Instellingen

1


Zo heeft gezegd de Ene:

waakt voor recht en doet gerechtigheid,-
want mijn heil is nabij om te komen,
mijn gerechtigheid om zich te onthullen!

2


Zalig de sterveling die dit doet,

de mensenzoon die daaraan vasthoudt!-
die waakt over de sabbat
   dat hij die niet ontwijdt,

waakt over zijn hand
   voor het doen van welk kwaad dan ook!

••

3


Laat de zoon van de vreemdeling niet zeggen,

die zich aansloot bij de Ene niet zeggen:
scheiding makend scheidt de Ene mij af
   van zijn gemeente!,

en laat de ontmande niet zeggen:
zie, ik ben een dorre boom!
••

4


Want zo heeft gezegd de Ene:

aan de ontmanden
   die mijn sabbatten zullen bewaren,

die gekozen hebben voor wat mij behaagt,-
en vasthouden aan mijn verbond,

5


aan hen zal ik geven in mijn huis,
   binnen mijn muren,
   een hand en een naam,

als groter goed dan zonen en dochters;
een eeuwige naam geef ik hem,
die niet zal worden weggemaaid.
••

6


En de zonen van de vreemdeling

die zich hebben aangesloten bij de Ene
   om in zijn eredienst te staan,

de naam van de Ene lief te hebben
en hem tot dienaars te zijn,-
al wie over de sabbat waakt
   dat hij hem niet ontwijdt,

wie vasthouden aan mijn verbond,

7


doen komen zal ik hen

naar de berg van mijn heiligdom
en verheugen zal ik hen
   in mijn huis van gebed;

hun opgangsgaven en hun offers
   zullen welgevallig zijn op mijn offersteen,-

ja, mijn huis
zal tot huis van gebed worden uitgeroepen
   voor alle gemeenschappen!-

8


is de tijding van mijn Heer, de Ene,-

die Israëls verdrevenen bijeenbrengt:
bij wie al zijn bijeengebracht
zal ik nog meer bijeenbrengen!-

9


al wat in het wild leeft op het veld,-

genaakt
om te eten,
   al wat in het wild leeft in het woud!

••

10


Zijn verspieders:

blind zijn zij allen en weten niets,
allen zijn zij met stomheid geslagen honden,
niet in staat om te blaffen;
hardop dromend liggen ze neer,
sluimeren, dat doen ze het liefst!

11


Zielsvraatzuchtig zijn die honden,

van verzadiging weten zij niet,
herders zijn zij
die niet weten te onderscheiden;
allen hebben zij zich gewend
   naar hun eigen weg,

ieder naar zijn gewin, tot op het uiterste.

12


‘Genaakt, ik zal wijn halen,
   we gaan ons bezuipen aan de sterke drank!-

de dag van morgen zal zijn
   als die van vandaag:

groots, mateloos overdadig!’