deco De Naardense bijbel
BEVAT DE VOLLEDIGE TEKST VAN DE HEBREEUWSE BIJBEL EN HET NIEUWE TESTAMENT
IN DE VERTALING VAN PIETER OUSSOREN
Tekst raadplegen
Toon deze tekst!

 

HOME button
TEKST RAADPLEGEN button
LEZINGEN button
COLUMNS button
ACHTERGRONDEN button
KIJK & LUISTER button
RECENSIES button
BESTELLEN button
CONTACT button
LINKS button

 

Selecteer boek:
Zoekterm: exact      fuzzy
Hoofdstuk/Psalmnr: :

618 treffers


1:1
Het geschiedt:
na de dood van Jozua
stellen de kinderen IsraŽls
bij de Ene de vraag en zeggen:
wie zal voor ons als eerste opklimmen
   naar de Kanašniet
om tegen hem oorlog te voeren?

        Richteren

1:2
De Ene zegt: Juda zal opklimmen!-
zie, ik heb het land in zijn hand gegeven!
 

1:3
Juda zegt tot Simeon, zijn broeder:
klim met mij op in mijn lotsdeel;
wij zullen oorlog voeren met de Kanašniet
en ik zal ook met jou meegaan
   in jouw lotsdeel!
Dan gaat Simeon met hem mee.
 

1:4
Zo klimt Juda op
en de Ene geeft de Kanašniet en de Periziet
aan hen in handen;
ze verslaan hen bij Bezek,
tienduizend man.
 

1:5
In Bezek vinden ze Adoni Bezek
en voeren oorlog met hem;
ze verslaan
de Kanašniet en de Periziet;
 

1:6
Adoni Bezek vlucht
en zij jagen hem achterna;
ze overmeesteren hem
en snijden de duimen af
van zijn handen en zijn voeten.
 

1:7
Adoni Bezek zegt:
zeventig koningen
van wie de duimen
   van handen en voeten zijn afgehakt,
zijn onder mijn tafel oprapers geweest:
zoals ik heb gedaan,
zů heeft God mij vergolden!
Ze laten hem naar Jeruzalem komen
en daar sterft hij.
 

1:8
Dan voeren de kinderen IsraŽls
   oorlog met Jeruzalem,
bezetten dat
en slaan het met de bek van het zwaard;
ze hebben de stad prijsgegeven in het vuur.
 

1:9
Daarna
zijn de zonen van Juda afgedaald
om oorlog te voeren met de Kanašniet,-
die zetelde in het bergland,
in de Negev en in de Laagte.
 

1:10
Dan gaat Juda
af op de Kanašniet die zetelt in Hebron;
de naam van Hebron was voorheen
   Kirjat Arba;
ze verslaan Sjesjai, Achiman en Talmai.
 

1:11
Van daar gaat hij
af op de ingezetenen van Devier;
de naam van Devier was voorheen
   Kirjat Sefer.
 

1:12
Dan zegt Kaleb:
wie Kirjat Sefer verslaat en het bezet,-
hem zal ik mijn dochter Achsa geven
   tot vrouw!
 

1:13
Het wordt bezet door OtniŽl, zoon van Kenaz,
de broer van Kaleb die jonger is dan hij;
hem geeft hij zijn dochter Achsa tot vrouw.
 

1:14
Het geschiedt bij haar komst
dat zij hem verlokt
   om van haar vader het veld te vragen;
ze laat zich van de ezel glijden,-
en dan zegt Kaleb tot haar: wat heb je?
 

1:15
Zij zegt tot hem: gun mij een zegen,
nu je mij een land als de Negev hebt gegeven
zul je me ook waterwellen geven!
Dan geeft Kaleb haar
de bovenste wellen
en de onderste wellen.
 

1:16
De zonen van de Keniet
   die Mozes' schoonvader was
zijn opgeklommen vanuit Palmenstad
bij de zonen van Juda
naar de woestijn van Juda
die bij het zuiden van Arad is;
men ging en werd ingezetene
   bij de gemeenschap daar.
 

1:17
Juda gaat op weg met Simeon, zijn broer,
en zij verslaan
de Kanašniet die zetelt in Tsefat;
zij slaan dat met de ban
en men roept als naam voor die stad uit
   'Chorma',- gebannene!
 

1:18
Dan bezet Juda Gaza en haar gebied,
Asjkelon en haar gebied,-
en Ekron en haar gebied.
 

1:19
De Ene is bij Juda
en die beŽrft het gebergte;
want van de vallei zijn
   de ingezetenen niet te onterven,
omdat zij wagens van ijzer hebben.
 

1:20
Hebron geven ze aan Kaleb,
zoals Mozes had gesproken;
van daaruit onterft hij
de drie zonen van Anak.
 

1:21
Maar de Jeboesiet,
   de ingezetene van Jeruzalem,
hebben de zonen van Benjamin niet onterfd;
zo blijft de Jeboesiet
   bij de zonen van Benjamin
in Jeruzalem zitten
tot op deze dag.
••
 

1:22
Het huis van Jozef,
   ook zij klimmen op naar Bet El;
de Ene is met hen.
 

1:23
Het huis van Jozef,
   zij doen speurwerk bij Bet El;
de naam van de stad was voorheen Loez.
 

1:24
De wachters zien
een man de stad uitgaan,-
en zeggen tot hem:
laat ons toch zien waar we de stad inkomen,
dan zullen we jou vriendschap bewijzen!
 

1:25
Hij laat zien waar je de stad inkomt
en zij slaan de stad
   met de bek van het zwaard;
die man en heel zijn familie
hebben ze vrij heengezonden.
 

1:26
De man gaat
naar het land van de Chitieten;
hij bouwt een stad
en roept als naam voor haar uit 'Loez';
dat is haar naam
tot op deze dag.
 

1:27
Manasse heeft niet onterfd
Bet Sjean en haar dochtersteden,
   Tanach en haar dochtersteden
en de ingezetenen van Dor
en haar dochtersteden;
de ingezetenen van Jivleam
   en haar dochtersteden
en de ingezetenen van Megido
   en haar dochtersteden;
de Kanašniet slaagt erin
te blijven zitten in deze landstreek.
 

1:28
Het geschiedt
   wanneer IsraŽl sterk geworden is
dat het de Kanašniet
   verplicht tot dwangarbeid;
maar onterfd, nee, het heeft hem niet onterfd.
••
 

1:29
Ook EfraÔm heeft niet onterfd
de Kanašniet die zetelt in Gezer;
zo blijft de Kanašniet in zijn midden zitten,
   in Gezer.
 

1:30
Zebulon
heeft niet onterfd
   de ingezetenen van Kitron
en de ingezetenen van Nahalol;
zo blijft de Kanašniet in zijn midden zitten,
al worden ze verplicht tot dwangarbeid.
••
 

1:31
Aser
heeft niet onterfd de ingezetenen van Akko
en de ingezetenen van Tsidon;
ook niet Achlav, Achziev, Chelba,
   Afiek en Rechab.
 

1:32
Zo komt de Asjeriet te zitten
midden tussen de Kanašniet,
   de ingezetenen van het land;
want zij hebben hen niet kunnen onterven.
••
 

1:33
Naftali
heeft niet onterfd
de ingezetenen van Bet Sjemesj,
en de ingezetenen van Bet Anat
en blijft zitten
in de nabijheid van de Kanašniet
   die zetelt in het land;
al zijn de ingezetenen
   van Bet Sjemesj en Bet Anat
aan hen verplicht geweest tot dwangarbeid.
••
 

1:34
De Amorieten
   drukken de zonen van Dan weg
naar het gebergte;
want ze hebben geen gelegenheid gegeven
om af te dalen naar de Vallei.
 

1:35
Zo slaagt de Amoriet erin te blijven zitten
in het bergland van Cheres,
in Ajalon en Sjašlviem;
zwaar weegt wel
   de hand van het huis van Jozef,
en zij worden verplicht tot dwangarbeid.
 

1:36
Het gebied van de Amoriet
is vanaf de pas van Akrabiem,-
vanaf de steenrots en verder omhoog.
 

2:1
De engel van de Ene klimt op
vanuit de Gilgal naar Bochiem;

hij zegt: ik heb u doen opklimmen uit Egypte
en u doen komen in het land
dat ik heb gezworen aan uw vaderen,
en ik zei: ik verbreek mijn verbond met u
niet voor eeuwig!-
 

2:2
en gij,
gij zult geen verbond smeden
met de ingezetenen van dit land;
hun offerplaatsen zult ge omverhalen!-
maar ge hebt naar mijn stem niet gehoord;
waarom hebt ge dat gedaan?-
 

2:3
ik heb dan ook gezegd:
ik verdrijf hen niet van uw aanschijn,-
wezen zullen ze u tot benauwers,
en hun goden zullen u zijn tot een valstrik!
 

2:4
En het geschiedt:
met dat de engel van de Ene deze woorden
heeft gesproken
tot alle kinderen IsraŽls,-
verheffen zij, de gemeente,
   hun stem en wenen.
 

2:5
Ze roepen als naam voor dat oord uit
'Bochiem',- wenenden;
ze brengen daar een offer aan de Ene.
 

2:6
Dan zendt Jozua de gemeente uit,-
en gaan de kinderen IsraŽls
   ieder naar zijn erfdeel
om het land te beŽrven.
 

2:7
De gemeente, zij dienen de Ene
alle dagen van Jozua,-
ťn alle dagen van de oudsten
die hun dagen hebben verlengd tot nŠ Jozua
en die hebben gezien
al het grote doen van de Ene
dat hij aan IsraŽl gedaan heeft.
 

2:8
Jozua, zoon van Noen,
   dienaar van de Ene,
sterft,- als zoon van honderd en tien jaren.
 

2:9
Ze begraven hem in het gebied
   dat zijn erfdeel is,
in Timnat Cheres,
   in het bergland van EfraÔm,-
ten noorden van de berg Gašsj.
 

2:10
Maar als ook heel die generatie
is verzameld bij zijn vaderen,-
staat een andere generatie op nŠ hen:
de Ene kennen ze niet,
en ook het doen niet
dat hij aan IsraŽl heeft gedaan.
••
 

2:11
Dan doen de kinderen IsraŽls
wat kwaad is in de ogen van de Ene:
ze dienen de bašls.
 

2:12
Ze verlaten
de Ene, de God van hun vaderen,
hij die hen heeft uitgeleid
   uit het land van Egypte,
en gaan,
achter andere goden aan
uit de goden van de gemeenschappen
   rondom hen
en werpen zich voor hen neer;
zo krenken ze de Ene.
 

2:13
Ze verlaten de Ene;
ze worden dienaars van de bašl
en de asjtartes;
 

2:14
dan ontbrandt de toorn van de Ene
   tegen IsraŽl
en geeft hij hen in de hand van plunderaars
die hen plunderen;
hij verkoopt hen
in de hand van hun vijanden rondom,
en ze zijn niet meer in staat geweest
om stand te houden
   voor het aanschijn van hun vijanden.
 

2:15
Overal waar ze uittrokken
is de hand van de Ene
   ten kwade tegen hen geweest,
zoals de Ene had gesproken,
zoals de Ene hun had gezworen:
het wordt hun zeer bang.
 

2:16
Maar de Ene doet richters opstaan,
zij bevrijden hen uit de hand
   van hun plunderaars.
 

2:17
Maar ook naar hun richters
   hebben ze niet gehoord,
want gehoereerd hebben ze,
andere goden achterna,
en ze hebben zich voor hen neergeworpen;
met haast zijn ze afgeweken
van de weg die hun vaderen zijn gegaan
door te horen naar de geboden van de Ene,
zů hebben zij niet gedaan.
 

2:18
Ja, de Ene heeft voor hen
   richters doen opstaan;
de Ene is met de richters geweest
en heeft hen gered
   uit de hand van hun vijanden,
alle dagen van de richter;
want de Ene had berouw gekregen
vanwege hun gekerm
voor het aanschijn
   van hun verdrukkers en hun drijvers.
 

2:19
Maar het geschiedde
   wanneer de richter gestorven was,
dat ze zich afkeerden en verdorvener waren
dan hun vaderen,
door te gaan
achter andere goden aan,
door die te dienen
   en zich voor hen neer te werpen;
niets hebben ze laten vallen
   van hun handelingen
en van hun weerbarstige weg.
 

2:20
Dan ontbrandde de toorn van de Ene
   tegen IsraŽl,-
en zei hij:
omdat zij, dit volk,
mijn verbond
   dat ik hun vaderen heb geboden
hebben overtreden
en niet hebben gehoord naar mijn stem,
 

2:21
zal ik ook niet doorgaan
iemand te onterven voor hun aanschijn,-
van de volkeren die Jozua heeft nagelaten
   toen hij stierf!
 

2:22
Om door hen IsraŽl op de proef te stellen,-
of ze de weg van de Ene wel bewaken
om daarover te gaan
zoals hun vaderen die hebben bewaakt,-
   of niet,
 

2:23
heeft de Ene deze volkeren met rust gelaten
en ze niet dodelijk onterfd,-
heeft hij ze niet gegeven
   in de hand van Jozua.
 

3:1
Dit zijn de volkeren
die de Ene met rust heeft gelaten
om door hen IsraŽl te beproeven,-
allen die geen weet meer hadden
van alle oorlogen met Kanašn,
 

3:2
enkel
opdat de nieuwe generaties
   van de kinderen IsraŽls
ervan zouden weten,
om hun de oorlog te leren,-
althans wie er tevoren
   niet van hebben geweten:
 

3:3
een vijftal tirannen van de Filistijnen
en alles van de Kanašniet,
   de TsidoniŽr en Chiviet
gezeten in het bergland van Libanon,-
vanaf de berg Bašl Chermon
tot waar men op Chamat aan komt.
 

3:4
Zij zijn daar
om IsraŽl te beproeven,-
om te weten te komen
of zij gehoor geven
   aan de geboden van de Ene
die hij hun vaderen heeft geboden,
   door de hand van Mozes.
 

3:5
Toen de kinderen IsraŽls
gezeten waren midden tussen de Kanašniet,-
de Chitiet, de Amoriet en de Periziet,
de Chiviet en Jeboesiet,
 

3:6
hebben zij hun dochters voor zich
   tot vrouw genomen
en hun eigen dochters
   weggegeven aan hķn zonen,-
en zijn ze hun goden gaan dienen.
 

3:7
De kinderen IsraŽls doen
wat kwaad is in de ogen van de Ene
en vergeten de Ene, hun God;
zij dienen de bašls en de asjera's.
 

3:8
Dan ontbrandt de toorn van de Ene
   tegen IsraŽl,-
en verkoopt hij hen
in de hand van Koesjan Risjatajim,
koning van Aram Tweestromen,-
dan dienen
de kinderen IsraŽls Koesjan Risjatajim
acht jaren lang.
 

3:9
De kinderen IsraŽls schreeuwen tot de Ene
en de Ene doet voor de kinderen IsraŽls
   een bevrijder opstaan
die hen bevrijdt:
OtniŽl, zoon van Kenaz, de broer van Kaleb
die jonger is dan hij.
 

3:10
Over hem geschiedt de geest van de Ene
en hij wordt richter van IsraŽl;
hij trekt uit ten oorlog
en de Ene geeft hem
Koesjan Risjatajim, koning van Aram,
   in de hand;
hij heeft de overhand
op Koesjan Risjatajim
 

3:11
en het land heeft veertig jaar rust;
dan sterft OtniŽl, de zoon van Kenaz.
 

3:12
De kinderen IsraŽls gaan door met
het doen van wat kwaad is
   in de ogen van de Ene;
sterk maakt de Ene over IsraŽl
Eglon, de koning van Moab,
omdat zij hebben gedaan
wat kwaad is in de ogen van de Ene.
 

3:13
Hij verzamelt tot zich
de zonen van Amon en Amalek,-
gaat heen
en verslaat IsraŽl;
zo beŽrven zij Palmenstad.
 

3:14
De kinderen IsraŽls dienen Eglon,
   de koning van Moab,
achttien jaar.
••
 

3:15
De kinderen IsraŽls schreeuwen tot de Ene
en de Ene doet voor hen opstaan
   een bevrijder:
Ehoed, zoon van Gera
   zoon van de Jeminiet,- rechterhand,
een man met een gebrekkige rechterhand;
de kinderen IsraŽls zenden door zijn hand
een broodgift
aan Eglon, koning van Moab.
 

3:16
Ehoed maakt zich een zwaard
dat twee scherpe kanten heeft,
   een gomed lang;
hij gordt dat onder zijn kleren
aan zijn rechter heup.
 

3:17
Hij doet de broodgift naderen
tot Eglon, de koning van Moab;
Eglon
is een man zeer welgeschapen.
 

3:18
En het geschiedt, als hij voleindigd heeft
de broodgift te doen naderen:
hij zendt de manschap heen,
de dragers van de broodgift;
 

3:19
als hij zelf
van bij de kapbeelden
   bij de Gilgal is teruggekeerd
zegt hij:
ik heb een verborgen woord voor u,
   o koning!,
en die zegt 'sst!,'
en bij hem vandaan gaan
allen die bij hem staan.
 

