Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,

profeteer tegen Israëls profeten
   die zo graag de profeet uithangen!-

zeg tot hen die profeteren uit hun eigen hart:
hoort het spreken van de Ene!-

3


zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

wee! over die andere dwaze profeten,-
die hun eigen geest achternagaan
   zonder iets te hebben gezien!-

4


als vossen in de puinhopen,-

zijn, Israël, je profeten geworden;

5


ge zijt niet in de bressen gesprongen

en hebt om Israëls huis geen muur gemetseld
   om staande te blijven in de strijd
   op de dag van de Ene;

6


waan hebben zij geschouwd
   en waarzeggerij heeft men gelogen;

zij zeggen ‘tijding van de Ene’,
   terwijl de Ene hen niet heeft gezonden,-

en verwachten
   dan dat hij een spreken laat opstaan!-

7


hebt ge geen waan-aanschouwingen
   geschouwd

en leugenachtige waarzeggingen gezegd,-
zeggend ‘tijding van de Ene
terwijl ik niet had gesproken?-
••

8


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
omdat het waan is wat ge uitspreekt
en leugen wat ge hebt geschouwd,-
daarom ben ik nu tegen u,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

9


wezen zal mijn hand

tegen de profeten
die aanschouwen wat niet waar is
   en waarzeggen wat leugen is;

in de kring van mijn gemeente
   mogen ze niet zijn,
   bij wat geschreven wordt
   over het huis Israël
   mogen zij niet worden opgeschreven

en op Israëls –rode– grond
   zullen ze niet komen;

weten zult ge dat ik, de Heer, de Ene ben!-

10


omdat, ja omdat zij mijn gemeente
   hebben misleid door ‘vrede’ te zeggen
   terwijl het geen vrede is,-

en hij hier bouwt een buitenmuur
en zij daar bepleisteren die met slijmkalk,-

11


zeg daarom tot wie met slijmkalk pleisteren
   dat hij zal vallen:

komen zal er
   een alles-overstromende stortbui;

ik zal geven
   dat er keiharde hagelstenen vallen

en een stormwind losbarst;

12


ziedaar, vallen zal die wand!;

zal dan niet tot u worden gezegd
‘waar is nou de pleistering
   waarmee jullie hebben gepleisterd?’-

••

13


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene,
zal ik een stormwind laten losbarsten
   door mijn gramschap,-

en zal er een
   alles-overstromende stortregen komen
   door mijn woede,

met keiharde hagelstenen
   in een gramschap die tot het einde gaat;

14


slopen zal ik zo de wand
   die ge gepleisterd hebt met slijmkalk

en hem ter aarde werpen
totdat zijn fundament bloot zal liggen;
zij zal vallen
   en gij zult in haar uw einde vinden;

weten zult ge dat ik de Ene ben!-