| 1 | Wee jou, verdelger, zelf ben jij niet verdelgd, verrader die ze niet verraden hebben!- als je het verdelgen voltooid hebt zul je worden verdelgd, als je het verraden hebt voleindigd zullen ze jou verraden. ••
| |
| 2 |
Ene, wees ons genadig, op u hebben wij gehoopt,- wees ons een sterke arm alle morgens, ja de kracht die ons redt in tijd van benauwing! | |
| 3 | Voor de stem van gedruis zijn reeds gemeenschappen gevlucht,- toen gij u verhief stoven volkeren uiteen.
| |
| 4 | Roofgoed werd verzameld zoals de kaalvreter verzamelt,- zoals sprinkhanen zich op iets storten stortte hij zich erop.
| |
| 5 | Verheven is de Ene, want hij woont in den hoge; hij heeft Sion vervuld van recht en gerechtigheid.
| |
| 6 | Wezen zal hij het vertrouwen van je tijden, een weelde van heil, wijsheid, kennis,- ontzag voor de Ene is haar schat. ••
| |
| 7 | Zie, die van Ariël zullen schreeuwend de straat op gaan,- de boden van de vrede zullen bitter wenen.
| |
| 8 | Heirbanen liggen er verwilderd bij, wég is de voorbijganger op pad; hij heeft het verbond verbroken, de steden verworpen, met geen sterveling gerekend.
| |
| 9 | In rouw is het land, verlept, de Libanon is ontgoocheld, is verwelkt; de Sjaron is als de steppe geworden, kaalgeschud is Basan, en Karmel.
| |
| 10 | Nu zal ik opstaan, zegt de Ene,- nu mij oprichten, nu mij verheffen!
| |
| 11 | Jullie zijn zwanger van stro, baren stoppels,- uw geestesadem is een vuur dat u verteert!
| |
| 12 | Gemeenschappen worden verbrand tot kalk,- als afgehakte doornen zullen ze worden afgebrand. ••
| |
| 13 | Hoort, gij die verre zijt, wat ik heb gedaan,- kent, gij die nabij zijt, mijn kracht!
| |
| 14 | Op de Sion zullen zondaars verschrikt zijn, een beven zal gemene mensen bevangen; wie van ons kan te gast zijn bij een verterend vuur, wie van ons te gast zijn bij de eeuwige brandstapels?
| |
| 15 | Wie wandelt in gerechtigheden en spreekt in oprechtheid,- wie gewin uit afpersingen verwerpt, wie liever zijn handpalmen lamschudt dan dat hij steekpenningen aanpakt, liever zijn oor toestopt dan van bloedvergieten hoort, liever zijn ogen sluit dan kwaad ziet,
| |
| 16 | hij is het die mag wonen in den hoge, bergvestingen op steenrotsen zullen zijn hoog vertrek vormen,- zijn brood zal hem worden gegeven, op zijn water mag hij vertrouwen.
| |
| 17 | Een koning in zijn schoonheid zullen uw ogen aanschouwen,- een land van verste verten zullen zij zien.
| |
| 18 | Je hart zal de verschrikking overpeinzen: wáár is nu hij die alles telde, wáár de weger, wáár de teller van de torens?
| |
| 19 | Die manschap zo bruut zie je niet meer,- die gemeenschap met z’n diepe, niet aan te horen spraak, en die stamelende tong, niet te verstaan!
| |
| 20 | Aanschouw de Sion, de veste waar wij samenkomen,- laat je ogen Jeruzalem zien: een woonstee ongestoord, een tent die niet wordt opgebroken, zijn pinnen worden nimmermeer uitgerukt en geen van zijn touwen zal stuk worden getrokken.
| |
| 21 | Nee, daar is machtig de Ene over ons, in dat oord van wijd-handige rivieren en stromen,- waarover geen vloot van roeiers meer vaart, geen bark van een machtige oversteekt.
| |
| 22 | Want de Ene is onze rechter, de Ene stelt ons de wet, de Ene is onze koning, hij is onze redder.
| |
| 23 | Maar jouw lijnen hangen dan los,- zij houden hun mast niet in zijn voetstuk, spreiden geen vaandel uit; dan zal een blinde een overvloed aan roofgoed verdelen, lammen zullen zich van buit meester maken.
| |
| 24 | Geen inwoner zal zeggen ‘ik ben ziek’: van de gemeente die daar zetelt is de ongerechtigheid gedragen.
| |