| 1 | Zó heeft gezegd de Ene: zie, ik laat over Babel en tegen de ingezetenen van ‘Hart-van-mijn-tegenstanders’,- een verdervende storm opsteken,
| |
| 2 | en zal naar Babel wanners zenden die haar zullen wannen en haar land zullen uitschudden; want ze zullen van rondom haar overvallen op de dag van het kwaad.
| |
| 3 | Laat niet op weg gaan hij die weg weet met zijn boog, en laat hij niet in zijn pantser klimmen; spaart haar jonge mannen niet, slaat heel haar strijdschaar met de ban!
| |
| 4 | Vallen zullen doorboorden in het land van de Kasdiem,- zwaargewonden in haar straten.
| |
| 5 | Maar Israël, en ook Juda, wordt niet als weduwe achtergelaten door zijn God, door de Ene, de Omschaarde,- al is hun land vol van schuld tegenover Israëls Heilige.
| |
| 6 | Vlucht weg uit Babel, laat ieder zijn ziel helpen ontsnappen, laat u niet tot eeuwig zwijgen brengen door haar ongerechtigheid!- want dit is voor de Ene de tijd van wraak, wat is volvoerd gaat hij haar vergelden.
| |
| 7 | Een gouden beker was Babel in de hand van de Ene, die heel de aarde dronken maakte; van haar wijn hebben volkeren gedronken en zodoende zijn volkeren dol geworden.
| |
| 8 | Plotseling is Babel gevallen en brak het; huilt nu over haar, haalt balsem voor haar smart, misschien geneest zij!
| |
| 9 | Wij trachtten Babel te genezen, maar zij was niet te genezen; laat haar nu maar, laten we gaan, ieder naar zijn land!, want tot in de hemel reikt het gericht over haar, het is verheven tot aan de wolken.
| |
| 10 | Gerechtigheid voor ons heeft de Ene naar voren gebracht,- komt, laten we in Sion gaan vertellen deze daad van de Ene, onze God!
| |
| 11 | Scherpt de pijlen, vult de kokers!- opgewekt heeft de Ene de geest van de koningen van Medië, want over Babel heeft hij het plan om het te vernietigen; ja, dat is de wraak van de Ene, de wraak voor zijn paleis!
| |
| 12 | Heft een banier op voor de muren van Babel, versterkt de bewaking, laten er wachters staan, legt troepen in hinderlaag,- want zoals de Ene van plan was, zo zal hij doen al wat hij heeft gesproken over de ingezetenen van Babel.
| |
| 13 | Je woonde aan een overvloed van waterstromen, een overvloed van schatten; nu is je einde gekomen, de ellemaat waarop je wordt afgeknipt!
| |
| 14 | Gezworen heeft de Ene, de Omschaarde, bij zijn eigen ziel: al heb ik je met mensen gevuld als met graskevers, ze zullen over jou aanheffen ‘stampen maar!’ ••
| |
| 15 | Hij heeft de aarde gemaakt met zijn kracht, met zijn wijsheid de wereld welgegrond,- en met zijn onderscheidingsvermogen de hemelen uitgespreid.
| |
| 16 | Als hij zijn stem doet horen is er een gedreun van waterstromen in de hemel en laat hij nevels opstijgen vanaf de rand van de aarde; bij de regen heeft hij bliksems gemaakt en uit zijn schatkamers brengt hij wind tevoorschijn.
| |
| 17 | Verstomd staat dan elk mens, hij weet eigenlijk niets, beschaamd is elke goudsmid voor zijn snijbeeld; ja, leugen is zijn gietwerk, ze missen geestesadem.
| |
| 18 | Enkel ijlheid zijn zij, een bespottelijk maaksel; ten tijde dat zij worden bezocht zullen zij vergaan.
| |
| 19 | Maar niet als zij is het deel van Jakob, want hij is de formeerder van alles, van de stam die het erfdeel is,- ‘Ene, Omschaarde’ is zijn naam! ••
| |
| 20 | Een plethamer was jij voor mij, een oorlogsmachine; ik verpletterde met jou volkeren, vernietigde met jou koninkrijken.
| |
| 21 | Ik verpletterde met jou een paard en zijn ruiter,- ik verpletterde met jou een wagen en zijn berijder.
| |
| 22 | Ik verpletterde met jou man en vrouw, ik verpletterde met jou grijsaard en jongeling,- ik verpletterde met jou jonge man en jonge meid.
| |
| 23 | Ik verpletterde met jou een herder en zijn kudde, ik verpletterde met jou een akkerman en zijn gespan; ik verpletterde met jou stadhouders en plaatsvervangers.
| |
| 24 | Maar vergelden zal ik aan Babel en aan alle ingezetenen van Kasdiem al het kwaad dat zij in Sion hebben gedaan, voor uw ogen,- is de tijding van de Ene. ••
| |
| 25 | Zie, ik kom op je af, berg van verderf, is de tijding van de Ene, die heel de aarde verderft,- ik zal mijn hand uitstrekken tegen jou, ik zal je van de rotsblokken omlaag rollen en je als berg prijsgeven aan brand.
| |
| 26 | Ze zullen uit jou geen hoeksteen meer nemen of gesteente voor funderingen,- want een eeuwige woestenij zul je worden, is de tijding van de Ene.
| |
| 27 | Hijst een banier op de aarde, blaast bij de volkeren de bazuin, heiligt volkeren tegen haar, laat tegen haar gehoorzamen de koninkrijken van Ararat, Mini en Asjkenaz; stelt een satraap over haar aan, laat tegen haar paarden oprukken als borstelige graskevers!
| |
| 28 | Heiligt volkeren tegen haar, de koningen van Medië, haar stadhouders, al haar plaatsbekleders,- heel het land van hun heerschappij.
| |
| 29 | Dan zal de aarde beven en kronkelen van pijn,- omdat tegen Babel is opgestaan elk van de gedachten van de Ene om het land van Babel te maken tot een woestenij waar niemand meer zit.
| |
| 30 | Babels helden houden op met oorlogvoeren, blijven zitten in de burchten, verschrompeld is hun heldhaftigheid, ze zijn tot verschrompelde vrouwtjes geworden; hun woningen worden in brand gestoken, hun sluitbalken gebroken.
| |