3:20
Als Ehoed tot hem is gekomen
en hij in de koele opkamer is gaan zitten
die voor hem alleen is,
zegt Ehoed:
ik heb een woord van God voor u!-
en hij staat op van de troon.
 

3:21
Ehoed steekt zijn linkerhand uit
en neemt het zwaard
weg van zijn rechter heup;
dan stoot hij het in zijn buik.
 

3:22
Ook het heft
   komt achter het lemmet aan naar binnen,
en het vet sluit zich om het lemmet,
want hij heeft het zwaard niet teruggetrokken
uit zijn buik;
naar buiten komt de drek.
 

3:23
Naar buiten gaat Ehoed door de zuilengang;
hij sluit eerst
de deuren van de opkamer om hem heen
   en vergrendelt ze.
 

3:24
Als hij is weggegaan
   en zijn dienaars binnengekomen zijn
zien ze het aan
en ziedaar, de deuren van de opkamer
   zijn vergrendeld;
en ze zeggen:
ach, hij doet in het koele kamertje
   zijn benen van elkaar...
 

3:25
Ze wachten tot schamens toe,
maar zie, niemand die de deuren
   van de opkamer opent!-
ze halen de sleutel, maken open
en ziedaar: hun heer,
ter aarde gevallen, dood!
 

3:26
Ehoed is terwijl zij nog talmen al ontsnapt;
hij is overgestoken bij de kapbeelden
en ontsnapt naar SeÔra.
 

3:27
Het geschiedt als hij er aankomt
dat hij een stoot geeft op de sjofar,
daar in het bergland van EfraÔm;
samen met hem dalen de kinderen IsraŽls af
uit het bergland, hij voor hun aanschijn uit.
 

3:28
Hij zegt tot hen: jaagt achter mij aan,
want de Ene heeft uw vijanden, Moab dus,
in uw hand gegeven!
Zij dalen achter hem af
en bezetten
de oversteekplaatsen
   van de Jordaan naar Moab;
ze hebben niemand de kans gegeven
   om over te steken.
 

3:29
Ze verslaan van Moab te dien tijde
zo'n tienduizend man,
allen geolied en allen manvolk van kracht;
er is niemand ontsnapt.
 

3:30
Zo verootmoedigt Moab zich te dien dage
onder IsraŽls hand,-
en heeft het land tachtig jaar rust.
••
 

3:31
Na hem is Sjamgar, zoon van Anat,
   er geweest;
hij verslaat van de Filistijnen
   zeshonderd man,
met een drijfstok voor ossen;
zo bevrijdt ook hij IsraŽl.
••
 

4:1
De kinderen IsraŽls gaan door
met doen wat kwaad is
in de ogen van de Ene;
en Ehoed is gestorven.
 

4:2
De Ene verkoopt hen
in de hand van Javien, koning van Kanašn,
die koning is geworden in Chatsor;
overste van zijn strijdschaar is Sisera,
en die zetelt in Charosjet Hagojiem.
 

4:3
De kinderen IsraŽls schreeuwen tot de Ene,-
want hij heeft negenhonderd wagens van ijzer
en hij heeft twintig jaar lang
de kinderen IsraŽls zwaar verdrukt.
••
 

4:4
Debora, een vrouw die profetes was,
vrouw van Lapidot,-
zij heeft IsraŽl gericht in die tijd.
 

4:5
Zij zetelt onder de palm van Debora,
tussen Rama en Bet El
   in het bergland van EfraÔm;
tot haar klimmen de kinderen IsraŽls op
voor rechtspraak.
 

4:6
Zij zendt boden
en laat Barak, zoon van Avinoam, roepen
uit Kedesj in Naftali;
zij zegt tot hem: heeft de Ene, IsraŽls God,
   niet geboden
'ga heen, uittrekken zul je naar de berg Tabor
en met je meenemen
tienduizend man
uit de zonen van Naftali
   en de zonen van Zebulon;
 

4:7
naar jou toetrekken zal ik,
   naar de beek Kisjon:
Sisera, overste van de strijdschaar van Javien
en zijn wagens en zijn menigte,-
geven zal ik hem in jouw hand!'
 

4:8
Dan zegt Barak tot haar:
als u met mij meegaat zal ik gaan,-
en als u niet met mij meegaat ga ik niet!
 

4:9
Zij zegt: ik ga, ik ga met je mee;
maar, luisterrijk zal het voor jou niet worden
op de weg die jij nu gaat,
want door de hand van een vrouw
'verkoopt' de Ene Sisera!
Dan staat Debora op
   en gaat zij met Barak mee
naar Kedesj.
 

4:10
Barak schreeuwt Zebulon en Naftali bijeen
naar Kedesj,
en in zijn voetstappen
   klimt een tienduizend man op;
met hem klimt Debora op.
 

4:11
Chever de Keniet
   heeft zich afgescheiden van KaÔn,
van de zonen van Chovav,
   de zwager van Mozes;
hij spant zijn tent
bij de godseik in Tsašnaniem bij Kedesj.
 

4:12
Ze melden aan Sisera,-
dat Barak, de zoon van Avinoam,
de berg Tabor is opgeklommen.
••
 

4:13
Sisera schreeuwt al zijn wagens bijeen:
negenhonderd wagens van ijzer;
en heel de manschap die bij hem is;
vanuit Charosjet Hagojiem
   naar de beek Kisjon.
 

4:14
Debora zegt tot Barak: sta op,
want dit is de dag dat de Ene
Sisera in je hand heeft gegeven;
is de Ene niet uitgetrokken
   voor je aanschijn uit?!
Dan daalt Barak af van de berg Tabor
met tienduizend man achter zich aan.
 

4:15
De Ene brengt Sisera
   en heel het wagenpark
en heel het legerkamp in verwarring
door de bek van het zwaard,
door de verschijning van Barak;
Sisera daalt neer van de wagen
   en vlucht te voet.
 

4:16
Barak heeft
het wagenpark en het legerkamp
achternagejaagd
tot aan Charosjet Hagojiem;
zo valt
heel het legerkamp van Sisera
   door de bek van het zwaard,
niet ťťn is er overgebleven.
 

4:17
Sisera is te voet gevlucht
naar de tent van JaŽel,
vrouw van Chever de Keniet;
want er is vrede
tussen Javien, koning van Chatsor,
en
het huis van Chever de Keniet.
 

4:18
JaŽel trekt uit, Sisera tegemoet,
en zegt tot hem:
wijk uit, mijn heer, wijk uit naar mij,
   vrees niet!
Dan wijkt hij uit naar haar, de tent in,
en bedekt zij hem met de deken.
 

4:19
Hij zegt tot haar:
   geef me toch een beetje water te drinken,
want ik heb dorst!
Zij maakt de melkzak open,
   geeft hem te drinken
en dekt hem weer toe.
 

4:20
Hij zegt tot haar:
blijf staan in de opening van de tent,-
en laat het zo zijn,
   als er iemand komt en je vraagt
en zeggen zal 'is hier iemand',
   dat jij zult zeggen 'niemand!'
 

4:21
JaŽel, vrouw van Chever, neemt een tentpin
en pakt de hamer in haar hand,
komt stilletjes naar hem toe
en stoot de pin door zijn slaap
totdat zij de aarde in schiet;
hij wŠs al in diepe slaap en doodmoe,-
en hij sterft.
 

4:22
En ziedaar Barak die Sisera achtervolgt;
JaŽel trekt uit, hem tegemoet,
en zegt tot hem:
ga mee, ik zal je laten zien
de man die jij zoekt!
Hij komt bij haar binnen
en ziedaar Sisera, gevallen, dood,
met de pin door zijn slaap!
 

4:23
Zo verootmoedigt God op die dag
Javien, de koning van Kanašn,-
voor het aanschijn van de kinderen IsraŽls.
 

4:24
De hand van de kinderen IsraŽls
   gaat gaandeweg verder
en wordt steeds harder
op Javien, Kanašns koning,-
totdat ze hebben weggemaaid
Javien, Kanašns koning.
 

5:1
Dan heft Debora
met Barak, zoon van Avinoam
op die dag een zang aan en zegt:
 

5:2
Om lokken die in IsraŽl losgingen,
om de inzet van de gemeenschap:
zegent de Ene!
 

5:3
Hoort koningen
machtigen leent het oor:
ik,
voor de Ene hef ik een zang aan,
ik maak muziek
voor de Ene, IsraŽls God!
 

5:4
Ene, toen u uittrok uit SeÔr,
toen u uit het veld van Edom voortschreed,
beefde de aarde,
ook dropen de hemelen,-
ook dropen de wolken van water!
 

5:5
Bergen wankelden
   voor het aanschijn van de Ene;
de SinaÔ sidderde
voor het aanschijn
van de Ene, IsraŽls God!
 

5:6
In de dagen
van Sjamgar, zoon van Anat,
   in de dagen van JaŽel
lagen de paden verlaten;
die eens over straatwegen gingen
moesten nu gaan
over kronkelpaden.
 

5:7
Verlaten lagen in IsraŽl de dorpen, verlaten,-
tot ik opstond, Debora,
als moeder van IsraŽl opstond!
 

5:8
Toen men koos voor nieuwe goden,
verdween het brood uit de poorten,
was geen schild of lans meer te zien
bij IsraŽls veertigduizend!
 

5:9
Mijn hart was bij IsraŽls wetgevers,
de bereidwilligen in de gemeenschap,-
zegent de Ene!
 

5:10
Gij die rijdt op okeren ezelinnen,
die gezeten op een tapijt gaat over de weg:
maakt hiervan gewag!
 

5:11
Luider dan
   pijlschutters tussen de drinkbakken
geven zij daar hoog op
   van de gerechtigheden van de Ene,
de gerechtigheden van wie in IsraŽl heerst!-
toen daalden ze af naar de poorten,
de gemeenschap van de Ene!
 

5:12
'Ontwaak, ontwaak, Debora,- jij spreekster!,
ontwaak, ontwaak, spreek je uit in een zang!-
sta op, bliksemse Barak,
en vang jouw vangers, zoon van Avinoam!'
 

5:13
Toen daalde wie was ontkomen af
tot de geweldigen van de gemeente;
en de Ene zelf
daalde tot mij af tussen de helden!
 

5:14
Uit EfraÔm,
hun wortel in Amalek!,
jou achterna, Benjamin,
   met jouw manschappen,-
uit Machier
daalden de wetgevers af,
en uit Zebulon
voortrekkers met de staf van een schrijver.
 

5:15
Als de vorsten in Issachar met Debora,
als Issachar, zo was Barak,
de vallei in gezonden te voet;
maar in de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart te groot!
 

5:16
Waarom zat je terneer
tussen de stallen?-
om te horen het blaten van de kudden?
Voor de gelederen van Ruben
waren de naspeuringen van het hart te groot!
 

5:17
Gilead:
aan de overzij van de Jordaan bleef hij wonen,
en Dan:
waarom zwierf hij om op schepen?
Aser
bleef zitten aan het strand van de zeeŽn,
aan zijn inhammen bleef hij wonen.
 

5:18
Maar dan Zebulon:
een gemeenschap die zijn ziel waagt
   ten dode toe,
en ook Naftali,-
op de hoogten des velds.
 

5:19
Gekomen zijn koningen en voerden oorlog,
ja toťn voerden Kanašns koningen oorlog,
bij Tanach, aan de wateren van Megido,-
maar geen brokje zilver namen ze mee!
 

5:20
Vanuit de hemel voerden zij oorlog,
de sterren, vanuit hun banen
voerden zij met Sisera oorlog!
 

5:21
De beek Kisjon sleurde hen mee,
oeroude beek, o beek Kisjon,-
treed voort, mijn ziel, met kracht!
 

5:22
Toen hamerden de hoeven van het paard,
van de galop, het galopperen der hengsten.
 

5:23
Vervloekt nu Meroz!-
heeft gezegd de engel van de Ene,
vervloekt met een vloek haar ingezetenen,-
want zij kwam de Ene niet te hulp,
de Ene niet te hulp met haar helden!
 

5:24
Gezegend zij boven de vrouwen:
JaŽel,
vrouw van Chever, de Keniet;
boven de vrouwen in de tent zij zij gezegend!
 

5:25
Water vroeg hij, melk was wat zij gaf,-
in een schaal voor geweldigen
   bracht zij room naderbij.
 

5:26
Haar hand stak zij uit naar de tentpin,
haar rechterhand
   naar een hamer van zwoegers;
zij hamerde op Sisera,
   timmerde op zijn hoofd,
verwondde, doorboorde zijn slaap.
 

5:27
Tussen haar voeten
kromde hij zich, viel neer en sliep in;
tussen haar voeten kromde hij zich
   en viel neer,
daar waar hij zich kromde
viel hij neer, verwoest!
 

5:28
Door het venster tuurde
   en jammerde Sisera's moeder,
door het traliewerk heen:
waarom toch
aarzelt zijn wagen te komen?,
waarom zijn achtergeraakt
de schreden van zijn wielen?
 

5:29
De wijsten van haar vorstinnen antwoorden,-
ja ook zijzelf
heeft een weerwoord
   op wat ze heeft gezegd:
 

5:30
vinden ze, verdelen ze geen buit?-
een schoot,
   twee schoten per hoofd van een kerel,
een buit van bonte stoffen voor Sisera,
een buit van bonte stoffen vol stiksel,
bonte stof dubbelbestikt
   voor mijn hals als buit!
 

5:31
Zo zullen teloorgaan al uw vijanden,
   o Ene,
en wie hem liefhebben
zijn zoals de zon uittrekt in zijn kracht!
Dan heeft het land veertig jaar rust.
 

6:1
Maar de kinderen IsraŽls doen wat kwaad is
in de ogen van de Ene;
de Ene geeft hen over
   in de hand van Midjan,
zeven jaar lang.
 

6:2
Sterk drukt de hand van Midjan op IsraŽl;
vanwege de verschijning van Midjan
hebben de kinderen IsraŽls zich gemaakt:
de holen die er in de bergen zijn,
de spelonken en de vestingen.
 

6:3
Het is geschied als IsraŽl gezaaid had,-
dat Midjan optrok, met Amalek
   en de zonen van het oosten,
dat zij tegen hem optrokken.
 

6:4
Ze slaan een legerkamp tegen hen op
en verwoesten de oogst van het land
tot waar je bij Gaza komt;
ze laten in IsraŽl geen leeftocht over,-
schaap, os of ezel.
 

6:5
Want
zij en hun kudden
   klimmen met hun tenten op,
als sprinkhanen zoveel,
zij en hun kamelen ontelbaar;
ze komen in het land om het te verwoesten.
 

6:6
IsraŽl verarmt zeer
   door de verschijning van Midjan;
de kinderen IsraŽls schreeuwen het uit
   tot de Ene.
 

6:7
En het geschiedt
omdat de kinderen IsraŽls tot de Ene
hebben geschreeuwd,-
naar aanleiding van Midjan,
 

6:8
zendt de Ene een man die een profeet is
tot de kinderen IsraŽls;
hij zegt tot hen: zo heeft gezegd de Ene,
   IsraŽls God:
Ūk
 

6:9
heb u doen opklimmen uit Egypte,
u uitgeleid uit het diensthuis;
ik heb u ontrukt aan de hand van Egypte
en aan de hand van al uw verdrukkers;
ik heb ze verdreven van uw aanschijn
en heb hun land aan u gegeven;
 

6:10
toen heb ik tot u gezegd:
ik ben de Ene, uw God;
vreest niet de goden van de Amoriet,
in wiens land ge nu zetelt!-
maar ge hebt niet gehoord naar mijn stem!
 

6:11
Dan komt
een engel van de Ene
en zet zich onder de eik bij Ofra,
die van Joasj de AviŽzriet.
Zijn zoon Gideon
is bezig tarwe te dorsen in de perskuip,
om die te onttrekken
   aan de verschijning van Midjan.
 

6:12
Dan laat de engel van de Ene
   zich aan hem zien;
hij zegt tot hem:
de Ene zij met je, held vol kracht!
 

6:13
Gideon zegt tot hem: ach mijn heer,
als de Ene met ons is,
waarom treft ons dan dit alles?-
en waar zijn al de wonderen
waarover onze vaderen
   ons hebben verteld en zeiden:
heeft de Ene ons niet doen opklimmen
   uit Egypte?-
nķ heeft de Ene ons verworpen
en gegeven in de handpalm van Midjan!
 

6:14
De Ene wendt zich tot hem
en zegt:
ga heen in deze kracht van jou,
bevrijden zul jij IsraŽl
   uit de handpalm van Midjan;
heb ik je niet gezonden?!
 

6:15
Hij zegt tot hem: ach mijn heer,
waarmee zal ik IsraŽl bevrijden?-
zie, mijn duizendtal is het armste in Manasse
en ik ben de geringste
   in het huis van mijn vader!
 

6:16
Hij zegt tot hem:
omdat ik met je zal zijn
   zul jij Midjan verslaan
als was het ťťn man!
 

6:17
Hij zegt tot hem:
omdat ik echt genade heb gevonden
   in uw ogen,-
zult ge voor mij een teken doen
dat gij die spreekt mťt mij zijt;
 

6:18
wijk toch niet van hier
   totdat ik weer bij u kom
en mijn broodgift naar buiten heb gebracht
en heb neergezet voor uw aanschijn!
Hij zegt:
ik, ik blijf zitten totdat je bent teruggekeerd!
 

