Instellingen

1


Ziedaar, een man Gods

komt door het spreken van de Ene
   uit Juda aan in Bet El,-

terwijl Jerobeam bij het altaar staat
   om te wieroken.

2


Door het spreken van de Ene
   roept hij het altaar toe

en zegt: altaar?- wát altaar!,
zo heeft gezegd de Ene:
zie, een zoon
zal aan het huis van David worden geboren,
   Josjiahoe zal zijn naam zijn,

en offeren zal hij op jou
de priesters van de offerhoogten
   die op jou wieroken,

ja, mensenbeenderen
   zullen ze op jou verbranden!

3


Ook heeft hij op die dag een teken gegeven
   en gezegd:

dit is het teken
dat de Ene heeft gesproken:
zie, het altaar is gescheurd
en de as die er op lag is weggevloeid!

4


En het geschiedt
   met dat de koning
   het spreken van de man Gods

dat hij in Bet El tegen het altaar
   heeft geroepen, hóórt,

strekt Jerobeam van het altaar af zijn hand uit
   en zegt:

grijpt hem!
Maar zijn hand
   die hij tegen hem uitgestrekt heeft
   verstijft

en hij kan haar niet meer terugtrekken.

5


Het altaar is gescheurd

en de as vloeit van het altaar weg,-
overeenkomstig het teken
dat de man Gods heeft gegeven
   door het spreken van de Ene.

6


Dan zegt de koning ten antwoord
   tot de man Gods:

zoek toch de zachtheid van
het aanschijn van de Ene, uw God,
   en bid voor mij,

dat mijn hand naar mij terug mag keren!
Dan verzacht de man Gods
   het aanschijn van de Ene,

’s konings hand keert naar hem terug
en wordt als eerst.

7


Dan spreekt de koning tot de man Gods:

kom bij mij het huis in
   en laaf u,-

en ik zal u een gift geven!

8


Maar de man Gods
   zegt tot de koning:

al geeft u mij de helft van uw huis,
ik kom niet met u mee!-
ik zal geen hap brood eten
   en geen druppel water drinken

op deze plek!-

9


want zó is mij geboden en gezegd

door het spreken van de Ene:
je zult geen brood eten,
   en geen water drinken,

en niet terugkeren
langs de weg die je gegaan bent!

10


Dan gaat hij heen langs een andere weg,

hij is niet teruggekeerd langs de weg
waarlangs hij naar Bet El
   is gekomen.

11


Eén profeet,- overkomene, ouder al,

heeft zijn zetel in Bet El;
een zoon van hem komt thuis
   en vertelt hem van al het doen
   dat de man Gods vandaag heeft gedaan
   in Bet El:

de uitspraken die hij
   tot de koning heeft gesproken,

ze vertellen die aan hun vader.

12


Hun vader spreekt tot hen:

langs welke weg is hij gegáán?
Zijn zonen laten hem de weg zien
waarlangs de man Gods is gegaan
die gekomen is uit Juda.

13


Dan zegt hij tot zijn zonen:

zadelt mij de ezel!
Zij zadelen voor hem de ezel
dat hij daarop kan rijden.

14


Hij gaat

de man Gods achterna
en vindt hem
zittend onder de godseik;
hij zegt tot hem:
ben jij de man Gods
   die uit Juda is gekomen?,
   en hij zegt: dat ben ik!

15


Hij zegt tot hem:

ga met mij mee naar het huis,-
en eet mijn brood!

16


Maar hij zegt:

ik zal niet met je kunnen terugkeren
   en met je meekomen;

ik mag geen brood eten
en geen water met je drinken
in dit oord,

17


want er is tot mij gesproken
   in een spreken van de Ene:

je zult geen brood eten
en je zult daar geen water drinken!-
je zult bij je terugkeer niet gaan
langs de weg waarlangs je al bent gegaan!

18


Maar hij zegt tot hem:

ook ik ben een profeet, zoals jij;
een engel
   heeft tot mij gesproken
   in een spreken van de Ene en gezegd:

haal hem met je mee terug naar je huis
opdat hij brood eet en water drinkt!
Hij liegt dat tegen hem.

19


Hij keert met hem terug,

eet brood in zijn huis en drinkt water.

20


En het geschiedt:

terwijl zij aan tafel zitten,-

geschiedt het spreken van de Ene
aan de profeet die hem heeft laten terugkeren.

21


Hij roept

de man Gods toe
die uit Juda is gekomen en zegt:
zo heeft gezegd de Ene:
daarom
dat je de mond van de Ene hebt weerstaan
en niet bewaard hebt het gebod
dat de Ene, je God, je heeft geboden,

22


maar bent teruggekeerd

en brood eet en water drinkt
in het oord waarover ik tot jou
   gesproken heb:

‘eet er geen brood en drink er geen water’,-
daarom zal je lijk niet komen
   in het graf van je vaderen!

23


En het geschiedt

nadat ze brood hebben gegeten
   en nadat hij heeft gedronken,-

zadelt hij de ezel voor hem,
voor de profeet die hij heeft doen terugkeren.

24


Hij gaat heen,

maar onderweg
   weet een leeuw hem te vinden
   en doodt hem;

zo wordt het:
   zijn lijk ligt neergeworpen op de weg,

de ezel staat aan een zijde daarvan
en de leeuw
staat aan de andere zijde van het lijk.

25


Zie, mannen die voorbijkomen

zien het lijk neergeworpen liggen op de weg
en hoe de leeuw
staat terzijde van het lijk;
ze komen aan en spreken ervan in de stad
waarin de oude profeet zijn zetel heeft.

26


Als hij het hoort, de profeet die hem
   van zijn weg heeft teruggehaald,

zegt hij: de man Gods is dat!,
die de mond van de Ene heeft weerstaan:
de Ene heeft hem aan de leeuw gegeven,
die hem gebroken en gedood heeft,-
naar het spreken van de Ene
   dat hij tot hem heeft gesproken!

27


Hij spreekt tot zijn zonen en zegt:

zadelt mij de ezel!,
en zij zadelen die.

28


Hij gaat op weg

en vindt zijn lijk, neergeworpen op de weg,
en de ezel en de leeuw
staande terzijde van het lijk;
de leeuw heeft het lijk niet opgegeten
en de ezel niet gebroken.

29


De profeet tilt het lijk van de man Gods op,

legt het op de ezel en brengt het terug;
zo komt hij aan
in de stad van de oude profeet
om te weeklagen en om hem te begraven.

30


Hij legt zijn lijk in zijn eigen graf;

dan weeklagen ze over hem:
‘Wee, broer van mij!’