Instellingen

1


Ik zie toe,

en ziedaar, boven het gewelf dat
   boven het hoofd van de cheroeviem is

iets als saffiersteen, dat met het aanzien
als de gedaante van een troon;
boven hem heeft hij zich laten zien.

2


Hij zegt tot de man gekleed in het linnen,-

hij zegt: kom in de tussenruimte bij de wielen
   onder de cheroev

en vul je vuisten met vurige kolen
   uit de tussenruimte bij de cheroeviem

en strooi die uit over de stad!
Voor mijn ogen komt hij binnen.

3


De cheroeviem

staan rechts van het huis
   als de man er binnenkomt;

de Wolk heeft de binnenste voorhof vervuld.

4


Dan verheft de glorie van de Ene zich,
   boven de cheroev vandaan

naar de dorpel van het huis;
het huis vult zich met de Wolk
en de voorhof is vol geworden
van de glans van de glorie van de Ene.

5


Het geluid van de vleugels van de cheroeviem

is te horen geweest
tot aan de buitenste voorhof:
als van God-overmachtig wanneer hij spreekt.

6


Het geschiedt

als hij de man gekleed in het linnen gebiedt
   en zegt:

neem vuur mee
   uit de tussenruimte van de wielen,

uit de tussenruimte bij de cheroeviem,-
dat hij binnenkomt en blijft staan
naast het raderwerk.

7


Dan strekt de cheroev zijn hand uit,
   vanuit de tussenruimte bij de cheroeviem

naar het vuur
   in de tussenruimte van de cheroeviem,

tilt daaruit op en geeft dat
hem gekleed in het linnen in de vuisten;
die neemt het aan en gaat daar weg.

8


Bij de cheroeviem is dan te zien:

de gedaante van een mensenhand,
onder hun vleugels.

9


Ik zie toe,

en ziedaar,
   vier raderen terzijde van de cheroeviem;

één rad
terzijde van de ene cheroev
en één rad
terzijde van de andere cheroev;
de raderen zien er uit
zoals turkoois-gesteente oogt.

10


Om te zien

hebben zij vieren éénzelfde gedaante,
het is alsof er een rad is midden in het rad.

11


Als zij gaan

gaan zij op hun vier vierkantskanten aan,
ze draaien niet om als ze gaan;
want de plaats
waarheen het hoofd zich wendt,
   die gaan zij achterna,

zij draaien niet om als ze gaan.

12


Heel hun lichaam en hun ruggen,

hun handen en hun vleugels,
en ook de raderen,
zijn rondom vol ogen
over die vier raderen.

13


Tot de raderen,-

tot hen werd voor mijn oren ‘wiel’ geroepen.

14


Vier gelaten heeft elkeen;

het gelaat van de eerste
   is het gelaat van de cheroev;

het gelaat van de tweede
   is het gelaat van een mens,

het derde het gelaat van een leeuw
en het vierde het gelaat van een adelaar.

15


Dan verheffen zich de cheroeviem;

dit is het levende wezen
dat ik heb gezien bij de rivier de Kevar.

16


Als de cheroeviem gaan,

gaan de raderen terzijde van hen mee;
als de cheroeviem hun vleugels optillen
om zich van op aarde te verheffen
draaien de raderen, ook zij, niet weg
   van terzijde van hen!

17


Als die stilstaan, staan zij óók stil,

als die zich verheffen,
   verheffen zij zich mét hen,-

want in hen is de geest van elk levend wezen.

18


Dan gaat de glorie van de Ene weg

van boven de dorpel van het huis;
hij gaat weer staan boven de cheroeviem.

19


De cheroeviem tillen hun vleugels op
   en verheffen zich
   voor mijn ogen van de aarde
   als ze weggaan,

en de raderen tegelijk met hen;
elk blijft staan
in de ingang van de oostelijke poort
   van het huis van de Ene

met de glorie van de God van Israël
   boven hen,
   bovenaan.

20


Dit is het levende wezen

dat ik heb gezien onder Israëls God
   bij de rivier de Kevar;

nu weet ik
dat het cheroeviem zijn, een viertal.

21


Vier gelaten heeft elkeen

en vier vleugels heeft elkeen,-
met de gedaante van handen van een mens
onder hun vleugels.

22


De gedaante van hun gelaten?-

het zijn de gelaten
die ik heb gezien aan de rivier de Kevar,
hoe zij eruitzien en henzelf;
ieder naar wat recht voor zijn gelaat ligt
   gaan zij voort.