6:19
Gideon, thuisgekomen,
maakt een geitenbokje klaar
en een efa meel aan matses;
het vlees heeft hij in de mand gedaan
en de saus heeft hij in de pot gedaan;
hij brengt het naar hem toe naar buiten
onder de eik, en treedt ermee nader.
••
 

6:20
Dan zegt de engel van God tot hem:
neem het vlees en de matses,
zet ze neer op het rotsblok daarginds
en giet de saus erover!
En zo doet hij.
 

6:21
Dan strekt
de engel van de Ene
het uiteinde van de stok die in zijn hand is uit
en raakt het vlees aan en de matses;
vuur stijgt op uit de rots
en verteert het vlees en de matses;
de engel van de Ene
is intussen weggegaan uit zijn ogen.
 

6:22
Gideon ziet in
dat hij een engel is van de Ene.
••
Gideon zegt:
wee mij, mijn heer, de Ene!,
dat ik zů de engel van de Ene gezien heb,
van aangezicht tot aangezicht!
 

6:23
De Ene zegt tot hem: vrede voor jou,
   vrees niet,
je zult niet sterven!
 

6:24
Gideon bouwt daar een altaar voor de Ene
en roept als naam daarvoor uit
   'de Ene is vrede',-
tot op deze dag
is dat er nog
in Ofra van de AviŽzriet.
 

6:25
En het geschiedt in die nacht
dat de Ene tot hem zegt:
neem de var van het rund
   dat je vader heeft,
en de tweede var van zeven jaren,-
en sloop
het altaar voor de bašls dat je vader heeft,
en de asjera-paal die daarbij staat, hak die om;
 

6:26
bouwen zul je een altaar voor de Ene,
   je God,
op de top van deze veste
met de rij stenen;
nemen zul je de tweede var
en hem daarop doen opgaan
   als opgangsgave
met de stukken hout van de asjera-paal
die je hebt omgehakt!
 

6:27
Dan neemt Gideon uit zijn dienaars
   tien mannen
en doet
zoals de Ene tot hem heeft gesproken;
maar het geschiedt,
daar hij bevreesd is
   voor het huis van zijn vader
en de mannen van de stad
om het te doen bij dag,
doet hij het 's nachts.
 

6:28
In de ochtend
   rechten de mannen der stad hun schouders
en ziedaar, gesloopt is het altaar van de bašl
en de asjera-paal die daarbij stond
   is omgehakt;
de tweede var
heeft men in rook doen opgaan
op het altaar dat er is gebouwd.
 

6:29
Ze zeggen, man tot makker:
wie heeft dit woord gedaan?
Ze vragen en zoeken
en zeggen dan:
Gideon, zoon van Joasj,
heeft dit woord gedaan!
 

6:30
De mannen der stad zeggen tot Joasj:
breng je zoon naar buiten, hij moet dood,
omdat hij het altaar van de bašl
   heeft gesloopt
en omdat hij de asjera-paal die daarbij stond
heeft omgehakt!
 

6:31
Joasj zegt tot allen die bij hem zijn gaan staan:
gij, moet gij voor de bašl
   het geding beslechten?-
als gij hem moet bevrijden...
wie voor hem het geding voert zal
voordat het ochtend is sterven;
als hij een god is
   voert hij het geding wel voor zichzelf
omdat men zijn altaar heeft gesloopt!
 

6:32
Men roept voor hem te dien dage
   als naam uit
'Jeroebašl',- laat Bašl dingen, zeggend:
laat de bašl met hem het geding voeren
omdat hij zijn altaar heeft gesloopt!
 

6:33
Heel Midjan
en Amalek en de zonen van het oosten
hebben zich tezamen verzameld;
ze steken over en legeren zich
   in de vallei van JizreŽl.
 

6:34
De Geest van de Ene
heeft Gideon bekleed;
hij geeft een stoot op de ramshoorn
en AviŽzer wordt bijeengeschreeuwd,
   hem achterna.
 

6:35
Boden heeft hij uitgezonden in heel Manasse,
en zo wordt ook dat bijeengeschreeuwd,
   hem achterna;
boden heeft hij ook uitgezonden
in Aser, Zebulon en Naftali,
en zij klimmen op, hem tegemoet.
 

6:36
Dan zegt Gideon tot God:
of gij werkelijk
door mijn hand IsraŽl bevrijdt,
zoals gij hebt gesproken?-
 

6:37
zie, ik
leg de wollen vacht neer op de dorsvloer;
als er dauw zal zijn alleen op de vacht
en op heel het land droogte,
weten zal ik dan
dat gij door mijn hand IsraŽl zult bevrijden,
zoals gij hebt gesproken!
 

6:38
En zo geschiedt:
hij recht de volgende morgen zijn schouders
en wringt de vacht uit;
uit de vacht perst hij dauw
en de emmer is vol met water.
 

6:39
Gideon zegt tot God:
uw toorn ontbrande niet tegen mij
als ik slechts deze keer nog spreek;
ik wil enkel deze keer
met de vacht nog een proef nemen:
laat er toch op de vacht alleen droogte zijn
en op heel het land dauw!
 

6:40
God doet zo in die nacht,
en er is op de vacht alleen droogte
en op heel het land is er dauw geweest.
 

7:1
Dan recht Jeroebašl, dat is Gideon,
zijn schouders,
met heel de manschap die bij hem is,
en legeren zij zich bij Een Charod,-
   bron van beving;
het legerkamp is geweest
   ten noorden van hem,
vanaf de Heuvel van de Leraar in de vallei.
 

7:2
De Ene zegt tot Gideon:
te talrijk
voor mij is de manschap die bij je is
om Midjan in hun hand te geven;
anders zal IsraŽl zich tegen mij beroemen
   en zeggen
'mijn hand heeft mij bevrijding gebracht!'-
 

7:3
nu dan,
roep toch voor de oren van de manschap
   en zeg:
wie vreest en beeft
moet omkeren
   en wegkomen uit het bergland
van de Gilead!
Van de manschap keert om
een tweeŽntwintig duizend;
tien duizendtallen zijn er overgebleven.
••
 

7:4
De Ene zegt tot Gideon:
nog is de manschap te talrijk;
laat ze afdalen naar het water,
dan zal ik ze daar uitzuiveren voor je;
geschieden zal het,
van wie ik tot jou zal zeggen
   'deze gaat met jou mee',
die gŠŠt met je mee,
en elke van wie ik tot je zeg
'deze gaat niet met jou mee',
die zal niet gaan!
 

7:5
Dan laat hij de manschap afdalen
   naar het water;
••
en de Ene zegt tot Gideon:
al wie met zijn tong het water likt
zoals de hond likt,
die moet je apart zetten,
ťn al wie zich kromt
   om op zijn knieŽn te drinken!
 

7:6
Dan wordt
het getal
van wie het oplikken met hun hand
   naar hun mond
driehonderd man;
en heel de rest van de manschap,
zij hebben zich gekromd om op hun knieŽn
water te drinken.
••
 

7:7
De Ene zegt tot Gideon:
met de driehonderd man
   die het hebben opgelikt
zal ik u bevrijden,
geven zal ik Midjan in jouw hand;
heel de rest van de manschap,
zij kunnen gaan, ieder naar zijn oord!
 

7:8
Ze nemen de proviand van de manschap
   ter hand
en hun ramshoorns,-
nadat hij alleman van IsraŽl
   heeft heengezonden ieder naar zijn tent
en de driehonderd man heeft vastgehouden;
het legerkamp van Midjan
is beneden hem, in de vallei, geweest.
 

7:9
En in die nacht geschiedt het
dat de Ene tot hem zegt:
sta op, daal af in het legerkamp,
want ik heb hen in uw hand gegeven;
 

7:10
en als je bevreesd bent om af te dalen,
daal jij dan met je hulpjongen Poera af
in het legerkamp;
 

7:11
heb je gehoord wat ze bespreken
dan worden daarna je handen zo sterk
dat je zult afdalen in het legerkamp!
Hij daalt met zijn hulpjongen Poera af
naar de rand van de vijftigtallen
   in het legerkamp.
 

7:12
Midjan, Amalek
   en alle zonen van het oosten
zijn neergestreken in de vallei,
als sprinkhanen zo talrijk,-
voor hun kamelen is er geen tellen aan,
als het zand aan de rand van de zee zo talrijk!
 

7:13
Gideon komt aan
en ziedaar, een man
die aan zijn makker een droom vertelt;
hij zegt: ziedaar, ik heb een droom gedroomd
en ziedaar, een rond gerstebrood
rolt het legerkamp van Midjan in,
komt aan bij de tent, slaat tegen hem aan, valt,
rolt hem ondersteboven
   en gevallen is de tent!
 

7:14
Zijn makker antwoordt en zegt: dit is
niets anders
dan het zwaard van Gideon, zoon van Joasj,
dť man van IsraŽl;
God heeft Midjan en heel het legerkamp
hem in de hand gegeven!
 

7:15
En het geschiedt,
   zodra Gideon het verhaal van de droom
en zijn verklaring hoort
werpt hij zich neer;
hij keert terug naar het legerkamp van IsraŽl
en zegt: staat op!,
want de Ene heeft het legerkamp van Midjan
u in de hand gegeven!
 

7:16
Hij deelt de driehonderd man
   in drie kopgroepen;
hij geeft hen allen ramshoorns in de hand
   en lege kruiken,
met fakkels onder in de kruiken.
 

7:17
Hij zegt tot hen:
ziet aan wat ik doe en doet evenzo;
ziehier, ben ik gekomen
   in de rand van het legerkamp,
dan zal gelden: zoals ik doe, zo doet gij!-
 

7:18
heb ik een stoot gegeven op de ramshoorn,
ikzelf en allen die bij mij zijn,-
dan zult ook gij stoten geven
   op de ramshoorns
rondom heel het legerkamp,
en zeggen 'Voor de Ene en voor Gideon!'
 

7:19
Gideon komt met de honderd man
   die bij hem is aan
in de rand van het legerkamp,
in de kop van de middelste nachtwake,
juist als ze de wachters hebben doen opstaan
in hun opstelling;
dan geven ze stoten op de ramshoorns
en slaan de kruiken
   die ze in hun hand hebben stuk.
 

7:20
Ook de drie kopgroepen
   geven stoten op de ramshoorns
en breken de kruiken,
houden met hun linkerhand de fakkels vast
en met hun rechterhand
de ramshoorns om stoten te geven;
en ze roepen
'te zwaard, voor de Ene en voor Gideon!'
 

7:21
Zij blijven ieder op zijn plek staan
rondom het legerkamp,-
en heel het legerkamp begint te rennen,
onder schetterend alarm op de vlucht.
 

7:22
Terwijl de driehonderd
   blijven stoten op de ramshoorns,-
richt de Ene
ieders zwaard in heel het legerkamp
   tegen zijn naaste;
het legerkamp vlucht tot bij Bet Sjita,
   op Tserera aan,
tot aan de oever van Aveel Mechola,
   bij Tabat.
 

7:23
Bijeengeschreeuwd
   wordt het manvolk van IsraŽl
uit Naftali, Aser en heel Manasse,-
en zij jagen achter Midjan aan.
 

7:24
Boden heeft Gideon gezonden
door heel het bergland van EfraÔm,
   om te zeggen:
daalt neer,
Midjan tegemoet,
   en verovert op hen de waterlopen
tot bij Bet Bara en de Jordaan!
Bijeenschreeuwen laat zich
   alle manvolk van EfraÔm
en ze veroveren de waterlopen
tot bij Bet Bara en de Jordaan.
 

7:25
Ze veroveren ook twee vorsten van Midjan:
Oreev,- raaf en ZeŽev,- wolf;
ze brengen Raaf om bij de Ravenrots,
en Wolf hebben ze omgebracht
   bij Wolvenwijnpers;
Midjan hebben ze achtervolgd;
de koppen van Raaf en Wolf
hebben ze naar Gideon gebracht
van over de Jordaan.
 

8:1
Maar dan zeggen ze,
het manvolk van EfraÔm, tot hem:
wat is dit voor onbesprokens
   dat je ons hebt aangedaan
door ons er niet bij te roepen
toen je bent heengegaan
   om oorlog te voeren tegen Midjan?
En ze maken hem heftig verwijten.
 

8:2
Hij zegt tot hen:
wat heb ik nu gedaan vergeleken met u?-
is niet
de nalezing van EfraÔm beter dan
heel de druivenpluk van AviŽzer?-
 

8:3
God heeft de vorsten van Midjan,
   Oreev en ZeŽev
in uw hand gegeven;
wat heb ik kunnen doen vergeleken met u?
Toen
is hun geestesstorm tegen hem bedaard,
toen hij dit woord had gesproken.
 

8:4
Gideon komt aan bij de Jordaan,-
om die over te steken, hijzelf
en de driehonderd man die bij hem is;
ze zijn uitgeput maar achtervolgen toch.
 

8:5
Hij zegt tot de mannen van Soekot:
geeft toch wat bollen brood
aan de manschap die mijn voetstappen volgt,-
want ze zijn uitgeput,
terwijl ik bezig ben
Zevach en Tsalmoena, koningen van Midjan,
achterna te jagen!
 

8:6
Men -de vorsten van Soekot- zegt:
is de handpalm van Zevach en Tsalmoena
nu al in jouw hand,
dat wij aan jouw strijdschaar
   brood moeten geven?
 

8:7
Gideon zegt:
om zůiets zal ik,
wanneer de Ene Zevach en Tsalmoena
   in mijn hand geeft,-
uw vlees dorsen
met de doornstruiken
   en distels uit de woestijn!
 

8:8
Daarvandaan klimt hij op naar PenoeŽl
en spreekt hen net zo aan;
de mannen van PenoeŽl antwoorden hem
zoals de mannen van Soekot
   hebben geantwoord.
 

8:9
Hij zegt ook tot de mannen van PenoeŽl:
als ik, zegt hij, in vrede weerkeer
sloop ik deze toren!
 

8:10
Zevach en Tsalmoena zijn in Karkor
en hun legerkampen met hen,
   zo'n vijftienduizend:
allen die resteren
uit heel het legerkamp
   van de zonen van het oosten;
de gevallenen,
dat waren honderdtwintigduizend man
zwaard-trekkende manschap.
 

8:11
Gideon klimt op
langs de weg van wie wonen in de tenten,
ten oosten van Novach en Jogbeha;
hij verslaat het legerkamp
dat veilig dacht te wezen.
 

8:12
Zevach en Tsalmoena vluchten
en hij jaagt achter hen aan;
hij verovert deze twee koningen van Midjan,
Zevach en Tsalmoena,
en heel het legerkamp heeft hij laten beven.
 

8:13
Gideon, zoon van Joasj,
   keert terug van de oorlog,-
langs de pas van Cheres.
 

8:14
Uit de mannen van Soekot
   vangt hij een jongen
en ondervraagt die;
hij schrijft voor hem de vorsten van Soekot op
ťn haar oudsten:
zevenenzeventig man.
 

8:15
Hij komt aan bij de mannen van Soekot
en zegt:
ziehier Zevach en Tsalmoena
om wie ge mij hebt gehoond toen u zei
'heb je de vuist van Zevach en Tsalmoena
nu al in je hand,
dat wij aan je uitgeputte mannen
   brood moeten geven?'
 

8:16
Hij neemt de oudsten van de stad
en de dorens en distels van de woestijn,-
en laat de mannen van Soekot
daarmee kennis maken.
 

8:17
De toren van PenoeŽl heeft hij gesloopt,-
en de mannen van die stad
   heeft hij omgebracht.
 

8:18
Hij zegt
tot Zevach en Tsalmoena:
waar zijn de mannen
die gij bij Tabor hebt omgebracht?
Zij zeggen: zoals jij zo waren zij,
elkeen
van aanzien zonen van de koning.
 

8:19
Hij zegt:
mijn broers,
   de zonen van mijn moeder waren zij;
zowaar de Ene leeft,
had u hen laten leven
dan had ik u niet omgebracht!
 

8:20
Hij zegt tot Jeter,- rest, zijn eersteling:
sta op, breng ze om!-
maar de jongen
   heeft zijn zwaard niet uitgetrokken,
want hij is bevreesd,
want hij is nog maar een jongen.
 

8:21
Dan zegt Zevach, en ook Tsalmoena:
sta op, jij, en tref ons,
want zoals de man, zo is zijn kracht!
Gideon staat op,
brengt Zevach en Tsalmoena om
en neemt de maantjes
die aan de halzen van hun kamelen hingen.
 

8:22
Zij -het manvolk van IsraŽl-
   zeggen tot Gideon:
heers over ons, ťn jij
ťn je zoon en de zoon van je zoon!-
want jij hebt ons uit Midjans hand bevrijd!
 

8:23
Maar Gideon zegt tot hen:
ik, ik zal niet over u heersen
en ook mijn zoon zal niet over u heersen;
over u heersen zal de Ene!
 

8:24
Dan zegt Gideon tot hen:
wel vraag ik een vraag aan u:
geeft mij
ieder een ring van zijn buit!-
want ze hebben gouden ringen,
omdat ze IsmaŽlieten zijn.
 

