Instellingen

12


Toen heeft Salomo gezegd:

de Ene heeft gezegd
te willen wonen in de donkerheid,-

13


en bouwend
   heb ik u een huis ter woning gebouwd,-

een vaste plek, u tot zetel in eeuwigheden!

14


Dan draait de koning zijn aanschijn om

en zegent hij
heel de vergadering van Israël,-
terwijl heel de vergadering van Israël staat.

15


Hij zegt:

gezegend de Ene, Israëls God,
die met zijn mond heeft gesproken
met David, mijn vader,-
en het met zijn hand heeft vervuld,
   toen hij zei:

16


van de dag af

dat ik mijn gemeente Israël heb uitgeleid
   uit Egypte

heb ik uit alle stammen van Israël
nooit een stad uitgekozen
om er een huis te bouwen
waarin mijn naam aanwezig zou zijn;
maar ik koos David uit
om aanwezig te zijn
   over mijn gemeente Israël!-

17


en het werd

de hartenwens van David, mijn vader,-
een huis te bouwen
voor de naam van de Ene, Israëls God;

18


toen zei de Ene tot David, mijn vader:

omdat het je hartenwens is geworden
een huis te bouwen voor mijn naam,-
daar heb je goed aan gedaan
dat het je hartenwens is geworden!-

19


alleen zul jij

het huis niet bouwen;
wel een zoon van jou,
   een die uit je lendenen voortkomt,

die zal het huis bouwen voor mijn naam!-

20


en de Ene doet

zijn spreken gestand dat hij heeft gesproken:
dat ik zou opstaan
   in plaats van David, mijn vader,
   zou gaan zitten op Israëls troon

zoals de Ene heeft gesproken,
dat ik het huis zou bouwen
voor de naam van de Ene, Israëls God,

21


en daarin een plaats uitzetten voor de ark

met het verbond van de Ene daarin,-
dat hij heeft gesmeed met onze vaderen
toen hij hen uitleidde uit het land Egypte!
••

22


Dan gaat Salomo staan

voor het aanschijn
   van het altaar van de Ene

tegenover heel de vergadering van Israël,-
en spreidt zijn handpalmen uit ten hemel.

23


Hij zegt:


Ene,

God van Israël, geen is er God als gij
in de hemelen hierboven
en op de aarde beneden,-
die het verbond van de vriendschap bewaart
met uw dienaars
die met heel hun hart
   voor uw aanschijn wandelen;

24


die voor uw dienaar David, mijn vader,

bewaard hebt
wat ge tot hem hebt gesproken,-
ge hebt het gesproken met uw mond
   en met uw hand volvoerd
   zoals op deze dag blijkt;

25


nu dan,


Ene, Israëls God,

bewaar voor uw dienaar David, mijn vader,
   wat ge tot hem hebt gesproken, zeggend:

er zal bij jou geen man
   van voor mijn aanschijn
   worden weggesneden

die zit op Israëls troon,-
als maar je zonen met hun weg
   waakzaam zijn
   om voor mijn aanschijn te wandelen

zoals jij voor mijn aanschijn hebt gewandeld!-

26


nu dan, God van Israël,-

laat toch uw spreken worden bewaarheid
dat gij hebt gesproken tot uw dienaar
   David, mijn vader;

27


want zal het wáár worden,

dat God zal zetelen op de aarde?-
zie, de hemelen en de hemel der hemelen
   kunnen u niet bevatten,

en dan wel
dit huis dat ik heb gebouwd?-

28


maar wil u wenden
   naar het bidden van uw dienaar
   en naar zijn smeken, Ene, God-over-mij,-

ja horen naar de jubelroep en het bidden
waarmee uw dienaar tot uw aanschijn bidt
   vandaag:

29


mogen uw ogen geopend zijn
   over dit huis, nacht en dag,

over de plaats
waarvan gij gezegd hebt
‘mijn naam zal daar aanwezig zijn!’-
en wil horen naar het gebed
waarmee uw dienaar bidt
tot deze plaats;

30


hoor dan naar de smeking van uw dienaar
   en uw gemeente Israël

wanneer zij zullen bidden
   tot deze plaats;

Gij, wil horen,
in de plaats waar gij zetelt, in de hemelen,
verhoor dan en vergeef dan!-

31


wanneer iemand zondigt tegen zijn naaste

en die hem een vloekeed zal opleggen
   om hem zichzelf te laten vervloeken,-

en hij is gekomen
en heeft de vloekeed afgelegd
   voor het aanschijn van uw altaar
   in dit huis,-

32


gij, ten hemel, hoor dan,

doe het en doe uw dienaar recht,
door een boosdoener
   als boosdoener aan te wijzen,

door zijn weg te doen neerkomen
   op zijn hoofd,-

en door een rechtvaardige te rechtvaardigen
en over hem te doen komen
   naar zijn gerechtigheid!-

••

33


en als uw gemeente Israël

wordt geteisterd
   door de verschijning van een vijand
   omdat zij tegen u hebben gezondigd,-

en zij zullen omkeren
   en uw naam weer danken,

en zullen tot u bidden en smeken
   in dit huis,

34


gij, ten hemel, wil dan horen

en vergeving schenken
voor de zonde van uw gemeente Israël;
doe hen terugkeren naar de –rode– grond
die gij aan hun vaderen hebt gegeven!-
••

35


wanneer de hemel toegesloten blijft
   en er geen regen zal zijn
   omdat ze zondigen tegen u,-

en zij zullen bidden
tot deze plaats en uw naam danken,
van hun zonde zich zullen bekeren
   omdat gij hen hebt doen bukken,

36


gij, ten hemel, wil horen

en vergeving schenken
   voor de zonde van uw dienaars,
   uw gemeente Israël,

doordat gij hun de goede weg wijst
   waarover zij kunnen gaan;

geef dan regen over uw land
dat ge aan uw gemeente ten erfdeel
   hebt gegeven;

••

37


honger,

wanneer die in het land woedt,
pest, wanneer die woedt,
   korenbrand of honingdauw,
   sprinkhaan of kaalvreter, wanneer die er is,

wanneer een vijand hem benauwt
   in het land van zijn poorten,-

welke plaag ook of welke ziekte,

38


welk gebed ook en welke smeking ook

die er zal zijn bij welke mens ook maar,
bij heel uw gemeente Israël,-
omdat ze
per man de teistering van zijn hart kennen,-
en men dan zijn handpalmen zal uitspreiden
   naar dit huis,-

39


gij, ten hemel,

wil vanuit de plaats waar gij zetelt horen,
   vergeving schenken, handelen

en aan een ieder geven naar al zijn wegen,
gij die zijn hart kent,-
want gij alleen kent
het hart van alle mensenzonen,-

40


opdat zij u vrezen zullen,

al de dagen
dat zij in leven zullen zijn
   op het aanschijn van de –rode– grond,-

die ge aan onze vaderen hebt gegeven;

41


en ook aangaande de vreemdeling,

die niet uit uw gemeente Israël is:
zal hij uit een ver land aankomen,
   omwille van uw naam,-