Instellingen

14


Maar dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

15


mensenzoon,

het zijn je broeders,
   je broeders,
   mannen met lossersplicht voor jou,

en heel het huis Israël in z’n geheel,-
van wie Jeruzalems ingezetenen
   hebben gezegd:

die zijn ver weg geraakt van de Ene,-* Of: houdt u ver weg van de Ene,-
aan ons is dit land als erfgoed gegeven!-
••

16


zeg daarom:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
al heb ik hen ver weg gedreven
   onder de volkeren,

al heb ik hen uitgestrooid over de landen,-
toch zal ik voor hen een heiligdom wezen,
   hoe klein ook,

in de landen waar zij zijn aangekomen!-
••

17


zeg daarom:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
ik zal u uit de gemeenschappen vergaderen
en u verzamelen
uit de landen
waarin ge uitgestrooid zijt,-
en aan u geven Israëls –rode– grond!-

18


zijn zij daar aangekomen,-

verwijderen zullen ze dan daaruit
   al haar afschuwelijkheden
   en al haar gruwelen;

19


geven zal ik hun één hart,

een nieuwe geest geef ik in uw binnenste;
dat hart van steen zal ik uit hun vlees
   verwijderen,

een hart van vlees-en-bloed zal ik hun geven,-

20


opdat zij in mijn wetten wandelen

en mijn rechtsregels bewaren en die doen;
zij zullen mij tot een gemeente zijn,
en ík,
ik zal er voor hen zijn als God;

21


maar wier hart
   het hart van hun afschuwelijkheden
   en hun gruweldaden nawandelt,-

hun weg zal ik doen terugkeren
   op hun eigen hoofd,

is de tijding van mijn Heer, de Ene.