8:25
Zij zeggen: die giften geven wij!-
ze spreiden de mantel uit
en werpen ieder een ring van zijn buit
daarop neer.
 

8:26
Zo wordt
het gewicht
van de gouden ringen die hij heeft gevraagd
duizend zevenhonderd sikkel goud,-
apart van de maantjes, de druppelhangers
en de purperen gewaden
die de koningen van Midjan
   hebben overkleed,
en apart van de halskettingen
om de halzen van hun kamelen.
 

8:27
Gideon maakt het tot een efod
en zet die neer in zijn stad, in Ofra;
maar daar hoereren ze, heel IsraŽl,
   er achteraan;
hij wordt voor Gideon en zijn huis
   tot een valstrik.
 

8:28
Maar Midjan wordt verootmoedigd
voor het aanschijn van de kinderen IsraŽls;
ze zijn niet doorgegaan
   hun hoofd op te heffen;
het land heeft veertig jaar rust
in de dagen van Gideon.
 

8:29
Dan gaat Jeroebašl, zoon van Joasj, heen
en keert terug in zijn huis.
 

8:30
Aan Gideon
zijn zeventig zonen geworden
die zijn voortgekomen uit zijn heup;
want vele vrouwen zijn de zijne geworden.
 

8:31
De bijvrouw die hij in Sjechem had,
ook zij heeft hem een zoon gebaard;
hij stelt als naam voor hem: Avimelech.
 

8:32
Dan sterft Gideon, zoon van Joasj,
   in goede grijsheid;
hij wordt begraven
in het graf van Joasj, zijn vader,
in Ofra van de AviŽzriet.
 

8:33
En het geschiedt zodra Gideon gestorven is
dat de kinderen IsraŽls omkeren
en achter de bašls aan hoereren;
zij stellen zich Bašl Beriet aan als God.
 

8:34
De kinderen IsraŽls zijn de Ene, hun God,
niet indachtig geweest,-
die hen heeft ontrukt
   aan de hand van al hun vijanden
van rondom.
 

8:35
Ze hebben geen vriendschap betoond
aan het huis van Jeroebašl Gideon,-
naar al het goede
dat hij aan IsraŽl heeft gedaan.
 

9:1
Dan gaat Avimelech, zoon van Jeroebašl,
naar Sjechem,
naar de broers van zijn moeder;
hij spreekt tot hen
en tot heel de familie van het huis
   van zijn moeders vader
en zegt:
 

9:2
spreekt toch uit
voor de oren van alle heren van Sjechem:
   wat is u beter?-
dat over u heerst: zeventig man,
alle zonen van Jeroebašl,
of dat over u heerst: ťťn man!-
bedenkt:
uw gebeente en uw vlees ben ik!
 

9:3
Dan spreken de broers van zijn moeder
   over hem
voor de oren van alle heren van Sjechem
al deze woorden;
en hun hart neigt zich naar Avimelech,
want, hebben ze gezegd, hij is onze broeder!
 

9:4
Ze geven hem zeventig zilverling
uit het huis van Bašl Beriet;
daarmee huurt Avimelech
leeghoofdige en lichtzinnige mannen
die hem achterna gaan.
 

9:5
Hij komt in zijns vaders huis in Ofra
en brengt om:
zijn broers, de zonen van Jeroebašl,
zeventig man op ťťn-en-dezelfde steen;
rest alleen
Jotam, de jongste zoon van Jeroebašl,
want hij heeft zich verstopt.
••
 

9:6
Dan verzamelen zich alle heren van Sjechem
en heel het huis van Milo;
zij gaan heen
en kronen Avimelech tot koning,-
bij de godseik van de standsteen bij Sjechem.
 

9:7
Ze melden dat aan Jotam;
die gaat heen en staat stil op de top
van de berg Geriziem;
hij verheft zijn stem en roept;
hij zegt tot hen:
hoort naar mij, heren van Sjechem,
en God zal horen naar u!-
 

9:8
al gaande gingen de bomen heen
om over zich een koning te zalven;
ze zeiden tot de olijf:
   word jij koning over ons!-
 

9:9
maar de olijfboom zei tot hen:
moet ik afstand doen van mijn olie,
die God en mensen in mij eren?-
moet ik heengaan
om te zweven boven de bomen?
 

9:10
dan zeggen de bomen tot de vijg:
ga mee, jij, en word koning over ons!-
 

9:11
de vijgenboom zegt tot hen:
moet ik afstand doen van mijn zoetheid
en mijn goede vrucht,
moet ik heengaan
om te zweven boven de bomen?-
 

9:12
dan zeggen de bomen tot de wijnstok:
ga mee, jij, en word koning over ons!-
 

9:13
de wijnstok zegt tot hen:
moet ik afstand doen van mijn most,
die God en mensen verheugt?-
moet ik heengaan
om te zweven boven de bomen?-
 

9:14
dan zeggen al de bomen tot de doornstruik:
ga mee, jij, en word koning over ons!-
 

9:15
en de doornstruik zegt tot de bomen:
als ge in trouw
   mij tot koning over u zult zalven,
komt dan en schuilt in mijn schaduw!,
en zoniet,
dan zal vuur uitgaan van de doornstruik
en de ceders van de Libanon verteren!-
 

9:16
welnu, als ge het in trouw
   en oprechtheid hebt gedaan
dat ge Avimelech koning hebt gemaakt,-
en als ge het goede hebt willen doen
met Jeroebašl en zijn huis
en als ge naar de verdienste van zijn handen
aan hem hebt gedaan,
 

9:17
mijn vader, die voor u oorlog heeft gevoerd,
zijn ziel heeft gewaagd
en u aan de hand van Midjan heeft ontrukt,
 

9:18
terwijl gij
heden zijt opgestaan
   tegen het huis van mijn vader
en zijn zonen hebt omgebracht,
zeventig man op ťťn steen,-
en Avimelech, de zoon van zijn slavin,
   koning hebt gemaakt
over de heren van Sjechem
omdat hij uw broeder is,-
 

9:19
als ge op deze dag
   in trouw en oprechtheid hebt gedaan
met Jeroebašl en zijn huis:
verheugt u in Avimelech
en ook hij zal zich verheugen in u!-
 

9:20
maar zo niet
dan zal een vuur uitgaan van Avimelech
en verteren de heren van Sjechem
en het huis van Milo;
en vuur zal uitgaan van de heren van Sjechem
en het huis van Milo
en verslinden Avimelech!
 

9:21
Dan vlucht Jotam;
hij neemt de wijk en gaat naar BeŽer;
daar blijft hij zitten,
weg van het aanschijn
   van zijn broer Avimelech.
 

9:22
Drie jaren is Avimelech vorst over IsraŽl.  

9:23
Dan zendt God een kwade geest
tussen Avimelech
en de heren van Sjechem;
de heren van Sjechem
   worden Avimelech ontrouw,
 

9:24
zodat aan de dag komt
het geweld
   jegens de zeventig zonen van Jeroebašl,-
en hun bloed
wordt gezet
op het hoofd van Avimelech,
hun broer die hen heeft omgebracht
en op de heren van Sjechem
die zijn handen sterk gemaakt hebben
om zijn broers om te brengen.
 

9:25
De heren van Sjechem
   leggen hun hinderlagen
op de toppen van de bergen
en plunderen
al wie onderweg langs hen oversteekt;
dat wordt gemeld aan Avimelech.
 

9:26
Dan komt
Gašl, zoon van Eved, met zijn broeders,
en steken zij over, Sjechem in;
de heren van Sjechem
   achten zich veilig bij hen.
 

9:27
Ze trekken uit, het veld op,
   oogsten hun druiven,
persen die uit
en doen lofprijzingen;
ze komen in het huis van hun god,
eten en drinken
en vervloeken Avimelech.
 

9:28
Gašl, zoon van Eved, zegt:
wie is Avimelech en wat is Sjechem
dat we hen zouden dienen?-
is hij niet een zoon van Jeroebašl
en is niet Zevoel zijn opzichter?-
gediend hebben zij
de mannen van Chamor,
   de vader van Sjechem,
maar waarom wel zouden wŪj hen dienen?-
 

9:29
wie geeft mij deze manschap in mijn hand?-
dan zal ik Avimelech de wijk laten nemen!
Daarmee zegt hij tot Avimelech:
vermeerder je strijdschaar en trek uit!
 

9:30
Dan hoort
Zevoel, vorst van de stad,
die uitspraken van Gašl, zoon van Eved,-
en ontbrandt zijn toorn.
 

9:31
In Torma
zendt hij boden uit naar Avimelech,
   om te zeggen:
zie, Gašl, zoon van Eved, en zijn broeders
zijn in Sjechem binnengekomen
en zie, zij benauwen de stad tegen jou!-
 

9:32
nu dan, sta in de nacht op,
jij en de manschap die bij je is,-
en leg in het veld een hinderlaag!-
 

9:33
geschieden zal het in de morgen,
   als de zon gloort:
je recht je schouders en overvalt deze stad;
zie, als hij
en de manschap die bij hem is
   tot jou uittrekken
zul je aan hem doen
zoals je hand zal vinden om te doen!
••
 

9:34
Dan staat Avimelech
   met heel de manschap die met hem is
's nachts op,-
en leggen zij zich
   in een hinderlaag voor Sjechem,-
in vier kopgroepen.
 

9:35
Gašl, zoon van Eved, trekt uit
en blijft staan
in de opening van de stadspoort;
dan staat Avimelech,
met de manschap die bij hem is,
   op uit de hinderlaag.
 

9:36
Gašl ziet de manschap
en zegt tot Zevoel:
ziedaar een manschap die neerdaalt
van de toppen van de bergen!
Zevoel zegt tot hem:
dat is de schaduw van de bergen
die jij voor die mannen aanziet!
••
 

9:37
Maar Gašl gaat nog eens door met spreken
en zegt:
ziedaar een manschap, ze dalen neer
van bij de navel van het land,-
en ťťn kopgroep komt
van de weg van de waarzeggers-godseiken!
 

9:38
Dan zegt Zevoel tot hem:
waar is nu je grote mond, waarmee je zei
'wie is Avimelech
   dat wij hem zouden dienen?'-
is dit niet de manschap die jij hebt gehoond?-
trek nu toch uit en voer er oorlog mee!
••
 

9:39
Dan trekt Gašl uit
voor het aanschijn van de heren van Sjechem,-
en voert hij oorlog met Avimelech.
 

9:40
Avimelech achtervolgt hem
en hij moet vluchten voor zijn verschijning;
er vallen vťle doorboorden,
tot in de opening van de poort.
 

9:41
Avimelech gaat zetelen in Aroema;
Zevoel verdrijft Gašl en zijn broers
zodat ze niet meer zetelen in Sjechem.
 

9:42
Het geschiedt de volgende morgen
dat de manschap uittrekt het veld op;
als ze dat melden aan Avimelech
 

9:43
neemt hij de manschap,
verdeelt hen in drie kopgroepen
en legt ze in een hinderlaag op het veld;
hij ziet op:
ziedaar de manschap die de stad uittrekt;
hij staat tegen hen op en verslaat hen.
 

9:44
Avimelech
en de kopgroep die bij hem is
   verspreiden zich
en staan pas stil
in de opening van de stadspoort;
de twee andere kopgroepen
hebben zich verspreid over allen op het veld
en hebben hen verslagen.
 

9:45
Heel die dag
heeft Avimelech met de stad oorlog gevoerd;
hij bezet de stad,
en de manschap die in haar is
   heeft hij omgebracht;
hij sloopt de stad
en bezaait haar met zout.
 

9:46
Dat horen
alle heren van de toren van Sjechem;
ze weten binnen te komen in de verschansing
van het huis van El Beriet.
 

9:47
Als aan Avimelech wordt gemeld
dat te hoop gelopen zijn
alle heren van de toren van Sjechem,
 

9:48
dan beklimt Avimelech de berg Tsalmon,
hij en heel de manschap die bij hem is;
Avimelech neemt een van de bijlen ter hand
en hakt een boomtak af;
hij tilt haar op
en legt haar op zijn schouder;
hij zegt tot de manschap die met hem is:
wat gij mij hebt zien doen,
haast u en doet als ik!
 

9:49
Dan hakken ook zij, heel de manschap,
ieder zijn tak af,
gaan Avimelech achterna
   en zetten die tegen de verschansing;
boven hen, de belegerden,
   slopen ze de verschansing met vuur;
zo worden ook alle mannen
   van de toren van Sjechem
ter dood gebracht:
zo'n duizend, man en vrouw.
 

9:50
Dan gaat Avimelech naar Tevets;
hij slaat zijn legerkamp op bij Tevets
   en bezet het.
 

9:51
Er is een versterkte toren geweest
   onder in de stad;
daarheen vluchten alle mannen en vrouwen
en alle heren van de stad;
ze sluiten de deuren achter zich,-
en klimmen op het dak van de toren.
 

9:52
Avimelech komt bij de toren aan
en voert er oorlog mee;
maar als hij nadertreedt
   tot bij de opening van de toren
om hem in het vuur te verbranden,
 

9:53
werpt ťťn enkele vrouw een molensteen
op Avimelechs hoofd,-
en breekt zijn schedel.
 

9:54
Haastig roept hij de hulpjongen bij zich,
de drager van zijn wapens,
en zegt tot hem: trek je zwaard en dood me;
anders zullen ze van mij zeggen
'een vrouw bracht hem zeker om!'-
zijn hulpjongen doorsteekt hem en hij sterft.
 

9:55
Als het manvolk van IsraŽl ziet
dat Avimelech dood is,-
gaan ze heen, ieder naar zijn woonplaats.
 

9:56
Zo laat God
het kwaad van Avimelech
   op hem terugkeren,-
dat hij aan zijn vader heeft gedaan
door zijn zeventig broers om te brengen;
 

9:57
al
het kwaad van de mannen van Sjechem
heeft God op hun hoofd laten terugkeren;
tot hen komt
de vervloeking van Jotam,
   zoon van Jeroebašl.
 

10:1
Na Avimelech staat op
om IsraŽl te bevrijden:
Tola, zoon van Poea zoon van Dodo,
een man van Issachar;
hij zetelt in Sjamir,-
in het bergland van EfraÔm.
 

10:2
Hij richt IsraŽl
drieŽntwintig jaar;
hij sterft
en wordt begraven in Sjamir.
 

10:3
Na hem staat op
JaÔer de Gileadiet;
hij richt IsraŽl
tweeŽntwintig jaar.
 

10:4
Aan hem gewordt
een dertigtal zonen
die rijden op dertig ezelhengsten,
dertig ezelhengsten zijn van hen;
tot hen
roepen ze 'Chavot JaÔer',-
   gehuchten van JaÔer,
tot op deze dag,-
in het land van de Gilead.
 

10:5
JaÔer sterft
en wordt begraven in Kamon.
 

10:6
De zonen van IsraŽl gaan door
met te doen wat kwaad is
   in de ogen van de Ene
en dienen de bašls en asjtartes,
de goden van Aram, de goden van Tsidon
en de goden van Moab,
de goden van de zonen van Amon
en de goden van de Filistijnen,
ze verlaten de Ene
   en hebben niet meer gediend.
 

10:7
Dan ontbrandt de toorn van de Ene
   tegen IsraŽl;
hij verkoopt hen in de hand van de Filistijnen
en in de hand van de zonen van Amon.
 

10:8
Die kraken en knakken de zonen van IsraŽl
in dat jaar,-
achttien jaar lang onderdrukken zij
alle zonen van IsraŽl
   die aan de overzij van de Jordaan leven,
in het land van de Amoriet in de Gilead.
 

10:9
Dan steken de zonen van Amon
   de Jordaan over
om ook oorlog te voeren tegen Juda,
   Benjamin en
het huis EfraÔm;
het wordt zeer benauwd voor IsraŽl.
 

10:10
De zonen van IsraŽl schreeuwen het uit
tot de Ene en zeggen:
wij hebben gezondigd tegen u,
want wij hebben onze God verlaten
en zijn de bašls gaan dienen!
 

10:11
Dan zegt de Ene tot de zonen van IsraŽl:
heb ik u niet van Egypte en van de Amoriet,
van de zonen van Amon
   en van de Filistijnen,
 

10:12
en toen de TsidoniŽrs, Amalek en Maon
u verdrukten,-
en gij tot mij schreeuwde;
heb ik u niet bevrijd uit hun hand?-
 

10:13
maar gij hebt mij verlaten,-
en zijt andere goden gaan dienen;
daarom zal ik niet doorgaan u te bevrijden!-
 

10:14
gaat heen
en schreeuwt tot de goden
die gij hebt uitverkoren;
laten zij u bevrijding brengen
ten tijde van uw benauwdheid!
 

10:15
Maar de zonen van IsraŽl zeggen tot de Ene:
wij hebben gezondigd!-
doe gij aan ons
naar al wat goed is in uw ogen;
alleen: red ons toch, ook deze dag!
 

10:16
En zij verwijderen de goden uit den vreemde
uit hun midden
en dienen weer de Ene;
en hij lijdt pijn aan zijn ziel
door IsraŽls ellende.
 

