Instellingen

1


Een geestesadem tilt mij op

en laat mij komen in de oostelijke poort
   van het huis van de Ene
   die naar het oosten gewend is,

en ziedaar in de ingang van de poort
vijfentwintig man;
onder hen zie ik
   Jaäzanja, zoon van Azoer,
   en Pelatjahoe, zoon van Benajahoe,
   de oversten van de gemeenschap.

2


Hij zegt tot mij:

mensenzoon,
dit zijn de mannen
die onheil uitdenken en kwade raad beramen
   in deze stad,-

3


die zeggen:

in de nabije tijd
   hoeven we geen huizen te bouwen;

‘dit is de pot en wij zijn het vlees!’-
••

4


daarom: profeteer over hen,-

profeteer, mensenzoon!

5


Dan valt over mij de geest van de Ene

en zegt tot mij:
zeg: zó heeft gezegd de Ene:
zó hebt ge gezegd, huis van Israël,-
en al wat in uw geest opklimt,
   ík weet het!-

6


ge hebt in deze stad velen doorboord,-

ge hebt haar straten vervuld van
   wat doorboord is!-

7


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
uw doorboorden
   die ge in haar hebt neergelegd,

die zijn het vlees en zij is de pot!-
en u zal ik uit haar wegleiden;
een zwaard hebt ge gevreesd,-

8


een zwaard laat ik over u komen,

is de tijding van mijn Heer, de Ene;

9


ik zal u wegleiden uit haar,

en ik zal u in de hand
   van vreemden geven;

gerichten zal ik aan u voltrekken

10


en door het zwaard zult ge vallen;

op de grens van Israël zal ik u berechten;
weten zult ge dat ik de Ene ben!-

11


zij

zal uw pot niet blijven
en gij zult in haar het vlees niet zijn;
op Israëls grens zal ik u berechten;

12


weten zult ge dat ik de Ene ben,

omdat ge niet in mijn wetten
   hebt gewandeld

en mijn rechtsregels niet hebt gedaan;
maar de regels van de volkeren rondom u
   hebt ge gedaan!

13


Het geschiedt, met dat ik heb geprofeteerd

sterft Benaja’s zoon Pelatjahoe;
ik val op mijn aanschijn
   en schreeuw met grote stem

en zeg: ach, mijn Heer, Ene,
ge maakt een einde
aan Israëls rest?

14


Maar dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

15


mensenzoon,

het zijn je broeders,
   je broeders,
   mannen met lossersplicht voor jou,

en heel het huis Israël in z’n geheel,-
van wie Jeruzalems ingezetenen
   hebben gezegd:

die zijn ver weg geraakt van de Ene,-* Of: houdt u ver weg van de Ene,-
aan ons is dit land als erfgoed gegeven!-
••

16


zeg daarom:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
al heb ik hen ver weg gedreven
   onder de volkeren,

al heb ik hen uitgestrooid over de landen,-
toch zal ik voor hen een heiligdom wezen,
   hoe klein ook,

in de landen waar zij zijn aangekomen!-
••

17


zeg daarom:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
ik zal u uit de gemeenschappen vergaderen
en u verzamelen
uit de landen
waarin ge uitgestrooid zijt,-
en aan u geven Israëls –rode– grond!-

18


zijn zij daar aangekomen,-

verwijderen zullen ze dan daaruit
   al haar afschuwelijkheden
   en al haar gruwelen;

19


geven zal ik hun één hart,

een nieuwe geest geef ik in uw binnenste;
dat hart van steen zal ik uit hun vlees
   verwijderen,

een hart van vlees-en-bloed zal ik hun geven,-

20


opdat zij in mijn wetten wandelen

en mijn rechtsregels bewaren en die doen;
zij zullen mij tot een gemeente zijn,
en ík,
ik zal er voor hen zijn als God;

21


maar wier hart
   het hart van hun afschuwelijkheden
   en hun gruweldaden nawandelt,-

hun weg zal ik doen terugkeren
   op hun eigen hoofd,

is de tijding van mijn Heer, de Ene.

22


Dan tillen de cheroeviem hun vleugels op,

en de raderen tegelijk met hen,
met de glorie van Israëls God boven hen,
   bovenaan;

23


de glorie van de Ene stijgt op
   van boven de plek van de stad,-

en blijft staan boven de berg
ten oosten van de stad;

24


geestesadem heeft mij opgetild

en zorgt dat ik in Kasdiem kom
   bij de ballingen,

in dat gezicht door de geest van God;
dan stijgt het van mij op,
het gezicht dat ik heb gezien;

25


dan spreek ik tot de ballingen:

alle uitspraken van de Ene
   die hij mij heeft laten zien.