Instellingen

7


Dan gaan de ogen van hen twee├źn open

en onderkennen ze
dat ze ongekleed zijn, zij;
ze naaien loof van een vijg aaneen
en maken zich gordels.

8


Ze horen

de stem van de Ene, God,
   omgaan door de hof,
   in de geestesadem van die dag,

en de –rode– mens verschuilt zich,
   en zijn vrouw ook,

voor het aanschijn van de Ene, God,
te midden van het geboomte van de hof.

9


Dan roept de Ene, God,
   tot de –rode– mens
   en zegt tot hem: waar ben je?