10:17
Bijeengeschreeuwd
   worden de zonen van Amon
en zij legeren zich in de Gilgal;
verzameld worden de zonen van IsraŽl,
en zij legeren zich bij Mitspa.
 

10:18
Dan zeggen ze, de manschap,
   de vorsten van Gilead,
per man tot zijn makker:
wie is de man
die het onderneemt
om oorlog te voeren
   met de zonen van Amon?-
die wordt tot hoofd
over alle ingezetenen van Gilead!
 

11:1
Jefta de Gileadiet
is geweest een held vol kracht,
al was hij de zoon van een vrouw
   die hoereerde;
Gilead heeft Jefta geboren doen worden.
 

11:2
Ook de eigen vrouw van Gilead
   baart hem zonen;
de zonen van deze vrouw worden groot
en verdrijven Jefta;
ze zeggen tot hem: jij zult geen erfdeel hebben
in het huis van onze vader,
want de zoon van een andere vrouw ben jij!
 

11:3
Jefta vlucht
weg van het aanschijn van zijn broers
en zet zich neer in het land van Tov;
daar voegen zich
   leeghoofdige mannen bij Jefta
die met hem uittrekken.
 

11:4
Het geschiedt na vele dagen
dat de zonen van Amon
   oorlog voeren met IsraŽl.
 

11:5
En het geschiedt
met dat de zonen van Amon
   oorlog voeren met IsraŽl,-
dat de oudsten van Gilead heengaan
om Jefta op te halen uit het land van Tov.
 

11:6
Zij zeggen tot Jefta:
ga mee,
wezen zul je ons tot aanvoerder;
oorlog moeten zij voeren
   tegen de zonen van Amon!
 

11:7
Jefta zegt tot Gileads oudsten:
zijt gij het niet die mij hebt gehaat
en hebt verdreven
   uit het huis van mijn vader?-
waarom zijt ge dan nķ tot mij gekomen
nu ge in nood zijt?
 

11:8
Gileads oudsten zeggen tot Jefta:
juist dŠŠrom zijn wij nu tot jou teruggekeerd
en moet je met ons mee gaan
en oorlog voeren met de zonen van Amon:
wezen zul je ons tot hoofd
over alle ingezetenen van Gilead!
 

11:9
Dan zegt Jefta tot Gileads oudsten:
als gij mij laat terugkeren
om met de zonen van Amon
   oorlog te voeren
en de Ene hen
   aan mijn verschijning zal geven,-
dan wil ik
voor u tot hoofd wezen!
 

11:10
Gileads oudsten zeggen tot Jefta:
de Ene
zal het wezen die tussen ons heeft toegehoord
als wij niet zů, naar jouw woord, doen!
 

11:11
Jefta gaat met Gileads oudsten mee
en zij, de gemeente, stellen hem over zich aan
tot hoofd en tot aanvoerder;
Jefta spreekt al zijn aanspraken uit
voor het aanschijn van de Ene in Mitspa.
 

11:12
Dan zendt Jefta boden uit
naar de koning van de zonen van Amon
   om te zeggen:
wat is er tussen mij en u
dat u tot mij bent gekomen
om oorlog te voeren met mijn land?
 

11:13
De koning van de zonen van Amon zegt
tot de boden van Jefta: tussen ons is
dat IsraŽl mijn land heeft genomen
toen hij opklom uit Egypte,
van de Arnon tot aan de Jabok
   en de Jordaan;
welnu,
laat het in vrede tot mij terugkeren!
 

11:14
Maar Jefta gaat nog eens door,-
en zendt weer boden
tot de koning van de zonen van Amon.
 

11:15
Hij laat tot hem zeggen:
zo heeft Jefta gezegd:
het is niet zo dat IsraŽl het land van Moab
heeft genomen
en het land van de zonen van Amon;
 

11:16
want toen zij opklommen uit Egypte,-
is IsraŽl voortgegaan door de woestijn
tot aan de Rietzee
en aangekomen in Kadeesj;
 

11:17
IsraŽl zond boden tot de koning van Edom
om te zeggen 'laat mij toch oversteken
door uw land',
maar de koning van Edom heeft niet gehoord;
ook tot de koning van Moab
   heeft hij boden uitgezonden,
maar ook hij heeft niet gewild;
zo bleef IsraŽl zitten in Kadeesj;
 

11:18
hij ging de woestijn in,
trok om het land van Edom
   en het land van Moab heen,
en het kwam vanaf het gloren van de zon
in het land van Moab aan;
ze sloegen hun legerkamp op
bij de oversteek van de Arnon,
maar ze zijn niet aangekomen
    in het gebied van Moab,
want de Arnon
   is de gebiedsgrens van Moab;
 

11:19
toen zond IsraŽl boden
tot Sichon, koning van de Amoriet,
   koning in Chesjbon;
IsraŽl zegt tot hem:
laat ons toch oversteken
door uw land tot aan mijn oord!-
 

11:20
maar Sichon
   heeft het IsraŽl niet toevertrouwd
over te steken door zijn gebied;
Sichon verzamelde heel zijn manschap
en legerde zich bij Jatsa,-
om oorlog te voeren met IsraŽl;
 

11:21
toen gaf de Ene, IsraŽls God,
Sichon en heel zijn manschap
in IsraŽls hand en versloegen zij hen;
IsraŽl beŽrfde
heel het land van de Amoriet
die zetelde in dat land;
 

11:22
zij beŽrfden
heel het gebied van de Amoriet,-
van de Arnon tot aan de Jabok
en van de woestijn tot aan de Jordaan;
 

11:23
nu dan,
de Ene, IsraŽls God,
heeft de Amoriet onterfd
voor het aanschijn van zijn gemeente IsraŽl,-
en u wilt die onterven?-
 

11:24
zult u niet
hem beŽrven die Kemosj, uw god,
   u heeft doen erven?-
en al wie de Ene, onze God, heeft onterfd
voor ons aanschijn, die zullen wij beŽrven!-
 

11:25
nu dan,
bent ķ beter, beter dan
Balak,
   zoon van Tsipor de koning van Moab?-
heeft hij in een geding met IsraŽl gedongen
of oorlogend oorlog met hen gevoerd?-
 

11:26
terwijl IsraŽl driehonderd jaar lang
was gezeten in Chesjbon
   en haar dochtersteden,
in Aror en haar dochtersteden,
en in al de steden
   aan de oevers van de Arnon;
waarom hebt ge hen in die tijd niet gered?-
 

11:27
ik heb niet gezondigd tegen u,
maar ķ
doet mij kwaad door met mij oorlog te voeren;
moge de Ene, die de rechter is,
richten tussen de zonen van IsraŽl
en de zonen van Amon!
 

11:28
Maar niet gehoord
heeft de koning van de zonen van Amon,-
naar de woorden van Jefta
die deze tot hem heeft gezonden.
 

11:29
Dan valt over Jefta de geest van de Ene
en steekt hij de Gilead over en Manasse;
hij steekt Mitspee Gilead over,
en van Mitspee Gilead
is hij overgestoken
   naar de zonen van Amon.
 

11:30
Dan belooft Jefta aan de Ene een gelofte
   en zegt:
als ge in uw geven de zonen van Amon
mij in de hand geeft,
 

11:31
wezen zal dan wie uittrekt,
die de deur van mijn huis uittrekt
   mij tegemoet
wanneer ik in vrede terugkeer
   van de zonen van Amon,-
wezen zal hij voor de Ene
en doen opgaan zal ik hem als opgangsgave!
 

11:32
Dan steekt Jefta over
   naar de zonen van Amon
om met hen oorlog te voeren,-
en de Ene geeft hen in zijn hand.
 

11:33
Hij slaat op hen in
van AroŽer tot waar je aankomt bij Miniet,
twintigmaal een stad,
tot aan Aveel Keramiem,
een zeer grote slag;
zo worden de zonen van Amon
   verootmoedigd,
weg van het aanschijn
   van de zonen van IsraŽl!
 

11:34
Als Jefta in Mitspa bij zijn huis aankomt,
ziedaar zijn dochter
   die uittrekt hem tegemoet
met tamboerijnen en reidansen,-
en zij alleen is zijn enige,
er is verder uit hem geen zoon of dochter.
 

11:35
En het geschiedt zodra hij haar ziet:
hij scheurt zijn gewaden
en zegt: ach, dochter van mij,
gekromd heb je mij, gekromd;
jij, jij bent mijn grootste verdriet geworden,
en ik,
ik heb mijn mond geopend voor de Ene,
ik kan niet terug!
 

11:36
Zij zegt tot hem:
vader, je hebt je mond geopend voor de Ene;
doe aan mij
naar wat is uitgegaan uit je mond,-
nadat de Ene voor jou
wraakoefeningen op je vijanden bereid heeft,
op de zonen van Amon!-
 

11:37
en, zegt zij tot haar vader,
worde aan mij dit woord gedaan:
laat gedurende twee nieuwemanen
   van mij af,
dat ik kan heengaan, afdalen over de bergen
en mag huilen om mijn maagdelijkheid,
ik met mijn vriendinnen!
 

11:38
Hij zegt: ga!,
en zendt haar voor twee nieuwemanen heen;
zij gaat heen, zij met haar vriendinnen
en huilt om haar maagdelijkheid,
   over bergen.
 

11:39
Het geschiedt
na verloop van de twee nieuwemanen:
zij keert tot haar vader terug
en hij doet met haar
naar de gelofte die hij heeft beloofd;
zij heeft nooit een man bekend.
Zo wordt het een gewoonte bij IsraŽl
 

11:40
dat van dagentijd tot dagentijd
IsraŽls dochters heengaan
om voor de dochter van Jefta de Gileadiet
klaagzangen te zingen,-
een viertal dagen per jaar.
••
 

12:1
Bijeengeschreeuwd
wordt het manvolk van EfraÔm
en het steekt over naar het noorden;
en ze zeggen tot Jefta:
   waarom ben je overgestoken
om oorlog te voeren
   met de zonen van Amon?-
ons heb je niet opgeroepen
   om met je mee te gaan;
je huis
zullen we met jou erbij
    in het vuur verbranden!
 

12:2
En Jefta zegt tot hen:
een man van twist
ben ik geweest, ik en mijn manschap,
met de zonen van Amon, bovenmate;
ik schreeuwde u bijeen
maar gij hebt mij niet uit hun hand bevrijd;
 

12:3
toen ik inzag
dat er geen bevrijder was
heb ik mijn ziel in mijn handpalm gelegd
en ben ik overgestoken
   naar de zonen van Amon;
de Ene gaf hen in mijn hand;
waarom
zijt ge dan op deze dag
   naar mij opgeklommen
om met mij oorlog te voeren?
 

12:4
Dan vergadert Jefta alle mannen van Gilead
en beoorlogt hij EfraÔm;
de mannen van Gilead verslaan EfraÔm,
omdat ze hebben gezegd,
   ontsnapten van EfraÔm zijt gij!-
Gilead ligt
tussen EfraÔm en Manasse in!
 

12:5
Gilead bezet de oversteekplaatsen
   van de Jordaan die EfraÔm had;
en het is geschied,
   wanneer ontsnapten van EfraÔm
zeiden 'ik wil oversteken',
dan zeiden tot zo iemand
   de mannen van Gilead
'ben jij een Efratiet?,' en zei hij 'nee!,'
 

12:6
dan zeiden ze tot hem
   'zeg toch eens sjibolet',
en zei hij dan sibolet,
was hij dus niet in staat
   het goed uit te spreken,
dan overmeesterden ze hem
en slachtten hem af,
   daar bij de oversteekplaatsen
de Jordaan over;
zo valt er
in die tijd uit de gelederen van EfraÔm
tweeŽntwintigduizend man.
 

12:7
Jefta richt IsraŽl zes jaren;
dan sterft hij,
Jefta de Gileadiet,
en wordt begraven in zijn stad,
in Gilead.
 

12:8
Na hem wordt richter over IsraŽl:
Ivtsan, uit Betlehem.
 

12:9
Hem gewordt
een dertigtal zonen;
dertig dochters heeft hij naar buiten gezonden
en dertig dochters
heeft hij van buiten laten komen
   voor zijn zonen;
hij richt IsraŽl zeven jaren.
 

12:10
Ivtsan sterft
en wordt begraven in Betlehem.
 

12:11
Na hem wordt richter over IsraŽl:
Elon de Zebuloniet;
hij richt IsraŽl tien jaren.
 

12:12
Dan sterft Elon de Zebuloniet;
hij wordt begraven in Ajalon
   in het land van Zebulon.
 

12:13
Na hem wordt richter over IsraŽl:
Avdon, zoon van Hileel de Piratoniet;
hij wordt begraven in Piraton.
 

12:14
Hij heeft
veertig zonen
en dertig zonen van zonen
die rijden op zeventig ezelhengsten;
hij richt IsraŽl acht jaren lang.
 

12:15
Dan sterft Avdon,
zoon van Hileel de Piratoniet;
hij wordt begraven
in Peraton in het land EfraÔm,
in het bergland van de Amalekiet.
 

13:1
De zonen van IsraŽl gaan důůr
met het doen van wat kwaad is
in de ogen van de Ene;
de Ene geeft hen in de hand
   van de Filistijnen,
veertig jaar lang.
 

13:2
Er is een man, ťťn uit Tsora
uit de familie van de Daniet,
en zijn naam is Manoach;
zijn vrouw is onvruchtbaar
   en heeft nooit gebaard.
 

13:3
Een engel van de Ene
   laat zich zien aan de vrouw,-
en zegt tot haar:
zie toch, jij die onvruchtbaar bent
   en nooit gebaard hebt,
zwanger zul je worden
   en baren zul je een zoon!-
 

13:4
maar wees nu vooral waakzaam:
drink gťťn wijn en sterke drank,-
en eet niets van al wat besmet is;
 

13:5
want zie, je bent zwanger
   en zult baren een zoon:
geen scheermes zal klimmen over zijn hoofd;
want een nazir,-
   een gewijde van God zal de jongen wezen
van de moederschoot af;
hij
zal het ondernemen IsraŽl te bevrijden
uit de hand van de Filistijnen.
 

13:6
De vrouw komt binnen
en zegt tot haar man, ze zegt:
een man Gods is tot mij gekomen
en zijn aanzien was
als het aanzien van een engel van God,
zeer vreeswekkend;
ik heb hem niet gevraagd van waar hij was,
en zijn naam heeft hij mij niet gemeld;
 

13:7
hij zei tot mij:
zie, je bent zwanger en zult baren een zoon,-
welnu,
drink geen wijn en sterke drank
en eet niets van al wat besmet is,
want een nazir,-
   een gewijde van God zal de jongen wezen
van de moederschoot af
   tot op de dag van zijn dood!
 

13:8
Manoach bidt tot de Ene en zegt:
ach mijn Heer,
de man Gods die gij gezonden hebt,
laat hij toch nogmaals tot ons komen
en ons onderrichten
wat wij moeten doen
   met de jongen die geboren gaat worden!
 

13:9
God hoort naar de stem van Manoach:
de engel van God
   komt nogmaals tot de vrouw
terwijl zij neerzit op het veld;
maar Manoach,
   haar man is niet met haar mee.
 

13:10
De vrouw haast zich,
   rent en meldt het aan haar man;
ze zegt tot hem:
zie, aan mij heeft zich laten zien de man
die op die dag tot mij is gekomen!
 

13:11
Manoach staat op en gaat heen,
   zijn vrouw achterna;
hij komt bij de man aan
en zegt tot hem:
zijt gij de man
   die heeft gesproken tot deze vrouw?-
en hij zegt: dat ben ik!
 

13:12
Manoach zegt:
welnu, komt uw woord uit,
wat zal het recht van de jongen zijn
   en wat staat hem te doen?
 

13:13
De engel van de Ene zegt tot Manoach:
voor al wat ik tot de vrouw heb gezegd
moet zij zich wachten;
 

13:14
van al wat uit de wijnstok voortkomt,
   de wijn,
zal zij niets nemen,
wijn en sterke drank zal zij niet drinken
en al wat besmet is zal zij niet eten;
al wat ik haar geboden heb zal zij bewaken!
 

13:15
Dan zegt Manoach tot de engel van de Ene:
laat ons u toch hier mogen houden,
en voor uw aanschijn
   een geitenbokje mogen klaarmaken!
 

13:16
Want Manoach heeft niet geweten
dat hij een engel was van de Ene.
Maar de engel van de Ene
   zegt tot Manoach:
al houd je mij hier,
   ik zal van je brood niet eten,
maar als je een opgangsgave wilt klaarmaken,
laat haar opgaan voor de Ene!-
 

13:17
Dan zegt Manoach tot de engel van de Ene:
hoe is uw naam?,
want komt uw woord uit,
   dan willen wij u eren!
 

13:18
De engel van de Ene zegt tot hem:
waarom toch vraag je naar mijn naam?-
die is: Wonderbaar!
••
 

13:19
Dan neemt Manoach de geitenbok
   en de broodgift
en laat die op de rots opgaan tot de Ene,-
die wonderbare dingen doet
terwijl Manoach en zijn vrouw het zien;
 

13:20
het geschiedt
terwijl de vlam op het altaar
   opstijgt ten hemel
dat de engel van de Ene
   in de vlam van het altaar opstijgt,-
terwijl Manoach en zijn vrouw toezien;
zij vallen op hun aanschijn ter aarde.
 

