Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

tot mij en zegt:

2


mensenzoon,

geef aan het huishouden van Israël
een raadsel te raden
   en een zinnebeeld te verbeelden;

3


zeg: zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

de grootste adelaar,
   groot van vleugels, lang van slag,

vol van verenpracht
die bij hem een en al bontheid is,-
komt naar de Libanon toe
en neemt de kruin van de ceder mee;

4


de top vol loten heeft hij afgeplukt;

hij komt daarmee aan in het land Kanaän,-
   koopmansland,

en heeft hem neergezet
   in een stad van kramers;

5


hij neemt van het zaaigoed van het land

en geeft dat plek in een zaaiveld;
waar water in overvloed is
heeft hij het neergezet als was het een wilg,-

6


opdat het zal uitspruiten

en zal worden tot een wijnstok
die breed hangt en laag van stam is
om zijn bladeren naar hem toe te wenden,
terwijl zijn wortels onder hem blijven;
en hij wordt een wijnstok,
vormt ranken en stuurt twijgen uit;

7


maar dan is er één, een andere grote adelaar,

groot van vleugels en vol van verenpracht,-
en zie, die wijnstok
   heeft haar wortels gericht naar hém

en haar bladstengels naar hem toe gestuurd
opdat híj haar zal drenken
en niet het perk waarin zij geplant is:

8


in een goed veld, bij een overvloed van water
   was zij gepoot,-

om takken te maken en vrucht te dragen
om een geweldige wijnstok te worden.

9


Zeg:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
   zal zij gedijen?-

zal hij niet haar wortels afscheuren
en haar vrucht losrukken
   zodat die verdort?-

met alle bladeren die aan haar ontspruiten
   zal zij verdorren; er is

geen grote arm en machtige manschap nodig
om haar van haar wortels op te tillen;

10


zie, ze is verpoot: zal zij gedijen?-

zal ze niet,
   zodra de oostenwind haar aanraakt,
   verdrogen en verdorren?-

op het perk waar ze is uitgesproten
   zal zij verdrogen!