| 5:1 | Ik keer terug, ik hef mijn ogen op en zie,- en ziedaar, een vliegende boekrol.
|
| 5:2 | Hij zegt tot mij: wat zie je? Ik zeg: ik zie een vliegende boekrol, twintig el lang en tien el breed is ze.
|
| 5:3 | Hij zegt tot mij: dit is de vervloeking die uittrekt over het aanschijn van heel de aarde; want al wie steelt blijft van nu af volgens haar ongestraft en al wie zweert blijft van nu af volgens haar ongestraft;
|
| 5:4 | ik heb haar laten verschijnen, is de tijding van de Ene, de Omschaarde, en komen zal zij in het huis van de dief en in het huis van wie bij mijn naam leugenachtig zweert; zij zal in zijn huis overnachten en er een eind aan maken, aan zijn houtverbindingen en zijn stenen!
|
| 5:5 | Dan verschijnt de engel die met mij spreekt,- hij zegt tot mij: hef toch je ogen op en zie wat hier verschijnt!
|
| 5:6 | Ik zeg: wat is dat? Hij zegt: dit is een efa die verschijnt!, en hij zegt: dit is hun ongerechtigheid in heel het land!
|
| 5:7 | En zie, een schijf lood die opgetild wordt,- en een vrouw alleen die in de efa zit.
|
| 5:8 | Hij zegt: dit is de boosaardigheid!, en werpt haar weer de efa in; dan werpt hij de loden steen op haar monding. ••
|
| 5:9 | Ik hef mijn ogen op en zie: ziedaar, twee vrouwen die verschijnen met wind in hun vleugels; ze hebben vleugels als de vleugels van de ooievaar; zij tillen de efa op tussen aarde en hemel.
|
| 5:10 | Ik zeg tot de engel die met mij spreekt: waar gaan zij met die efa heen?
|
| 5:11 | Hij zegt tot mij: om voor haar een huis te bouwen in het land Sjinar, is dat gereed dan plaatsen ze haar daar op haar gereedgemaakte onderstel! ••
|
| Lees hoofdstuk 4 | Lees hoofdstuk 6 |