Instellingen

1


Het spreken van de Ene geschiedt aan mij

en zegt:

2


mensenzoon,

in het huis der weerspannigheid
   ben je gezeten;

omdat ze ogen hebben om te zien
   en niet hebben gezien,

oren hebben om te horen
   en niet hebben gehoord;

ja een weerspannig huisgezin zijn zij!-
••

3


maar jij, mensenzoon,

pak bagage voor een ballingschap
en ga op klaarlichte dag, voor hun ogen,
   in ballingschap;

ga voor hun ogen weg uit je eigen woonplaats
   naar een andere plaats, in ballingschap;

misschien zullen ze dan inzien
dat zij een weerspannig huishouden zijn;

4


breng je bagage naar buiten
   als bagage voor een ballingschap, overdag,
   voor hun ogen,

zelf ga je in de avond
   voor hun ogen naar buiten,

zoals mensen ter ballingschap
   naar buiten worden geleid;

5


breek voor hun ogen een gat in de wand,-

en breng alles daardoor naar buiten;

6


voor hun ogen
   moet je het op een schouder tillen
   en in het halfduister de stad uit brengen;

je gelaat moet je afdekken,
je mag het land niet zien,-
want als wonderteken geef ik jou
   aan het huisgezin van Israël!

7


Ik doe zó zoals mij is geboden:

mijn bagage heb ik naar buiten gebracht
   als bagage voor een ballingschap, overdag,

en in de avond heb ik mij met de hand
   een gat gebroken in de wand;

in het halfduister ben ik daardoor weggegaan
   en heb ik alles voor hun ogen
   op een schouder getild.

8


In de ochtend geschiedt
   dan het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

9


mensenzoon,

hebben zij, het huis Israël,
   het huis der weerspannigheid,
   niet tot jou gezegd:

wat doe je nou?-

10


zeg tot hen:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
dit dragen geldt
de kroondrager
en alle anderen van het huis Israël
in Jeruzalem;

11


zeg: ik ben voor jullie het wonderteken;

zoals ik heb gedaan
zo zal aan hen worden gedaan:
in ballingschap, in kerkering zullen zij gaan!-

12


en de kroondrager in hun midden
   zal in het halfduister
   het zijne op een schouder moeten dragen
   en zo weggaan;

ze zullen een gat in de wand moeten breken
   om hem daardoor naar buiten te brengen;

zijn gelaat zal hij moeten afdekken
opdat hij
het land niet meer met eigen oog zal zien;

13


ik zal mijn net over hem spreiden,

hij zal gevangen raken in mijn strik;
ik zal hem in Babel laten komen,
   het land der Kasdiem,

maar ook dat zal hij niet zien,
   hij zal daar sterven!-

14


en allen rondom hem, zijn helpers
   en al zijn troepen,
   zal ik uitzaaien naar elke windstreek,-

met getrokken zwaard hen achterna;

15


weten zullen ze dat ik de Ene ben,-

als ik hen uitstrooi in de volkeren
en hen uitzaai in de landen;

16


ik zal van hen
   een aantal mannen overhouden

uit zwaard, honger en pest,-
opdat die al hun gruweldaden
   zullen vertellen

bij de volkeren waar zij zullen aankomen,
zij zullen weten dat ik de Ene ben!

17


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

18


mensenzoon,

je brood moet je eten met beving,-
je water
moet je drinken in siddering en zorg;

19


zeggen zul je tot de gemeenschap
   van dit land:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene,
   tot de ingezetenen van Jeruzalem
   over Israëls –rode– grond:

hun brood zullen ze eten in diepe zorg
en hun water drinken in verbijstering,-
omdat hun land verbijsterd zal worden,
   leeg van wat het vult,

van het geweld van allen die er gezeten zijn;

20


de steden waar men nu nog zetelt
   worden in puin gelegd

en het land
   zal een verbijsterende woestenij zijn;

weten zult ge dat ik de Ene ben!

21


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

22


mensenzoon,

wat moet dit zinnebeeld bij jullie
op Israëls –rode– grond, als jullie zeggen
‘de dagen lengen,
verloren ging weer elk visioen’?-

23


daarom,

zeg tot hen:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
dit zinnebeeld zet ik op rust,
dit zinnebeeld
   zullen ze in Israël niet meer uitspreken;

nee, breng voor hen onder woorden
‘genaderd zijn de dagen,
woord-en-feit wordt elk visioen!’-

24


want er zal geen vals visioen meer zijn
   of gladde waarzeggerij,-

in Israëls huisgezin;

25


want ik, de Ene:

ik zal spreken wat ik spreek,
   een uitspraak en die wordt gedaan,

het zal niet meer worden gerekt;
ja, in jullie dagen,
huis vol weerspannigheid,
zal ik een spreuk spreken en het doen,
is de tijding van mijn Heer, de Ene!

26


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

27


mensenzoon,

zie, zij van Israëls huishouden zeggen
‘zo’n visioen dat hij aanschouwt,
   dat is voor over vele dagen,-

hij profeteert voor verre tijden!’-

28


daarom,

zeg tot hen:
zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
welk van mijn woorden ook,
   het wordt niet meer gerekt;

een woord dat ik spreek zal worden gedaan,
is de tijding van mijn Heer, de Ene!
••