Instellingen

9


Abram breekt op,

voortgaande en opbrekend op de Negev aan.

10


Er geschiedt honger in het land;

Abram daalt af naar Egypte,
   om dáár zwerver-te-gast te zijn,

want zwaar weegt de honger in het land.

11


En het geschiedt:

met dat de aankomst in Egypte is genaderd
zegt hij tot Sarai,- vorstin voor mij, zijn vrouw:
zie toch, ik wéét
dat jij een vrouw bent schoon van aanzien;

12


geschieden zal het:

wanneer de Egyptenaren jou zullen aanzien
zullen ze zeggen ‘zijn vrouw is dat!’;
vermoorden zullen ze mij, en jóu laten leven!-

13


zeg toch dat je mijn zuster bent;

opdat het met mij goed mag gaan
   omwille van jou:

overleven zal mijn ziel ter wille van jou!

14


En het geschiedt,

zodra Abram in Egypte aankomt
dat de Egyptenaren de vrouw aanzien:
ja, schoon is zij, bovenmate!

15


De vorsten van Farao zien haar aan

en loven haar bij Farao,-
en de vrouw wordt opgenomen
   in het huis van Farao.

16


En aan Abram deed hij goed
   omwille van haar;

het wordt het zijne:
wolvee, rundvee en pakezels,
dienaars en slavinnen,
ezelmerries en kamelenhengsten.

17


Maar de Ene slaat Farao met grote slagen

en ook zijn huis
om reden van Sarai, Abrams vrouw.

18


Farao laat Abram roepen

en zegt:
wat is dit dat je mij hebt aangedaan?-
waarom heb je mij niet gemeld
dat zij je vrouw is?-

19


waarom heb je gezegd ‘mijn zuster is zij!’

zodat ik mij haar tot vrouw nam?-
welnu,
hier is je vrouw, neem haar mee en ga!

20


Farao gebiedt over hem mannen;

zij hebben hem, met zijn vrouw
   en met al het zijne heengezonden.