13:21
De engel van de Ene
   is niet nogmaals doorgegaan
zich te laten zien aan Manoach
   en zijn vrouw;
maar Manoach weet nu
dat hij een engel is van de Ene.
 

13:22
Manoach zegt tot zijn vrouw:
sterven, ja sterven zullen wij,-
want wij hebben God gezien!
 

13:23
Zijn vrouw zegt tot hem:
had de Ene lust gehad om ons te doden
dan had hij uit onze hand
   geen opgangsgave
en geen broodgift aangenomen
en niet dit alles laten zien,-
en niet zoals nu
ons dit alles laten horen!
 

13:24
De vrouw baart een zoon
en roept als zijn naam uit 'Sjimsjon*',-
   zonneschijn;
de jongen wordt groot,
onder de zegen van de Ene.
 

13:25
De Geest van de Ene begint
hem aan te vuren in Machanee Dan,-
tussen Tsora en Esjtaol.
 

14:1
Dan daalt Simson af naar Timna;
in Timna ziet hij een vrouw,
een van de dochters van de Filistijnen.
 

14:2
Hij klimt weer op
en meldt het aan zijn vader en zijn moeder;
   hij zegt:
ik heb een vrouw gezien, in Timna,
een van de dochters van de Filistijnen;
nu dan,
neemt haar mij tot vrouw!
 

14:3
Zijn vader zegt tot hem, en ook zijn moeder:
is er bij de dochters van je broeders
en in heel mijn gemeenschap
geen vrouw,
dat je heengaat om een vrouw te nemen
uit die onbesneden Filistijnen?-
maar Simson zegt tot zijn vader:
neem hŠŠr voor mij,
want zij is de beste in mijn ogen!
 

14:4
Zijn vader en zijn moeder weten niet
dat dit van de Ene komt,
omdat die een aanleiding zoekt
   vanwege de Filistijnen:
in die tijd
heersen de Filistijnen over IsraŽl.
 

14:5
Simson daalt met zijn vader en moeder af
   naar Timna;
als ze aankomen
   bij de wijngaarden van Timna,
ziedaar, van een groep leeuwen
   komt een leeuwenwelp
hem brullend tegemoet.
 

14:6
Dan overkomt hem de Geest van de Ene:
hij scheurt hem open
   zoals men een bokje openscheurt,
met helemaal niets in zijn hand;
aan zijn vader en zijn moeder
   heeft hij niet gemeld
wat hij heeft gedaan.
 

14:7
Hij daalt af en spreekt tot de vrouw,-
en zij is de beste in Simsons ogen.
 

14:8
Als hij na verloop van dagen terugkeert
om haar mee te nemen,
wijkt hij af van zijn weg
om het kadaver van de leeuw te zien;
en ziedaar,
   een zwerm bijen in het lijk van de leeuw
en honing!
 

14:9
Hij laat die neerdalen in zijn handpalmen
en gaat, al gaande etend, verder;
hij gaat naar zijn vader en zijn moeder,
geeft hun ervan en zij eten;
maar hij heeft hun niet gemeld
dat de honing is neergedaald
uit het lijk van een leeuw!
 

14:10
Zijn vader daalt af naar de vrouw,-
en Simson richt daar een drinkgelag aan,
want zo doen de jongemannen dat.
 

14:11
En het geschiedt: zodra ze hem zien
nemen ze dertig metgezellen
die bij hem moeten blijven.
 

14:12
Simson zegt tot hen:
laat mij u toch een raadsel te raden geven!-
als ge meldend het mij meldt
in de zeven dagen van het drinkgelag
en het vinden zult,
geven zal ik u dan dertig lijflinnens
en dertig wisselgewaden;
 

14:13
en als ge het mij niet zult kunnen melden,
geven zult gij dan aan mij dertig lijflinnens
en dertig wisselkleren!
Zij zeggen tot hem:
geef je raadsel te raden en wij zullen horen!
 

14:14
Hij zegt tot hen:
'uit de eter kwam eten naar buiten,
uit de krachtpatser iets zoets!-'
en ze hebben het raadsel niet kunnen melden,
drie dagen lang.
 

14:15
Het geschiedt op de zevende dag
dat ze tot Simsons vrouw zeggen:
   verleid je man ertoe
dat hij ons het raadsel meldt,
anders verbranden we jou
   en het huis van je vader
in het vuur;
hebt ge om ons te onterven
ons bijeengeroepen of niet?
 

14:16
Dan huilt Simsons vrouw bij hem
en zegt: je hebt me slechts gehaat
en nooit liefgehad:
je hebt de zonen van mijn gemeenschap
een raadsel te raden gegeven
en het aan mij niet gemeld!
Hij zegt tot haar:
zie eens, aan mijn vader en mijn moeder
heb ik niets gemeld
en aan jou zou ik het wťl melden?
 

14:17
Maar zij huilt bij hem al de zeven dagen
dat zij het drinkgelag hebben;
en het geschiedt op de zevende dag:
hij meldt het haar,
   omdat zij zo bij hem gezeurd heeft;
en zij meldt het raadsel aan de zonen
van haar gemeenschap.
 

14:18
De mannen van de stad zeggen tot hem
op de zevende dag,
vůůrdat het hemellichaam thuiskomt:
wat is zoeter dan honing
en wat is krachtiger dan een leeuw?-
en hij zegt tot hen:
hadt ge niet met mijn kalf geploegd
dan hadt ge mijn raadsel niet gevonden!
 

14:19
De Geest van de Ene overkomt hem:
hij daalt af naar Asjkelon
en slaat van hen dertig man neer;
hij neemt hun uitrustingen
en geeft de wisselkleren
aan hen die het raadsel hebben gemeld;
zijn toorn ontsteekt
en zo klimt hij op naar het huis van zijn vader.
 

14:20
De vrouw van Simson wordt
van zijn bruiloftsgezel,
degene die hem vergezeld heeft.
 

15:1
Het geschiedt na vele dagen,
in de dagen van de tarweoogst:
Simson gaat zijn vrouw bezoeken,
met een geitenbokje bij zich,
en zegt:
ik wil binnenkomen
   bij mijn vrouw, in de kamer!-
maar haar vader heeft het hem niet gegeven
binnen te komen.
 

15:2
Haar vader zegt:
gezegd heb ik en gezegd dat jij haar hatend
bent gaan haten
en ik heb haar gegeven aan je bruiloftsgezel;
is haar jongere zus niet beter dan zij?-
laat zij toch in haar plaats de jouwe worden!
 

15:3
Simson zegt tot hem:
onschuldig zal ik ditmaal zijn
   tegenover de Filistijnen,-
wanneer ik kwalijk met hen handel!
 

15:4
Simson gaat heen
en vangt driehonderd vossen;
hij neemt fakkels,
wendt staart aan staart
en zet telkens ťťn fakkel
   tussen twee staarten in.
 

15:5
Hij steekt vuur aan in de fakkels
en zendt ze uit
   in het staande koren van de Filistijnen;
zo steekt hij alles in brand,
van garvenhoop tot en met staand koren,
wijngaard en olijfboom.
 

15:6
Dan zeggen de Filistijnen:
   wie heeft dat gedaan?
Ze zeggen:
Simson, de schoonzoon van de Timniet,
want die heeft zijn vrouw genomen
en haar gegeven aan zijn bruiloftsgezel!
De Filistijnen klimmen op
en verbranden haar en haar vader in het vuur.
 

15:7
Simson zegt tot hen:
als ge dingen doet als dit!...
ja, als ik mij op u gewroken heb,
pas daarna houd ik op!
 

15:8
Hij slaat hen tot 'dijen over heupen',
in een grote slag;
hij daalt af en zet zich neer
in de rotsspleet van Etam.
••
 

15:9
De Filistijnen klimmen op
en slaan hun legerkamp op in Juda;
ze verspreiden zich bij Lechi,- kaakbeen.
 

15:10
Dan zeggen ze, de manschap van Juda:
waarom zijt ge tegen ons opgeklommen?
Zij zeggen:
om Simson te boeien zijn wij opgeklommen,
om te doen aan hem
zoals hij heeft gedaan aan ons!
 

15:11
Dan dalen drieduizend man uit Juda af
naar de rotsspleet van Etam
en zeggen zij tot Simson:
weet je niet dat de Filistijnen
   over ons heersen?-
wat is dit dat je ons hebt aangedaan?
Maar hij zegt tot hen:
zoals zij gedaan hebben aan mij,
zo heb ik gedaan aan hen!
 

15:12
Ze zeggen tot hem:
   om je te boeien zijn wij afgedaald,
om je de Filistijnen in handen te geven!
Simson zegt tot hen:
zweert mij
dat ge mij niet dodelijk treft!
 

15:13
Zij zeggen tot hem, zij zeggen:
nee, want wij willen je in boeien boeien
en hun in handen geven,
maar doden?, we zullen je niet doden!
Dan boeien ze hem
met twee nieuwe touwen
en laten hem zo opklimmen uit de rotsspleet.
 

15:14
Toen hij was aangekomen bij Lechi,-
   kaakbeen,
zijn de Filistijnen
   hem joelend tegemoetgegaan;
maar dan overkomt hem de Geest van de Ene
en worden de touwen
   die hij om zijn armen heeft
als vlasstengels die verbrand zijn in het vuur,
en zijn boeien smelten weg van zijn handen.
 

15:15
Hij vindt een lechi,-
   een kaakbeen van een ezel, vers;
hij strekt zijn hand uit, neemt het op
en slaat daarmee duizend man neer.
 

15:16
Dan zegt Simson:
met het kaakbeen van die ezel,
een ezel, twee ezels,
met het kaakbeen van die ezel
heb ik duizend man verslagen!
 

15:17
En het geschiedt,
   als hij voleindigd heeft te spreken
werpt hij het kaakbeen uit zijn hand
en roept tot dat oord 'Ramat Lechi',-
   kaakbeenhoogte.
 

15:18
Hij wordt zeer dorstig
en roept tot de Ene; hij zegt:
zelf hebt gij deze grote bevrijding
uw dienaar in de hand gegeven,-
en nķ moet ik doodgaan van dorst
en vallen in de hand van die voorhuiden?
 

15:19
Dan klieft God de holte die er in Lechi,-
   kaakbeen, is;
daaruit komen waterstromen te voorschijn
en hij heeft te drinken;
zijn geestkracht keert terug en hij herleeft.
Daarom heeft hij als naam daarvoor geroepen:
'Een Hakoree',-
wel van de roepende,
die er bij Lechi,- kaakbeen, is
tot op deze dag.
 

15:20
Hij richt IsraŽl in de dagen van de Filistijnen
twintig jaar lang.
 

16:1
Simson gaat naar Gaza;
hij ziet daar een vrouw aan die een hoer is
en komt bij haar binnen.
 

16:2
Als tot de Gazatieten wordt gezegd
'Simson is hierheen gekomen'
omringen zij hem
   en belagen ze hem heel de nacht
in de poort van de stad, zeggend:
vůůr het licht van de ochtend
hebben we hem omgebracht!
 

16:3
Simson slaapt tot halverwege de nacht;
halvernacht staat hij op,
maakt zich meester
van de deuren van de stadspoort
   en de twee posten,
rukt ze uit, met grendel en al
en legt ze op zijn schouders;
hij klimt ermee omhoog
   naar de top van de berg
die in het zicht van Hebron ligt.
 

16:4
Het geschiedt hierna
dat hij een vrouw liefkrijgt
   in het beekdal Soreek;
haar naam is Delila,- koningin van de nacht.
 

16:5
De tirannen der Filistijnen
   klimmen naar haar op
en zeggen tot haar: verleid hem
en zie waardoor zijn kracht zo groot is
en waardoor wij hem aankunnen;
boeien zullen wij hem dan
   om hem te bedwingen,
en wij, wij zullen aan jou geven
per man
elfhonderd sikkels zilver!
 

16:6
Dan zegt Delila tot Simson:
meld toch aan mij
waardoor je kracht zo groot is,-
waarmee je bent te boeien
   om je te bedwingen!
 

16:7
Simson zegt tot haar:
als ze mij boeien
met zeven verse pezen
   die niet verdroogd zijn,
zwak zal ik worden, en wezen
als elkeen van het mensdom!
 

16:8
Dan brengen ze haar als opgangsgave,
de tirannen der Filistijnen,
zeven verse pezen die niet verdroogd zijn,-
en zij boeit hem daarmee.
 

16:9
Terwijl de belager
bij haar zit in de binnenkamer,
zegt zij tot hem:
de Filistijnen over je, Simson!-
en hij verscheurt de pezen
zoals een snoer van grof vlas scheurt
zodra het vuur ruikt;
zijn kracht werd niet bekend.
 

16:10
Dan zegt Delila tot Simson:
zie, je hebt de gek met mij gestoken
en leugens tot mij gesproken;
meld nķ toch aan mij
waarmee je bent te boeien!
 

16:11
Hij zegt tot haar:
als ze mij in boeien boeien
   met nieuwe touwen,
waarmee nog geen werk is gedaan,-
zwak zal ik worden, en wezen
als elkeen van het mensdom!
 

16:12
Delila neemt nieuwe touwen
en boeit hem daarmee.
Dan zegt ze tot hem:
   de Filistijnen over je, Simson!,
terwijl de belager in de binnenkamer zit;
hij scheurt ze van zijn armen als een draad.
 

16:13
Dan zegt Delila tot Simson:
tot hiertoe heb je de gek met mij gestoken
en leugens tot mij gesproken;
meld mij
waarmee je bent te boeien!
Hij zegt tot haar:
als je
de zeven strengen van mijn hoofdhaar
verweeft met de schering van de weefstoel!
 

16:14
Zij stoot ze vast met de pin
en zegt tot hem:
de Filistijnen over je, Simson!-
hij schuilt wakker uit zijn slaap
en scheurt de pin
   van de weefstoel en de schering los.
 

16:15
Zij zegt tot hem:
hoe kun je zeggen 'ik heb je lief'
terwijl je hart niet bij me is?-
drie keren al heb je de gek met me gestoken
en mij niet gemeld
waardoor je kracht zo groot is!
 

16:16
En het geschiedt:
   als zij hem met haar woorden
alle dagen heeft benauwd
en een kwelling voor hem wordt,
wordt zijn ziel tot stervens toe mismoedig.
 

16:17
Hij meldt haar heel zijn hart
en zegt tot haar:
geen scheermes
   is ooit over mijn hoofd geklommen,
want een nazir,-
   een gewijde van God ben ik,
van de schoot van mijn moeder af;
als ik zou worden geschoren.
wijken zal dan van mij mijn kracht,
en zwak zal ik worden, en wezen
als heel het mensdom!
 

16:18
Dan ziet Delila in
dat hij haar heel zijn hart gemeld heeft;
zij zendt een bode,
laat de tirannen der Filistijnen roepen en zegt:
klimt ditmaal op,
want gemeld heeft hij mij heel zijn hart!
De tirannen der Filistijnen
   klimmen tot haar op
en klimmen op met het zilver in hun hand.
 

16:19
Zij laat hem inslapen tussen haar knieŽn,
roept de man
en scheert af
de zeven strengen van zijn hoofdhaar;
zo onderneemt zij het om hem te bedwingen
en wijkt zijn kracht van hem.
 

16:20
Ze zegt:
de Filistijnen over je, Simson!-
en hij wordt wakker uit zijn slaap
en zegt: ik ga naar buiten
zoals keer op keer en schud me los!-
hij weet niet
dat de Ene van hem is geweken.
 

16:21
Dan overmeesteren hem de Filistijnen
en steken ze hem de ogen uit;
ze laten hem afdalen naar Gaza
en boeien hem met dubbel koper;
hij wordt een maler
   in het huis van de geboeiden.
 

16:22
Maar zodra het afgeschoren is
begint zijn hoofdhaar weer uit te lopen.
 

16:23
De tirannen der Filistijnen
hebben zich verzameld
   om een groot offer te offeren
aan Dagon, hun god, en voor de vreugde;
zij zeggen:
onze god gaf ons in de hand
Simson, onze vijand!
 

16:24
Als ze hem zo zien, die gemeente,
loven ze hun god;
want, hebben ze gezegd:
onze god gaf ons in de hand
Simson, onze vijand,
de verwoester van ons land
die velen van ons heeft doorboord!
 

16:25
En het geschiedt als hun hart goedgestemd is,
dat ze zeggen:
roept Simson erbij, die kan ons laten lachen!
Ze roepen Simson erbij
   uit het huis van de geboeiden;
en hij wekt de lach op hun aanschijn;
wel laten ze hem tussen de zuilen staan.
 

16:26
Dan zegt Simson tot de jongen
die hem bij de hand houdt:
gun mij wat rust,
laat mij de zuilen betasten
waarop dit huis steunt,-
dan kan ik daartegen leunen!
 

16:27
Het huis
is vol mannen en vrouwen
en daarheen zijn ook gekomen
alle tirannen der Filistijnen;
op het dak
zo'n drie duizendtallen, man en vrouw,
die toezien bij het lachen om Simson.
 

