Instellingen

2


Maar dan is* In dit hoofdstuk komt zestienmaal een vorm voor van het werkwoord hajah (met de betekenis ‘zijn’, ‘worden’, ‘geschieden’ en in vers 20 en 21 zelfs ‘komen’) dat nauwe verwantschap heeft met de Godsnaam JHWH, die in dit hoofdstuk achtmaal voorkomt. Zie ook Exodus 3. de Ene bij Jozef,

en die wordt een geslaagd man;
hij komt terecht
in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.

3


Dan ziet zijn heer

dat de Ene bij hem is;
en dat de Ene al wat hij doet
laat slagen door zijn hand.

4


Jozef vindt genade in zijn ogen
   en mag hem bedienen;

hij stelt hem aan over zijn huis,
en al wat hij heeft
   heeft hij hem in de hand gegeven.

5


En het geschiedt:

vanaf dat hij hem heeft aangesteld
   in zijn huis

en over al wat hij heeft,
zegent de Ene het huis van de Egyptenaar
   omwille van Jozef.

Zo geschiedt
de zegen van de Ene in al wat hij heeft,
in het huis en op het veld.

6


Al wat hij heeft laat hij achter

in de hand van Jozef,
en met hem naast zich
   weet hij van niets meer

dan van het brood dat hij eet.
Jozef wordt
schoon van gestalte en schoon van aanzien.

7


En het geschiedt

na deze woorden
dat de vrouw van zijn heer haar ogen
   opheft naar Jozef,

en zegt: slaap met mij!

8


Maar hij weigert!,

en zegt tot de vrouw van zijn heer:
ziehier, mijn heer
weet, met mij naast zich,
niet wat er in zijn huis omgaat;
al wat hij heeft,
   heeft hij mij in de hand gegeven;

9


hijzelf is niet groter in dit huis

dan ik,
en hij heeft mij niet wát dan ook onthouden
behalve u, omdat u zijn vrouw bent;
hoe kan ik dat nu doen, dit grote kwaad,
en zondigen voor God!

10


En het geschiedt:

hoewel zij Jozef dag in dag uit aanspreekt
heeft hij nooit gehoor aan haar gegeven
   om te liggen aan haar zijde,
   om samen te zijn met haar.

11


En het geschiedt op zo’n dag:

hij komt naar het huis om zijn werk te doen,
en geen man van de mannen van het huis is
   daar in huis.

12


Zij grijpt hem bij zijn gewaad en zegt:
   lig neer met mij!

Maar hij laat zijn gewaad achter
   in haar hand

en vlucht, gaat weg naar buiten.

13


En dan geschiedt het, als zij ziet

dat hij zijn gewaad in haar hand
   heeft achtergelaten,

en naar buiten is gevlucht:

14


zij roept

de mannen van haar huis
en zegt tot hen,- zegt:
ziet aan!-
doen komen heeft hij voor ons
   een Hebreeuwse man
   om ons uit te lachen,-

hij is tot me gekomen
   om met mij neer te liggen,

en ik roep met grote stem;

15


maar dan geschiedt het: met dat hij hoort

dat ik mijn stem verhef en roep,
laat hij zijn gewaad aan mijn zijde achter
en vlucht, gaat weg naar buiten!

16


Ze laat zijn gewaad liggen aan haar zijde:

tot de komst van zijn heer in zijn huis.

17


Dan richt ze het woord tot hem

in déze bewoordingen; ze zegt:
hij is bij mij gekomen!-
die dienaar, de Hebreeër,- oversteker-,
die jij voor ons hebt laten komen
   om ons uit te lachen!-

18


en het geschiedt:

met dat ik mijn stem verhef en roep,
laat hij zijn gewaad aan mijn zijde achter
   en vlucht naar buiten!

19


En het geschiedt: met dat zijn heer
   de woorden van zijn vrouw hoort

die zij tot hem heeft gesproken, als ze zegt
‘naar deze woorden
heeft hij aan mij gedaan,
   die dienaar van jou!’,

ontbrandt zijn toorn.