| 1 | Hoort het woord dat de Ene over u gesproken heeft, huis van Israël!
| |
| 2 | Zó heeft gezegd de Ene: aan de weg der volkeren moet ge niet wennen en van de tekenen aan de hemel niet ontsteld raken,- ook al raken de volkeren daarvan ontsteld.
| |
| 3 | Want de ingesleten gewoonte van die gemeenschappen, enkel ijlheid is dat,- omdat ze een stuk hout uit het bos hebben gekapt, maaksel van werkmanshanden met de bijl.
| |
| 4 | Met zilver en goud maken ze het mooi,- met spijkers en hamer zetten ze het vast, dan waggelt het niet.
| |
| 5 | Als een staak in een moestuin staan ze daar en spreken ze niet; dragen?- gedragen moeten ze worden want zelf voortschrijden kunnen ze niet,- maar vreest niet voor hen, want kwaad kunnen ze niet, maar ook goeddoen is er bij hen niet bij! ••
| |
| 6 | Géén is als gij, Ene,- groot zijt gij en groot is uw naam in heldenkracht!
| |
| 7 | Wie zou u niet vrezen, koning der volkeren?- want u komt het toe; want onder alle wijzen der volkeren en in al hun koninkrijken is er géén als gij;
| |
| 8 | eendrachtig zijn zij dom en dwaas: wat ijlheden moet afstraffen, een stuk hout is dat!
| |
| 9 | Geplet zilver laat men komen uit Tarsjiesj, en goud uit Oefaz, maaksel van een vakman, van de handen van een goudsmid; hemelsblauw en roodpurper is hun kleed, maaksel van kundige en wijze mannen zijn zij geheel en al.
| |
| 10 | Maar de Ene is waarachtig God, hij is een levende God en een eeuwig koning; van zijn gramschap beeft de aarde, volkeren kunnen zijn grimmigheid niet aan. ••
| |
| 11 | Aldus zult ge tot hen zeggen: de goden die hemel en aarde niet hebben gemaakt,- zij zullen vergaan van de aarde en van onder de hemel! ••
| |
| 12 | Maar hij heeft de aarde gemaakt met zijn kracht, met zijn wijsheid de wereld welgegrond,- en met zijn onderscheidingsvermogen de hemelen uitgespreid.
| |
| 13 | Als hij zijn stem doet horen is er een gedreun van waterstromen in de hemel en laat hij nevels opstijgen aan de rand van de aarde; bij de regen heeft hij bliksems gemaakt en uit zijn schatkamers brengt hij de wind tevoorschijn.
| |
| 14 | Verstomd staat dan elk mens, hij weet eigenlijk niets, beschaamd is elke goudsmid voor zijn snijbeeld; ja, een leugen is zijn gietwerk, ze missen een geestesadem.
| |
| 15 | Enkel ijlheid zijn zij, een bespottelijk maaksel; ten tijde dat zij worden bezocht zullen zij vergaan.
| |
| 16 | Maar niet als zij is het deel van Jakob, nee, hij is de formeerder van alles, en Israël is de stam die zijn erfdeel is; ‘Ene, Omschaarde!’ is zijn naam. ••
| |
| 17 | Verzamel van de aarde je reisgoed,- vrouwe die neerzit in benauwing! ••
| |
| 18 | Want zo heeft gezegd de Ene: zie, ik slinger ze weg, deze keer, de ingezetenen van het land; ik breng hen in het nauw totdat ze mij zullen vinden! ••
| |
| 19 | Wee mij, ik ben gebroken, ziek van de slag die mij trof!- al heb ik gezegd: echt, ík ben ziek en ik zal het dragen!
| |
| 20 | Maar mijn tent is vernield, al mijn lijnen zijn stuk; mijn zonen zijn van mij heengegaan, geen van hen is er meer, geen die nog mijn tent uitspant en mijn tentkleden laat oprijzen!
| |
| 21 | Want de herders zijn dom geweest, hebben de Ene niet gezocht; zodoende hadden ze geen inzicht meer en is alles van hun weide verstrooid. ••
| |
| 22 | Een geluid is hoorbaar, zie het komt: een groot beven uit het noordelijke land,- om van de steden van Juda te maken een woestenij, een woonstee van draken. ••
| |
| 23 | Ik weet het nu, Ene, dat het niet aan de mens is wat zijn weg wordt,- niet aan iemand zelf om voort te gaan en zijn schreden te richten.
| |
| 24 | Kastijd mij, Ene!- echter naar recht,- niet naar uw toorn, anders laat ge weinig van mij over!
| |
| 25 | Stort uw gramschap uit over de volkeren die U miskennen, over geslachten die uw naam niet hebben aangeroepen; want zij hebben Jakob verslonden, hebben hem verslonden en verteerd en zijn oase verwoest. •
| |