16:28
Dan roept Simson tot de Ene en zegt:
mijn Heer, Ene,
gedenk mij toch
en maak mij
   toch slechts deze keer nog sterk,
o God,
dan zal ik mij voor mijn twee ogen
met ťťn enkele wraak
   op de Filistijnen wreken!
 

16:29
Simson omklemt de twee middelste zuilen
waarop het huis steunt
en leunt zwaar tegen hen aan,-
met ťťn in zijn rechterhand
   en ťťn in zijn linker.
 

16:30
Dan zegt Simson:
sterve mijn ziel samen met de Filistijnen!
Met kracht strekt hij zich uit
en het huis valt over de tirannen
en over heel de gemeente daarin;
zo worden de doden
   die hij heeft gedood bij zijn dood
er meer
dan hij heeft gedood bij zijn leven.
 

16:31
Zijn broers en heel het huis van zijn vader
dalen af en tillen hem op;
ze laten hem mee opklimmen
   en begraven hem
tussen Tsora en Esjtaol
in het graf van Manoach, zijn vader;
hij heeft IsraŽl gericht
twintig jaar lang.
 

17:1
Er is een man
uit het bergland van EfraÔm
wiens naam is: Michajehoe,-
   wie-als-de-ENE.
 

17:2
Hij zegt tot zijn moeder:
de elfhonderd zilverstukken
   die jou zijn ontnomen
en waarover jij een vervloeking hebt geuit
en ook voor mijn oren hebt gezegd,-
zie, dat zilver is bij mij,
   ik heb het weggenomen!
Zijn moeder zegt:
gezegend zij mijn zoon door de Ene!
 

17:3
Hij laat de elfhonderd zilverstukken
terugkeren tot zijn moeder,-
maar zijn moeder zegt:
heiligend heb ik dat zilver toegeheiligd
   aan de Ene voor mijn zoon
om er een snijbeeld
   en een gietbeeld van te maken,
dus laat ik het nu terugkeren tot jou!
 

17:4
Hij laat het zilver terugkeren tot zijn moeder;
zijn moeder neemt
   een dubbelhonderd zilverstukken
en geeft dat aan de smelter;
die maakt daaruit een snij- en gietbeeld
en dat komt in het huis van Michajehoe.
 

17:5
Zo heeft deze man Micha
een godshuis;
hij maakt een efod en terafiem,
vult
de hand van een van zijn zonen
en die wordt hem tot priester.
 

17:6
In die dagen
is er geen koning bij IsraŽl;
ieder doet wat recht is in zijn ogen.
 

17:7
Er is een jongen
uit Betlehem in Judea,
uit de familie van Juda;
hij is een Leviet en hij is daar zwerver-te-gast.
 

17:8
De man gaat op weg uit de stad,
uit Betlehem in Judea,
om zwerver-te-gast te zijn
   waar hij iets zal vinden,-
en komt aan in het gebergte van EfraÔm
bij het huis van Micha,
   om zijn weg te vervolgen.
 

17:9
Micha zegt tot hem: vanwaar kom je?-
en hij zegt tot hem: een Leviet ben ik
uit Betlehem in Judea,
en ik ben gaande
om zwerver-te-gast te zijn waar ik iets vind!
 

17:10
Dan zegt Micha tot hem: zetel hier met mij
en wees mij tot vader en priester;
ik zal je geven een tiental sikkels zilver
voor de feestdagen,
een reeks gewaden en je levensonderhoud!
De Leviet gaat mee
 

17:11
en bewilligt erin
   om ingezetene te worden bij de man;
zo wordt de jongen hem
als een van zijn zonen.
 

17:12
Micha vult de hand van de Leviet
en zo wordt de jongen hem tot priester;
hij wordt lid van het huis van Micha.
 

17:13
Micha zegt:
nķ weet ik
dat de Ene mij goed zal doen,-
omdat deze Leviet
   mij tot priester is geworden!
 

18:1
In die dagen
is er geen koning bij IsraŽl;
in die dagen
zoekt de stam van de Daniet
zich een erfdeel om zich neer te zetten,
want hem is tot op die dag
   geen erfdeel toegevallen
onder IsraŽls stammen.
••
 

18:2
De zonen van Dan zenden uit hun familie
vijf mannen uit hun grenzen,
mannen die zonen vol kracht zijn,
uit Tsora en Esjtaol,
om het land te verspieden
   en het te doorzoeken,
en ze zeggen tot hen:
gaat heen, doorzoekt het land!
Zo komen ze in het bergland van EfraÔm aan
bij het huis van Micha
en overnachten daar.
 

18:3
Zij, bij het huis van Micha,
zij hebben herkend
de stem van de jongen, de Leviet;
ze wijken daar van hun weg af
en zeggen tot hem:
   wie heeft jou hierheen doen komen,
wat doe je hier en wat heb je hier?
 

18:4
Hij zegt tot hem:
zus en zo
heeft Micha voor mij gedaan;
hij heeft mij gehuurd
en ik werd hem tot priester!
 

18:5
Zij zeggen tot hem: vraag toch God uit,-
dan zullen wij weten
of onze weg
waarover wij nu gaan, zal gelukken!
 

18:6
De priester zegt tot hen: gaat heen in vrede;
recht voor de Ene
ligt uw weg waarover gij wilt gaan!
 

18:7
Dan gaan de vijf mannen verder
en komen aan in Lajisj;
ze zien de gemeenschap in haar midden aan:
zetelend in veiligheid
   naar het recht van de TsidoniŽrs,
rustig en veilig,
zonder dat iemand
   het land met een woord beschaamt
als erfgenaam van macht;
ver van de TsidoniŽrs leven zij,
en met geen mens hebben zij een woord.
 

18:8
Ze komen weer aan bij hun broeders
in Tsora en Esjtaol;
hun broeders zeggen tot hen: wat zegt gij?
 

18:9
En zij zeggen:
sta op, laten we tegen hen opklimmen,
want we hebben het land bezien,
en zie, zťťr goed is het!-
gij blijft daar stil bij?-
aarzelt niet
om er heen te gaan, er binnen te komen,
om het land te beŽrven;
 

18:10
als ge er komt
komt ge binnen bij een gemeenschap
   die zich veilig voelt;
het land ligt ruim voorhanden
want God heeft het in uw hand gegeven;
een oord waar geen gebrek is
aan wat ook maar op aarde uit te spreken is!
 

18:11
Dan breken ze daarvandaan op,
   uit de stam van de Daniet,
uit Tsora en Esjtaol,-
zeshonderd man,
met oorlogstuig omgord.
 

18:12
Ze klimmen op
en legeren zich in Kirjat Jeariem in Juda;
daarom hebben ze voor dat oord uitgeroepen
'Machanee Dan',- legerkamp van Dan,
tot op deze dag;
zie,
achter Kirjat Jeariem.
 

18:13
Van daar steken ze over
   naar het bergland van EfraÔm,-
en komen tot bij het huis van Micha.
 

18:14
Dan antwoorden
de vijf mannen
die zijn heengegaan
   om het land Lajisj te verspieden
en zeggen tot hun broeders:
weet ge wel
dat er in deze huizen een efod is, en terafiem,
een snijbeeld en een gietbeeld?-
welnu, wťťt wat u te doen staat!
 

18:15
Ze wijken daarheen af
en komen in het huis van de jongen,
   de Leviet, het huis van Micha;
ze vragen hem naar zijn vrede.
 

18:16
De zeshonderd man
die met hun oorlogstuig omgord zijn
staan geposteerd in de opening van de poort,-
die uit de zonen van Dan.
 

18:17
Dan klimmen op:
de vijf mannen
die zijn heengegaan
   om het land te verspieden;
daarheen gekomen
hebben ze meegenomen
het snijbeeld en de efod,
de terafiem en het gietbeeld;
de priester
staat geposteerd in de opening van de poort,
evenals de zeshonderd man
omgord met oorlogstuig.
 

18:18
Als zij
zijn aangekomen in het huis van Micha
nemen ze het snijbeeld en de efod mee,
de terafiem en het gietbeeld;
de priester zegt tot hen:
wat zijt ge aan het doen?
 

18:19
Zij zeggen tot hem: zwijg,
   leg je hand op je mond,
ga met ons mee
en wees ons tot vader en tot priester;
wat is groter goed: dat je priester bent
voor het huis van ťťn man,
of dat je priester bent
voor een stam en familie uit IsraŽl?
 

18:20
Het hart van de priester raakt goedgestemd
en hij neemt de efod,
de terafiem en het snijbeeld,-
en komt daarmee
   in het midden van de manschap.
 

18:21
Ze wenden zich om en gaan heen;
ze zetten het kroost, de levende have
en alles van gewicht vůůr hun aanschijn.
 

18:22
Reeds zijn ze ver weg
   van het huis van Micha,-
als Micha en de mannen
die in de huizen wonen
   die bij het huis van Micha staan
bijeengeschreeuwd zijn
en de zonen van Dan aankleven.
 

18:23
Ze roepen naar de zonen van Dan
en die draaien hun aanschijn om;
ze zeggen tot Micha:
wat heb je dat je bijeengeschreeuwd bent?
 

18:24
Hij zegt:
mijn god die ik gemaakt heb
   hebt ge meegenomen,
en ook de priester, en nu gaat ge weg;
wat heb ik dan nog?-
en wat is dit dat ge tot mij zegt 'wat heb je'!
 

18:25
Maar de zonen van Dan zeggen tot hem:
laat je stem niet meer bij ons horen,-
anders zullen mannen bitter van ziel
u allen treffen
en kun je jouw ziel en de ziel van je huis
opvegen!
 

18:26
De zonen van Dan gaan huns weegs;
Micha ziet in
dat zij sterker zijn dan hij,
wendt zich om en keert terug naar zijn huis.
 

18:27
Zij, zij hebben dus wat Micha had gemaakt
meegenomen
en ook de priester die de zijne is geweest;
dan komen ze aan bij Lajisj,
een gemeenschap rustig en veilig,
en slaan hen met de bek van het zwaard;
de stad hebben ze verbrand in het vuur.
 

18:28
Niemand die redding brengt,
   want zij ligt ver van Tsidon,
en met geen mens hebben zij een woord;
zij lag in de vallei bij Bet Rechov;
ze herbouwen de stad en zetelen in haar.
 

18:29
Ze roepen als naam van de stad 'Dan' uit,
naar de naam van hun vader Dan,
degeen die aan IsraŽl is geboren;
eerder echter was 'Lajisj'
   de naam van de stad.
 

18:30
De zonen van Dan laten daar voor zich
het snijbeeld verrijzen;
en Jehonatan,
   zoon van Gersjom zoon van Manasse,
hij en zijn zonen
zijn priesters geworden
   voor de stam van de Daniet
tot op deze dag van ballingschap van het land.
 

18:31
Zij stellen voor zich op
het snijbeeld dat Micha heeft gemaakt,-
alle dagen dat het huis van God
   in Sjilo is geweest.
 

19:1
En het geschiedt in die dagen,
en er is geen koning in IsraŽl,-
het geschiedt, een man, een Leviet,
is zwerver-te-gast geworden
in de flanken van het bergland van EfraÔm
en neemt zich een vrouw, een bijvrouw,
uit Betlehem in Judea.
 

19:2
Maar zijn bijvrouw krijgt weerzin tegen hem
en gaat bij hem weg,
   naar het huis van haar vader,
naar Betlehem in Judea;
als zij de dagen van vier nieuwemanen
daar is,
 

19:3
staat haar man op en gaat haar achterna
om tot haar hart te spreken,
   om haar te doen terugkeren:
met hem mee zijn hulpjongen
   en een span ezels;
zij laat hem binnenkomen
   in het huis van haar vader,
en als de vader van het meisje hem ziet
treedt hij hem verheugd tegemoet.
 

19:4
Zijn schoonvader, de vader van het meisje,
houdt hem vast
en hij zit drie dagen naast hem;
ze eten en drinken
en allen overnachten daar.
 

19:5
Het geschiedt op de vierde dag:
vroeg in de ochtend rechten ze hun schouders
en hij staat op om weg te gaan;
maar dan zegt de vader van het meisje
   tot zijn schoonzoon:
schraag je hart met een bete broods
en daarna kunt ge gaan!
 

19:6
Zij zetten zich neer,
eten, zij tweeŽn tezamen, en drinken;
dan zegt de vader van het meisje tot de man:
bewillig toch, overnacht, laat je hart
goedgestemd zijn!
 

19:7
De man staat op om te gaan,-
maar zijn schoonvader dringt zo bij hem aan
dat hij omkeert en daar overnacht.
 

19:8
Op de vijfde dag recht hij vroeg in de ochtend
zijn schouders om te gaan,
maar de vader van het meisje zegt:
schraag toch je hart!
Ze talmen totdat de dag alweer neigt;
ze eten, zij tweeŽn.
 

19:9
Dan staat de man op om te gaan,
hijzelf, zijn bijvrouw en zijn hulpjongen;
maar zijn schoonvader,
   de vader van het meisje zegt:
zie toch, de dag verslapt, het wordt avond,
overnacht toch nog!-
zie, de dag legert zich, overnacht hier
en laat je hart goedgestemd zijn!-
morgen kunt ge vroeg uw schouders rechten
voor uw reis
en kun je teruggaan naar je tent!
 

19:10
Maar de man
   heeft niet meer willen overnachten;
hij staat op en gaat;
hij komt tot tegenover Jevoes,
dat is Jeruzalem;
met bij zich
het span ezels, gezadeld,
en zijn bijvrouw bij zich.
 

19:11
Als ze vlakbij Jevoes zijn
en de dag zeer ver is gedaald,-
zegt de jongen tot zijn heer:
ga toch mee, laten we uitwijken
naar deze stad van de Jeboesiet
en daarin overnachten!
 

19:12
Maar zijn heer zegt tot hem:
wij wijken niet uit
   naar een stad van vreemden,
die niet uit de zonen van IsraŽl zijn;
oversteken zullen we tot bij Gibea!
 

19:13
Hij zegt tot zijn hulpjongen:
ga mee,
   laten we ťťn van deze oorden naderen
en overnachten in Gibea of Rama!
 

19:14
Ze steken over en gaan er op aan;
de zonsondergang overkomt hen
naast Gibea, dat van Benjamin is.
 

19:15
Ze wijken daarheen uit
om aan te komen en te overnachten in Gibea;
hij komt binnen en gaat zitten
op het plein van de stad,
maar er is niemand
   die hen opneemt in zijn huis
om te overnachten.
 

19:16
Maar ziedaar, een oude man
komt van zijn bedoening,
   van het veld, in de avond,-
de man is uit het bergland van EfraÔm,
hij is zwerver-te-gast geworden in Gibea;
de mannen van dat oord zijn Benjaminieten.
 

19:17
Hij heft zijn ogen op
en ziet de man, de reiziger,
   op het plein van de stad;
dan zegt de oude man:
waarheen ga je en van waar kom je?
 

19:18
Hij zegt tot hem:
wij steken over
tot in de flanken
   van het bergland van EfraÔm,-
waar ik vandaan kom;
ik ging
naar Betlehem in Judea,-
en naar het huis van de Ene ga ik nu,
maar niemand
die mij opneemt in zijn huis,
 

19:19
hoewel onze ezels stro en voer hebben
en ik brood en wijn heb voor je slavin
en voor de jongen met jouw dienaars erbij;
er is geen gebrek aan welk woord ook maar!
 

19:20
Dan zegt de oude man: vrede voor jou!-
laat al wat je ontbreekt maar over aan mij;
en als je maar niet op het plein overnacht!
 

19:21
Hij laat hem komen in zijn huis
en voert de ezels;
ze mogen hun voeten wassen
en eten en drinken.
 

19:22
Maar terwijl zij hun hart tegoed doen,
ziedaar, de mannen van de stad,-
Belialszonen die mannen!-
hebben het huis omringd
en bonzen op de deur;
ze zeggen
tot de man, de heer des huizes, de oude,
ze zeggen:
breng de man
   die jouw huis is binnengekomen
naar buiten,
   dan kunnen wij kennis met hem maken!...
 

19:23
Maar de man, de heer des huizes,
gaat zelf naar buiten naar hen toe
en zegt tot hen:
nee, mijn broeders, begaat toch geen kwaad!-
na dat deze man
in mijn huis is gekomen
moet ge deze dwaasheid niet begaan!-
 

19:24
zie, mijn maagdelijke dochter,
   en zijn bijvrouw,
laat mij hťn toch naar buiten brengen,
vernedert hťn
en doet aan hen
wat goed is in uw ogen;
maar aan deze man moet ge
geen woord van deze dwaasheid doen!
 

19:25
Maar de mannen
   hebben niet naar hem willen horen;
dan grijpt de man zijn bijvrouw vast
en brengt haar naar hen naar buiten;
ze bekennen haar en misbruiken haar
heel de nacht, tot aan de ochtend;
ze zenden haar pas weg
   als de dageraad opklimt.
 

19:26
De vrouw komt aan
   tegen het wenden van de ochtend;
ze valt neer
in de opening van het huis van de man,
dat waar haar heer is,
en ligt daar totdat het licht wordt.
 

19:27
In de ochtend staat haar heer op,
opent de deuren van het huis
en komt naar buiten om zijns weegs te gaan;
ziedaar de vrouw, zijn bijvrouw!,
neergevallen in de opening van het huis,
haar handen op de drempel!
 

