, ziehier je vrouw tegenover je;
neem mee en haast je weg!
20
Farao gebiedt over hem mannen;

zij hebben hem, met zijn vrouw
   en met al het zijne heengezonden.
En Farao gebiedt omtrent Abram aan mensen
om onder geleide hem en zijn vrouw
en al wat van hem is geweest, weg te sturen,
en Lot met hem mee.

Genesis hoofdstuk 13

Hebreeuws (Naardense Bijbel)
Septuaginta
1
Dan klimt Abram óp uit Egypte,

hijzelf, zijn vrouw en al het zijne,
   en Lot mét hem

op de Negev aan.
Maar Abram klimt op uit Aigyptos, hij en zijn vrouw en alles van hem, en Lot met hem mee, naar de woestijn.
2
Abram is zeer zwaar beladen,-

met levende have,
met zilver en met goud.
Maar Abram is zeer rijk geweest
aan staldieren
en aan zilver en goud.
3
Hij gaat, telkens opbrekend,

van de Negev tot aan Bet El,- huis van God,
tot aan het oord
   waar in het begin zijn tent geweest is,

tussen Bet El en het Ai;
En hij gaat (daarheen) vanwaar hij is gekomen,
de woestijn in tot aan Baithel,
tot aan het oord
waar eerder al zijn tent is geweest,
midden tussen Baithel en Aggai,
4
naar het oord van het altaar

dat híj daar in het eerst gemaakt heeft;
dáár roept Abram de naam van de Ene aan.
naar het oord van het altaar
dat hij daar in het begin heeft gemaakt.
En daar roept Abram de naam des Heren aan.
5
Ook voor Lot

die met Abram is meegegaan
is het geworden: wolvee, rundvee en tenten.
Ook bij Lot
die met Abram is meegegaan
zijn er schapen geweest, en runderen en tenten.
6
Maar het land heeft niet verdragen
   dat zij er samen zaten;

nee, zo overvloedig is hun bezit geworden
dat zij niet bij machte zijn geweest
   er samen te zitten.
En het land heeft niet zoveel ruimte gehad
dat zij er tegelijk konden huizen,
omdat hun toebehorens er vele zijn geweest,
en ze zijn niet bij machte geweest
er tegelijk te huizen.
7
Het wordt twist

tussen de herders van Abrams kudde
en de herders van de kudde van Lot;
terwijl de Kanaäniet, en de Periziet,
dan zetelt in het land.
En er geschiedt strijd
midden tussen de herders van Abrams staldieren
en de herders van de staldieren van Lot.
Maar toentertijd hebben de Chananaioi en de Ferezaioi
in het land gehuisd.
8
Dus zegt Abram tot Lot:

laat het toch geen twist worden
   tussen mij en jou,

tussen mijn herders en jouw herders;
want mannen die bróeders zijn, zijn wij!-
Maar Abram zegt tot Lot:
er moet geen strijd zijn
midden tussen mij en jou
en midden tussen mijn herders en jouw herders;
omdat wij mensen zijn die broeders zijn!-
9
ligt niet heel het land open voor je aanschijn?-

neem toch afscheid van mij;
als het links is ga ik rechts
en als het rechts is zal ik links gaan!
ziehier, ligt niet al het land tegenover je?-
neem ruim afstand van mij;
als jíj naar links (gaat), dan ík naar rechts;
maar als jíj naar rechts (gaat), dan ík naar links!
10
Dan heft Lot zijn ogen op

en overziet heel de vallei van de Jordaan,
hoe een en al drenkplaats zij is,
vóór de verwoesting door de Ene
van Sodom en van Gomorra,
als de tuin van de Ene, als het land Egypte
wanneer je bij Tsoar aankomt!
En als Lot zijn ogen opheft
ziet hij aan heel de omstreek van de Jordanos
dat zij geheel-en-al gedrenkt is geweest
-voordat God omkeerde
Sodoma en Gomorra-,
als het paradijs van God en als het land van Aigyptos
tot waar men bij Zogora komt.
11
Lot kiest zich

heel de vallei van de Jordaan
en Lot breekt op naar het oosten;
ze nemen afscheid
‘als een man van bij zijn broeder’.
En Lot kiest zich
heel de omstreek van de Jordanos;
en Lot breekt op vanaf Zonsopgang,
en zij nemen ruim afstand
elk van zijn broeder.
12
Abram is gaan zitten in het land Kanaän;

en Lot
is gaan zitten in de steden van de vallei,
en slaat zijn tenten op tot bij Sodom.
Maar Abram gaat huizen in het land van Chanaän,
maar Lot
gaat huizen in een stad van de omstreken
en slaat zijn tent op in Sodoma.
13
De mannen van Sodom zijn bovenmate

kwaadaardig en zondig,-
tegenover de Ene.
Maar de mensen in Sodoma zijn zeer
boos en zondig
tegenover God.
14
De Ene

heeft tot Abram gezegd
nadat Lot zich heeft afgescheiden
   van samen met hem:

hef je ogen op en zie
vanaf de plaats waar je bent
naar noord en zuid,
   oostwaarts en westwaarts;
God evenwel
zegt tot Abram,
nadat Lot zich heeft afgescheiden
van hem:
kijk met je ogen óp, en zie
vanaf de plaats waar jij nú bent
naar Noordenwind en Zuidwester
en naar Zonsopgangen en naar Zeezij;
15
want heel het land dat je ziet,
   aan jou zal ik het geven,-

en aan je zaad, tot in eeuwigheid;
omdat al het land dat jij ziet,-
aan jou zal ik het geven
en aan jouw zaad tot aan de eeuwigheid;
16
maken wil ik je zaad als het stof der aarde;

zodat, áls iemand bij machte zal zijn
het stof der aarde te tellen,
ook jouw zaad zal kunnen worden geteld;
en maken zal ik je zaad als het zand van het land;
indien iemand bij machte is
het zand van het land uit te tellen
zal ook jouw zaad uit te tellen zijn;
17
sta op en wandel in het land

in z’n lengte en breedte!-
want jou ga ik het geven!
sta op en doorkruis het land
én in z’n lengte én in z’n breedte,
omdat ik het jou zal geven!
18
Abram slaat zijn tent op,

komt aan en zetelt
bij de godseiken van Mamree bij Chevron;
hij bouwt daar een altaar voor de Ene.
En Abram breekt zijn tent op,
trekt verder en gaat huizen
bij de Eik van Mambre die er geweest is bij Chebron,
en bouwt daar een altaar voor de Heer.