Instellingen

4


en je geboorte:

op de dag dat jij werd gebaard
   is je navelstreng niet afgesneden

en werd je niet met water gewassen
   en schoongewreven;

je werd niet met zout gezouten
en niet in windselen gewonden;

5


geen oog zag naar je om

om een van deze dingen aan je te doen
   uit medelijden met jou;

je werd weggeworpen
op het oppervlak van het veld,
   uit afschuw van jouw lijf-en-ziel

op de dag dat jij werd gebaard;

6


toen kwam ik langs jou voorbij en zag jou,

trappelend in je bloed;
ik zei tot jou in je bloed: leef!,
ja ik zei tot jou: jij daar in je bloed, leef!-

7


en even overvloedig

als wat uitspruit op het veld
   heb ik je gemaakt,

groeide jij op en werd je groot,
en kwam je in de tijd van sieraden;
je borsten gingen staan en je haar sproot uit,
maar jij was een en al nakende naaktheid;

8


ik kwam langs jou voorbij en zag je aan:

ziedaar, het was jouw tijd
   voor de tijd van liefkozingen;

ik spreidde mijn vleugels over je uit
en overdekte je naaktheid;
ik bezwoer mij aan jou
   en kwam in een verbond
   met jou,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
   en zo werd jij van mij;

9


ik waste je met water,

en spoelde het bloed van je af;
ik zalfde je met olie;

10


ik kleedde je in borduurwerk

en schoeide je met marokijn;
ik omwond je met batist
en overdekte je met zijde;

11


ik sierde je met een sieraad;

ik gaf je armbanden aan je handen
en een ketting om je hals;

12


ik gaf je een ring aan je neus

en hangers aan je oren;
een luisterrijke kroon op je hoofd;

13


zo werd je gesierd

met goud en zilver,
je kleding was een en al batist,
   zijde en borduurwerk;

enkel bloem, honing en olie at je;
je werd mooier en mooier,
geschikt voor een koningschap;

14


van jou ging een naam uit door de volkeren,
   door je schoonheid,

want die was totaal,
door mijn luister die ik op jou gelegd had,-
is de tijding van mijn Heer, de Ene;