Instellingen

16


Dan ziet Jozef bij hen

Benjamin!,
en zegt tot wie over zijn huis gaat:
laat de mannen naar het huis komen;
slacht wat geslacht moet worden
   en bereid het,

want met míj
   zullen de mannen vanmiddag eten!

17


De man doet

zoals Jozef heeft gezegd;
de man laat de mannen
   komen naar het huis van Jozef.

18


Bevreesd worden de mannen,

omdat men ze heeft laten komen
naar het huis van Jozef!-
ze zeggen:
om reden van het zilver
   dat aanvankelijk is teruggekeerd
   in onze ransels

heeft hij ons hier laten komen!-
om ons te overrompelen en ons te overvallen
en ons als dienstknechten te nemen
   en onze ezels ook!

19


Ze treden nader tot de man

die gaat over het huis van Jozef;
ze spreken hem aan in de poort van het huis

20


en zeggen: ik bid u mijn heer!,

wij zijn aanvankelijk afdalend afgedaald
   om eten te kopen,

21


en wat geschiedt:

toen wij aankwamen bij het nachtverblijf
en onze ransels openmaakten:
ziedaar, ieders zilver
   in de mond van zijn ransel,

ons eigen zilver, in zijn volle gewicht!-
   we brengen het nu eigenhandig terug;

22


en ander zilver hebben we in onze hand
   mee doen afdalen
   om eten te kopen;

we weten niet
wie ons zilver in onze ransels heeft gestopt!

23


Maar hij zegt: vrede met u!, vreest niet!,

uw God en de God van uw vader
   heeft u een schat in uw ransels gegeven,-

uw zilver is bij mij binnengekomen!
En hij brengt tot hen naar buiten: Simeon!

24


Dan laat de man de mannen binnenkomen
   in het huis van Jozef;

hij geeft water zodat zij
   hun voeten kunnen wassen,

en hij geeft voer voor hun ezels.

25


Zij maken de broodgift gereed

voor de aankomst van Jozef in de middag;
want ze hebben gehoord
dat ze dáár het brood zullen eten.

26


Dan komt Jozef bij het huis aan

en zij komen tot hem met de broodgift
   die in hun hand is
   naar het huis;

ze buigen voor hem ter aarde.

27


Hij vraagt hun naar de vrede

en zegt:
is het vrede voor jullie vader, die oud is
   zoals jullie hebben gezegd?-

is hij nog in leven?

28


Zij zeggen:

het is vrede voor uw dienaar,
   voor onze vader,-

hij leeft nog!
Ze knielen en buigen.

29


Hij heft zijn ogen op

en ziet
Benjamin, zijn broer,
de zoon van zijn moeder,
en zegt:
is dit jullie broeder die de jongste is
zoals jullie tot mij hebt gezegd?-
en hij zegt:
God zij je genadig, mijn zoon!

30


Dan haast Jozef zich weg,

want alles in hem is ontroerd jegens
   zijn broer,

en hij zoekt een plek om te wenen;
hij weet in de binnenkamer te komen
en dáár weent.

31


Dan wast hij zijn aanschijn
   en gaat naar buiten;

hij houdt zich sterk
en zegt: zet het brood neer!

32


Ze zetten het neer,
   voor hém apart en voor hén apart;

én voor de Egyptenaren
die met hem eten apart,
want niet bij machte zijn de Egyptenaren
om met de Hebreeërs het brood te eten,
want een gruwel is dat voor Egypte.

33


Zo zitten ze voor zijn aanschijn:

de eersteling naar zijn eerstelingschap,
en de geringste naar zijn geringheid;
de mannen zijn ontsteld,
   alleman tegenover zijn naaste.

34


Hij deelt porties
   van wat voor zijn aanschijn staat

aan hen uit,
en de portie van Benjamin
is vijf handen groter dan hun aller portie!-
dan krijgen ze te drinken
   en worden ze samen met hem dronken!