19:28
Hij zegt tot haar 'sta op, we moeten gaan',
maar geen antwoord;
dan neemt de man haar mee op de ezel,
hij staat op
en gaat terug naar zijn oord.
 

19:29
Hij komt aan in zijn huis,
neemt het etensmes, grijpt zijn bijvrouw vast
en deelt haar met beenderen en al
in twaalf delen;
hij zendt haar rond
door heel IsraŽls gebied.
 

19:30
En het geschiedde dat ieder die het zag
zei: nooit is iets geschied
   en nooit is iets gezien
als dit,
vanaf de dag
dat de zonen van IsraŽl zijn opgeklommen
uit het land Egypte
tot op deze dag;
legt het uzelf voor, beraadt u en spreekt!
 

20:1
Dan trekken alle zonen IsraŽl uit
en vergadert zich de samenkomst
als ťťn man,
van Dan tot BeŽer Sjeva
en het land van de Gilead,-
bij de Ene te Mitspa.
 

20:2
Dan posteren zich
de hoekstenen van heel de gemeente,
van alle stammen van IsraŽl
in een vergadering van de gemeente van God:
vierhonderdduizend man
   zwaardtrekkend voetvolk.
 

20:3
De zonen van Benjamin horen
dat de zonen van IsraŽl zijn opgeklommen
naar Mitspa;
de zonen van IsraŽl zeggen:
spreekt!-
   hoe heeft dit kwaad kunnen geschieden?!
 

20:4
Dan antwoordt de man, de Leviet,
de man van de vrouw die vermoord is,
   en zegt:
in Gibea dat van Benjamin is
kwam ik aan, ikzelf en mijn bijvrouw,
   om te overnachten;
 

20:5
maar de heren van Gibea
   stonden tegen mij op
en omringden 's nachts het huis
met kwaad in de zin tegen mij;
mij dachten ze om te brengen
maar ze hebben mijn bijvrouw zů vernederd
dat zij stierf;
 

20:6
ik greep mijn bijvrouw,
   deelde haar in stukken
en zond haar uit
door elk veld van IsraŽls erfdeel,-
omdat ze bij IsraŽl
schandalig en dwaas hebben gedaan;
 

20:7
ziehier, allen zijt gij zonen van IsraŽl;
zoekt zelf maar woord en raad hierover!
 

20:8
Dan staat heel de gemeente
als ťťn man op en zegt:
niet gaan we ieder naar zijn tent,
niet wijken we uit, ieder naar zijn huis!-
 

20:9
nu
is dit het woord
dat wij aan Gibea zullen doen:
op haar af volgens het lot!-
 

20:10
nemen zullen we tien mannen per honderdtal
van alle stammen van IsraŽl,
honderd per duizendtal
   en duizend per tienduizend
om proviand te halen voor de gemeente,-
om na hun aankomst aan Gibea van Benjamin
te doen
overeenkomstig al het dwaze
dat zij bij IsraŽl hebben gedaan!
 

20:11
Zo verzamelt zich
alle manvolk van IsraŽl tegen de stad,
als ťťn man verbonden.
 

20:12
Dan zenden
de stammen van IsraŽl mannen uit
door heel de stammen van Benjamin,
   om te zeggen:
wat is dit voor een kwaad
dat bij u geschied is?-
 

20:13
geeft die mannen,
   die Belialszonen uit Gilead, over,
zodat wij ze kunnen doden
en zo het kwaad uit IsraŽl wegbranden!
Maar die van Benjamin hebben niet willen
horen
naar de stem van hun broeders,
   de zonen van IsraŽl.
 

20:14
En de zonen van Benjamin verzamelen zich
uit hun steden naar Gibea
om uit te trekken
   voor oorlog met de zonen van IsraŽl.
 

20:15
De zonen van Benjamin die op die dag
uit de steden aanmonsteren
zijn zesentwintig duizendtallen
   zwaardtrekkend manvolk,-
nog niet meegerekend
   dat uit de ingezetenen van Gibea
hebben aangemonsterd:
zeven honderdtallen uitgelezen manvolk.
 

20:16
Uit heel de manschap
zeven honderdtallen uitgelezen manvolk
met een gebrek aan de rechterhand,-
maar al dezen
met de steen slingerend naar een haar
zonder te missen.
 

20:17
De mannen van IsraŽl
   die hebben aangemonsterd:
behalve uit Benjamin
vierhonderdduizend man zwaardtrekkend,-
al dezen zijn mannen van oorlog.
 

20:18
Ze staan op, klimmen op naar Bet El
en stellen een vraag aan God;
de zonen van IsraŽl zeggen:
wie zal voor ons als eerste opklimmen
ten oorlog met de zonen van Benjamin?
De Ene zegt: als eerste Juda!
 

20:19
In de ochtend staan de zonen van IsraŽl op,-
en legeren zich voor Gibea.
 

20:20
Het manvolk van IsraŽl trekt uit,
ten oorlog met Benjamin;
ze stellen zich op in slagorde,
   het manvolk van IsraŽl,
ten oorlog tegen Gibea.
 

20:21
Maar dan doen de zonen van Benjamin
   een uitval
uit Gibea,-
en stichten op die dag verderf bij IsraŽl:
tweeŽntwintigduizend man ter aarde.
 

20:22
De gemeente, het manvolk van IsraŽl,
voelt zich gesterkt;
ze gaan door en formeren
   een slagorde ten oorlog
op de plaats
waar ze een slagorde hebben geformeerd
op de eerste dag.
 

20:23
De zonen van IsraŽl klimmen op
en weeklagen tot aan de avond
voor het aanschijn van de Ene;
ze stellen de Ene een vraag en zeggen:
zal ik doorgaan
aan te treden voor de oorlog
met zonen van mijn broeder Benjamin?-
en de Ene zegt: klimt op tegen hen!
 

20:24
Dan naderen de zonen van IsraŽl
tot de zonen van Benjamin
op de tweede dag.
 

20:25
Vanuit Gibea trekt op die tweede dag
Benjamin uit, hun tegemoet;
ze stichten nogmaals verderf
   bij de zonen van IsraŽl:
achttienduizend man ter aarde,-
al dezen zijn zwaardtrekkers.
 

20:26
Dan klimmen alle zonen van IsraŽl
ja heel de gemeenschap, ůp
en komen aan in Bet El;
wenend zitten ze daar neer
voor het aanschijn van de Ene
en vasten op die dag tot aan de avond;
ze laten opgangsgaven opgaan
   en vredesgaven
voor het aanschijn van de Ene.
 

20:27
De zonen van IsraŽl
   stellen aan de Ene een vraag;
dŠŠr is immers
de ark van het verbond van God
in die dagen
 

20:28
en Pinchas, zoon van Elazar zoon van Ašron,
staat voor zijn aanschijn in die dagen;
ze zeggen:
zal ik doorgaan
   en nogmaals uittrekken ten oorlog
met de zonen van mijn broeder Benjamin,
of zal ik ophouden?
Maar de Ene zegt: klimt op,
want morgen geef ik hem in je hand!
 

20:29
Dan legt IsraŽl
tegen Gibea rondom hinderlagen.
 

20:30
Op de derde dag
   klimmen de zonen van IsraŽl op
tegen de zonen van Benjamin,-
en formeren ze een slagorde tegen Gibea
als keer op keer.
 

20:31
De zonen van Benjamin trekken uit,
de manschap tegemoet
en raken afgesneden van de stad;
ze beginnen
uit de manschap doorboorden neer te slaan
als keer op keer,
op de straatwegen
   waarvan er ťťn opklimt naar Bet El
en ťťn door het veld naar Gibea leidt,-
bij IsraŽl zo'n dertig man.
 

20:32
De zonen van Benjamin zeggen al:
die voor ons aanschijn zijn neergestoten
   zoals eerder!,
maar de zonen van IsraŽl hebben gezegd:
laten we vluchten en hen zo afsnijden
van de stad, de straatwegen op!
 

20:33
Alle manvolk van IsraŽl,
als ze zijn opgestaan uit hun schuilplaats
formeren ze een slagorde bij Bašl Tamar,-
terwijl IsraŽls hinderlaag
   opbreekt uit zijn schuilplaats,
uit de spelonk van Geva.
 

20:34
Zo komen er van tegenover Gibea
   uit heel IsraŽl
tien duizendtallen uitgelezen manvolk aan,
en de strijd wordt zwaar;
en zij weten niet
   dat het kwaad hen al aanraakt.
 

20:35
Dan stoot de Ene Benjamin neer
voor het aanschijn van IsraŽl;
de zonen van IsraŽl
   verderven bij Benjamin op die dag
vijfentwintigduizend en honderd man,-
al dezen zijn zwaardtrekkend.
 

20:36
De zonen van Benjamin zien in
   dat ze neergestoten zijn;
de mannen van IsraŽl
   geven plaats aan Benjamin
omdat ze zich veilig weten
   vanwege de hinderlaag
die ze voor Gibea hebben gelegd.
 

20:37
Die van de hinderlaag haasten zich
en verspreiden zich richting Gibea;
de hinderlaag rukt op
en slaat heel de stad
   met de bek van het zwaard.
 

20:38
De overeenkomst
van IsraŽls manvolk met die in de hinderlaag
is geweest:
te zwaard!,
wanneer zij de walm van de rook
   zouden laten opstijgen uit de stad.
 

20:39
Als IsraŽls manvolk zich omdraait in de strijd
en Benjamin
zo'n dertig man doorboorden
   begint neer te slaan
bij IsraŽls manvolk,
omdat, zeiden ze,
hij beslist omgestoten en neergestoten is
   voor ons aanschijn
als in de eerdere strijd,
 

20:40
begint de walm
uit de stad op te stijgen, een zuil van rook;
Benjamin wendt zich om, kijkt achter zich
en zie, heel de stad
   stijgt als een brandoffer op ten hemel.
 

20:41
IsraŽls manvolk heeft zich weer omgedraaid,
en het manvolk van Benjamin
   is verbijsterd,-
omdat het heeft gezien
dat het kwaad hen heeft aangeraakt.
 

20:42
Ze wenden zich
voor het aanschijn van IsraŽls manvolk om
naar de woestijnweg,
maar de strijd is hun blijven aankleven;
die uit de steden vernietigen hen ter plekke.
 

20:43
Ze hebben Benjamin ingesloten
   en hem achtervolgd,
zonder hem rust te gunnen
   hem de weg op gedreven
tot tegenover Gibea
   aan de kant van het gloren van de zon.
 

20:44
Er vallen van Benjamin
achttienduizend man,-
al dezen mannen van vermogen.
 

20:45
Zij wenden zich om
en vluchten de woestijn in
   tot aan de Rots van Rimon;
maar op de straatwegen daarheen
   ruimen zij nog
vijfduizend man op;
zij kleven hem achterna tot aan Gidom
en verslaan van hen tweeduizend man.
 

20:46
Zo wordt het totaal
   van de gevallenen uit Benjamin:
vijfentwintigduizend man zwaardtrekkers,
op die ene dag;
al dezen zijn mannen van vermogen.
 

20:47
Om wenden zich
en vluchten de woestijn in
   naar de Rots van Rimon:
zeshonderd man;
zij blijven zitten bij de Rots van Rimon
vier maanden lang.
 

20:48
Als de mannen van IsraŽl zijn teruggekeerd
naar de zonen van Benjamin
slaan zij hen met de bek van het zwaard,
van stad tot stad van mens tot dier
tot al wat er te vinden is;
ook hebben ze alle steden die te vinden waren
in de brand gestoken.
 

21:1
Het manvolk van IsraŽl
heeft bij Mitspa gezworen en gezegd:
een man van ons
zal zijn dochter
   niet aan Benjamin tot vrouw geven!
 

21:2
Maar nu komt de gemeente aan in Bet El
en zitten ze daar neer tot aan de avond,
voor het aanschijn van God;
ze verheffen hun stem
en wenen met groot geween.
 

21:3
Ze zeggen:
waarom, Ene, IsraŽls God
is dit in IsraŽl geschied,-
dat er heden
   ťťn stam uit IsraŽl wordt gemist?!
 

21:4
Het geschiedt de volgende morgen
dat zij, de gemeente, hun schouders rechten
en daar een altaar bouwen;
ze doen opgangsgaven opgaan
   en vredesgaven.
 

21:5
Dan zeggen de zonen van IsraŽl:
wie is er die niet ter vergadering is opgegaan
uit alle stammen van IsraŽl,
naar de Ene?-
want er is een dure eed geweest
dat wie niet zou opklimmen
   naar de Ene te Mitspa
-werd er gezegd- de dood zou sterven.
 

21:6
Maar nu spijt het de zonen van IsraŽl
voor hun broeder Benjamin;
ze zeggen:
weggebroken is vandaag ťťn stam uit IsraŽl!-
 

21:7
wat kunnen wij als het om vrouwen gaat
voor hen doen, voor de mannen?-
zelf hebben wij bij de Ene gezworen
om hun niemand
   van onze dochters tot vrouw te geven.
 

21:8
Dan zeggen ze:
wie is
die ene uit de stammen van IsraŽl
die niet is opgeklommen
   tot de Ene te Mitspa?
Ziedaar, uit Javeesj Gilead
   is geen man gekomen
naar het legerkamp, naar de vergadering.
 

21:9
Als de gemeente wordt gemonsterd,-
ziedaar, er is daar geen man
uit de ingezetenen van Javeesj Gilead.
 

21:10
Dan zenden ze, de samenkomst, daarheen
twaalfduizend man
   van de zonen van vermogen;
ze bevelen hen en zeggen:
gaat heen en slaat
de ingezetenen van Javeesj Gilead
met de bek van het zwaard!-
maar de vrouwen en het kroost...
 

21:11
en dit is het woord dat ge zult doen:
al wat mannelijk is
en elke vrouw
   die bekend is met de mannelijke bijligging
zult ge in de ban doen!
 

21:12
Ze vinden
uit de ingezetenen van Javeesj Gilead
vierhonderd keer een maagdelijk meisje
dat geen man gekend heeft
   in een mannelijke bijslaap;
hen laten zij komen
   in het legerkamp van Sjilo,
dat is het land van Kanašn.
••
 

21:13
Ze zenden, heel de samenkomst, bericht
en spreken tot de zonen van Benjamin
die op de Rots van Rimon zijn,-
en roepen hun 'vrede' toe.
 

21:14
Als in die tijd Benjamin terugkeert
geven ze aan hen de vrouwen
die ze hebben laten leven,-
uit de vrouwen van Javeesj Gilead;
maar zů zijn er voor hem
   niet genoeg geweest.
 

21:15
De gemeenschap
   kreeg deernis met Benjamin,-
omdat de Ene een bres gemaakt had
in de stammen van IsraŽl.
 

21:16
Dan zeggen de oudsten van de samenkomst:
wat kunnen we doen voor wie resteren
als het gaat om vrouwen?,
want het vrouwvolk is uit Benjamin verdelgd!
 

21:17
En, zeggen ze, het erfdeel van ontkomenen
is voor Benjamin!-
dat er geen stam uit IsraŽl wordt weggewist!-
 

21:18
maar wij,
wij zijn niet bij machte om aan hen
   vrouwen te geven uit onze dochters,-
want de zonen van IsraŽl hebben gezworen
en gezegd:
vervloekt
wie een vrouw weggeeft aan Benjamin!
••
 

21:19
Maar dan zeggen ze:
zie, er is een feest voor de Ene in Sjilo
van feestdagen tot feestdagen,-
en dat is
ten noorden van Bet El,
   aan de kant van zonsdageraad,
bij de straatweg
die opklimt van Bet El naar Sjechem,-
en ten zuiden van Levona.
 

21:20
Ze gebieden
de zonen van Benjamin en zeggen:
gaat heen,
   legt u een hinderlaag in de wijngaarden!,
 

21:21
en zult ge zien:
zie, als de dochters van Sjilo uittrekken
om in reien te reidansen,-
zult ge uit de wijngaarden trekken
en u ieder zijn vrouw schaken
uit de dochters van Sjilo;
gaan zult ge dan naar het land van Benjamin;
 

21:22
en zal het geschieden
dat hun vaders of hun broers aankomen
om tegen ons een geding te voeren,-
zeggen zullen wij dan tot hen:
   begenadigt hen,
want wij hebben niet ieder
   een vrouw kunnen nemen
in de strijd;
want gij hebt die niet zelf aan hen gegeven,
   dat gij
tegen deze tijd schuldig zoudt zijn
   aan een vergrijp!
••
 

21:23
Zo doen de zonen van Benjamin;
zij dragen vrouwen mee
   overeenkomstig hun eigen aantal
uit de reidans-danseressen
   die zij hebben geroofd;
ze gaan heen,
keren terug naar hun erfdeel,
herbouwen de steden,
en zetten zich daarin.
 

21:24
Ook de zonen van IsraŽl gaan weg van daar
in die tijd,
ieder naar zijn stam en zijn familie;
weggetrokken zijn ze van daar
ieder naar zijn erfdeel.
 

21:25
In die dagen
is er geen koning in IsraŽl;
ieder doet wat recht is in zijn ogen.