Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon, maak Jeruzalem
   haar gruweldaden bekend!-

3


zeggen zul je:

zó heeft mijn Heer, de Ene,
   tot Jeruzalem gezegd:

je oorsprong en je geboorte zijn
uit het land van de Kanaäniet;
je vader is die Amoriet
   en je moeder een Chititische;

4


en je geboorte:

op de dag dat jij werd gebaard
   is je navelstreng niet afgesneden

en werd je niet met water gewassen
   en schoongewreven;

je werd niet met zout gezouten
en niet in windselen gewonden;

5


geen oog zag naar je om

om een van deze dingen aan je te doen
   uit medelijden met jou;

je werd weggeworpen
op het oppervlak van het veld,
   uit afschuw van jouw lijf-en-ziel

op de dag dat jij werd gebaard;

6


toen kwam ik langs jou voorbij en zag jou,

trappelend in je bloed;
ik zei tot jou in je bloed: leef!,
ja ik zei tot jou: jij daar in je bloed, leef!-

7


en even overvloedig

als wat uitspruit op het veld
   heb ik je gemaakt,

groeide jij op en werd je groot,
en kwam je in de tijd van sieraden;
je borsten gingen staan en je haar sproot uit,
maar jij was een en al nakende naaktheid;

8


ik kwam langs jou voorbij en zag je aan:

ziedaar, het was jouw tijd
   voor de tijd van liefkozingen;

ik spreidde mijn vleugels over je uit
en overdekte je naaktheid;
ik bezwoer mij aan jou
   en kwam in een verbond
   met jou,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
   en zo werd jij van mij;

9


ik waste je met water,

en spoelde het bloed van je af;
ik zalfde je met olie;

10


ik kleedde je in borduurwerk

en schoeide je met marokijn;
ik omwond je met batist
en overdekte je met zijde;

11


ik sierde je met een sieraad;

ik gaf je armbanden aan je handen
en een ketting om je hals;

12


ik gaf je een ring aan je neus

en hangers aan je oren;
een luisterrijke kroon op je hoofd;

13


zo werd je gesierd

met goud en zilver,
je kleding was een en al batist,
   zijde en borduurwerk;

enkel bloem, honing en olie at je;
je werd mooier en mooier,
geschikt voor een koningschap;

14


van jou ging een naam uit door de volkeren,
   door je schoonheid,

want die was totaal,
door mijn luister die ik op jou gelegd had,-
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

15


maar je werd te zelfverzekerd
   door je schoonheid,

en trots op je naam begon je te hoereren;
je stortte je hoererijen uit
   over al wie voorbijkwam,
   voor hém was je;

16


je nam sommige van je gewaden,

maakte daarvan gevlekte offerhoogten
en hoereerde daarop;
nooit kwam zoiets voor,
   nooit meer zal het geschieden;

17


je nam

je luisterrijke spullen
van mijn goud en mijn zilver
   dat ik je had gegeven

en maakte je daaruit mannenbeelden,-
en hoereerde daarmee!-

18


je nam je geborduurde gewaden
   en overdekte hen daarmee;

mijn olijfolie en mijn wierook
gaf je weg aan hun aanschijn;

19


mijn brood dat ik je had gegeven,
   bloem, olie en honing gaf ik je te eten,-

je hebt het weggegeven aan hun aanschijn
   als een reuk die-tot-rust-brengt
   en het geschiedde,-

is de tijding van mijn Heer, de Ene:

20


je nam

je zonen en dochters
   die je voor mij had gebaard

en offerde die aan hen als hun eten;
had je te weinig aan je hoererijen

21


dat je mijn zonen moest slachten?-

je gaf ze prijs
toen men ze overdroeg aan hen;

22


bij al je gruweldaden en hoererijen

heb je nooit meer gedacht
   aan de dagen van je jeugd,-

toen je een en al nakende naaktheid was,
trappelend in je bloed lag je daar;

23


het geschiedde

in het kielzog van al je kwaad,-
o wee, wee jou!,
is de tijding van mijn Heer, de Ene,

24


dat je je een bochel bouwde:

je een offerhoogte maakte op elk plein;

25


op elke kop van een weg

bouwde je je zelfverheffing,
je misbruikte je schoonheid gruwelijk
en spreidde je benen
   voor elke voorbijganger,-

een vermenigvuldiging van hoererij
   door jou!-

26


je hoereerde richting zonen van Egypte,
   je buren
   zo grootgeschapen van vlees…

weer een vermenigvuldiging van hoererij
   door jou
   waarmee je mij krenkte;

27


zie, toen strekte ik mijn hand tegen je uit

en zette het mes in je vastgestelde deel;
ik gaf je over
aan ziel-en-zaligheid van wie jou haten,
   de dochters der Filistijnen,

die zich te schande gezet voelden
   door jouw hoerige wegen;

28


toen hoereerde je richting zonen van Asjoer,

je was niet te verzadigen;
je hoereerde met hen
maar werd toch niet verzadigd;

29


je vermenigvuldigde je hoererij
   tot in koopmansland Kasdiem;

ook daardoor werd je niet verzadigd;

30


wat moet je hart zijn versmacht,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,-
dat je dit alles deed,
het doen-en-laten van een
   machtige hoerige vrouw!-