Instellingen

1


Dan komen tot mij enkele mannen,

enkelen van Israëls oudsten,-
en zetten zich neer voor mijn aanschijn.

2


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

3


mensenzoon,

deze mannen
   hebben hun keutelgoden laten klimmen
   in hun hart,

en het struikelblok van hun ongerechtigheid
hebben ze plaats gegeven
   pal voor hun aanschijn;

moet ik mij laten bevragen,
   uitvragen door hen?-

••

4


daarom, spreek hen toe en zeg tot hen:
   zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

man voor man uit Israëls huishouden
die keutelgoden laat klimmen in zijn hart,
het struikelblok van zijn ongerechtigheid
   neerzet pal voor zijn aanschijn

en komen zal bij de profeet,-
ikzelf, de Ene,
zal hem antwoorden
die daar aan komt zetten
   met zijn stoet van keutelgoden,

5


om Israëls huisgezin aan te pakken
   in hun hart,-

nu ze zich hebben toegewijd van mij weg,
met hun keutelgoden, zij allen!-
••

6


daarom,

zeg tot Israëls huishouden:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
keert om en keert u af
van uw keutelgoden;
van al uw gruweldaden:
   keert uw aanschijn af!-

7


want man voor man uit het huis Israël

en van de zwerfgast die bij Israël te gast is,
die zich toewijdt van mij weg
en keutelgoden laat klimmen in zijn hart,
en het struikelblok van zijn ongerechtigheid
pal voor zijn aanschijn neerzet:
komt hij aan bij de profeet
   om door hem raad te vragen
   bij mij,

ik ben de Ene,
en hem zal door mij geantwoord worden;

8


ik zal mijn aanschijn te zien geven bij die man,

hem maken tot teken en zinnebeeld
en hem wegmaaien
   uit het midden van mijn gemeente;

weten zult ge dat ik de Ene ben!-
••

9


en wanneer de profeet zich laat misleiden
   en een woord zal spreken,

zal ik, de Ene, misleiden
die profeet;
uitstrekken zal ik mijn hand tegen hem
en hem verdelgen
uit het midden van mijn gemeente Israël;

10


dragen zullen ze hun ongerechtigheid;

ongerechtigheid van wie raad vraagt
zal wezen als
   de ongerechtigheid van de profeet;

11


opdat zij nooit meer
   achter mij vandaan dwalen,
   het huis Israël,

en zich nooit meer verontreinigen
   met al hun misstappen;

ze zullen mij tot gemeente wezen
en ik, ik zal er voor hen zijn als God,
is de tijding van mijn Heer, de Ene!