Instellingen

1


Hij zegt tot mij:

mensenzoon, sta op je voeten,
dan zal ik met je spreken!

2


Er komt geestesadem tot mij

zodra hij tot mij heeft gesproken
en doet mij op mijn voeten staan;
ik hoor
hem die tot mij spreekt.

3


Hij zegt tot mij:

mensenzoon,
   ik zend jou tot de zonen Israëls,

tot de volksstammen van de afvalligen;
   die van mij afvallig zijn geworden;

zij en hun vaderen
   hebben zich tegen mij misgaan

tot op deze huidige dag;

4


de zonen zijn

hard van gelaat en verstokt van hart,
en tot hen zend ik jou;
zeggen zul je tot hen:
zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene!-

5


en zij, of ze nu horen of dat nalaten,

want een weerspannig huisgezin zijn zij:
zij zullen weten
dat er een profeet in hun midden is geweest!-

6


en jij, mensenzoon, vrees niet voor hen
   en wees voor hun uitspraken niet bevreesd;

al omringen jou netels en doornen
en zit je neer tussen de schorpioenen,-
voor hun uitspraken hoef je niet te vrezen
   en raak van hun aanschijn niet ontzet,

want een weerspannig huis zijn zij;

7


mijn uitspraken zul je tot hen spreken,

of ze nu horen of dat nalaten;
want weerspannig zijn zij!-

8


maar jij, mensenzoon,

hoor wat ik uitspreek tot jou,
wees niet zo weerspannig
   als dat weerspannig huisgezin;

sper je mond open
en eet
dat wat ik je geef!

9


Ik zie toe,

en ziedaar een hand, uitgestrekt naar mij;
en zie, daarin de rol van een boekrol.

10


Hij spreidt haar voor mijn aanschijn uit,

en zij is van voren
   en van achteren beschreven;

geschreven staat op haar:
klaagliederen, gezucht en wee-geroep.