Instellingen

1


Sta op, word verlicht,

want je licht is gekomen:
de glorie van de Ene is over je opgegaan!

2


Want zie, het duister bedekt wel de aarde

en donkerheid de natiën,-
maar over jou zal de Ene opdagen,
zijn glorie wordt over jou zichtbaar.

3


Volkeren zullen op weg gaan naar jouw licht,

koningen naar de glans van jouw dageraad.

4


Hef rondom je ogen op en zie:

allen lopen ze te hoop, gekomen voor jou!-
je zonen komen aan van verre,
je dochters
   zijn welbewaard op een wagen* Of: op een flank..

5


Dan, als je het ziet, zul je strálen,

opschrikken en wijd worden zal je hart,-
want het rumoer van de zee rolt over je heen,
een macht volkeren, ze komen tot jou!

6


Een overvloed van kamelen
   zal je overdekken,

eerstelingsdieren van Midjan en Efa,
uit Sjeva zullen zij allen komen;
goud en wierook dragen ze mee,
lofprijzingen voor de Ene boodschappen zij.

7


Alle wolvee van Kedar,
   ze worden verzameld voor jou,

de rammen van Nevajot staan jou ten dienste,
ze beklimmen met welbehagen mijn altaar,
het huis van mijn luister maak ik luisterrijk.

8


Wie komen daar aangevlogen
   als een wolkendek,

als duiven tot hun tillen?

9


Want op mij hopen de kustlanden,-

de schepen van Tarsjiesj voorop,
om je zonen te doen komen van verre,
met hun zilver en hun goud bij zich,-
tot de naam van de Ene, je God,
tot de Heilige van Israël,
omdat hij je luister verleent.

10


Zonen, opgebouwd in den vreemde,

bouwen jouw muren op,
hun koningen staan jou ten dienste;
want in mijn toorn heb ik je geslagen,
maar in mijn welbehagen
   heb ik mij over je ontfermd.

11


Voortdurend zullen je poorten openstaan,

dag en nacht worden ze niet meer gesloten;
om tot jou te laten komen
   een macht aan volkeren,

terwijl hun koningen hen begeleiden.

12


Want het volk en het koninkrijk
   die jou niet dienen gaan verloren,

die volken worden volledig verdelgd.

13


De glorie van de Libanon
   zal tot jou komen,

cipres, plataan en spar tezamen,-
om op te luisteren het oord
   waar mijn heiligdom is,-

het oord waar mijn voetstappen staan
   schenk ik glorie.

14


Ineengedoken gaan ze naar jou op weg,
   de zonen van je verdrukkers,

buigen zullen voor de holten van je voeten
   al wie jou hoonden,-

en tot jou roepen: stad van de Ene,
Sion van de Heilige van Israël!

15


In plaats van dat jij een verlatene bent,
   een gehate -en geen die te hulp komt-

maak ik jou tot een trots voor eeuwig,
een verrukking geslacht na geslacht.

16


Opzuigen mag je de melk der volkeren,

aan de borst van koningen mag je zuigen;
weten zul je
dat ik, de Ene, je redder ben,
je verlosser, de Geweldige van Jakob.

17


In plaats van koper breng ik goud binnen,

in plaats van ijzer breng ik zilver,
in plaats van boomstammen koper,
in plaats van stenen ijzer;
  

als je regering stel ik vrede aan,
als je drijvers gerechtigheid.

18


Niet meer zal worden gehoord
   van geweld in je land,

van verwoesting en verbrijzeling in je gebied;
je muren roep je uit tot redding,
je poorten tot lofzang.

19


Voor jou hoeft de zon er niet meer te wezen
   voor het licht overdag

en voor glans
hoeft de maan je niet bij te lichten;
wezen zal voor jou de Ene
   tot licht voor eeuwig,

je God wordt je luister.

20


Je zon zal niet meer ondergaan,

je maan niet meer afnemen,-
want de Ene
zal voor jou wezen tot licht voor eeuwig;
veranderd in vrede
   worden de dagen van je rouw.

21


Je mensengemeenschap,-
   allen zijn zij rechtvaardigen,

voor eeuwig zullen zij land beërven;
gesproten uit mijn plantingen,
   maaksel van mijn handen,
   bestemd voor luister!

22


De kleinste zal worden tot een duizendtal,

de geringste tot een volk vol kracht:
ik, de Ene,-
wanneer het haar tijd is
   zal ik het snel volvoeren.