Instellingen

2


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   tot mij en zegt:

3


mensenzoon,

spreek Israëls oudsten toe en zeg tot hen:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
om mij uit te vragen komt ge?-
zowaar ik leef, als ik mij ooit
   door u iets laat vragen!,

is de tijding van mijn Heer, de Ene;

4


wil jij hen richten,

wil jij rechtspreken, mensenzoon?-
de gruweldaden van hun vaderen,
   maak hun die bekend!-

5


zeg tot hen:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
op de dag dat ik Israël uitkoos,
ik mijn hand ophief
voor het zaad van Jakobs huis
en ik mij in het land Egypte
   aan hen liet kennen,-

mijn hand voor hen ophief en zei
‘ik ben de Ene, uw God’,

6


op die dag

heb ik mijn hand voor hen opgeheven
om hen uit te leiden uit het land Egypte,-
naar een land dat ik voor hen had verkend,
en dat vloeide van melk en honing,-
een juweeltje onder alle landen;

7


en ik zei tot hen:

laat ieder de afschuwelijkheden
   voor zijn ogen
   wegwerpen,

en de keutelgoden van Egypte,
   besmet u daaraan niet,-

ík ben de Ene, uw God;

8


maar zij waren weerspannig tegen mij

en waren niet van zins naar mij te horen;
ieder wierpen ze de afschuwelijkheden
   voor hun ogen
   niet weg

en verlieten ze Egyptes keutelgoden niet;
ik zei
dat ik mijn gramschap
   over hen zou uitstorten

om aan mijn woede jegens hen
   een eind te maken,

midden in het land Egypte;

9


maar ik deed omwille van mijn naam anders,

om mij niet te ontwijden
   voor de ogen van de volkeren
   in wier midden zij waren,-

toen ik mij voor hun ogen
   aan hen bekend maakte

als wie hen zou uitleiden uit het land Egypte;

10


ik heb hen uit het land Egypte uitgeleid,-

en deed hen komen in de woestijn;

11


ik gaf hun mijn inzettingen

en maakte hun mijn rechtsregels bekend;
de mens die ze doet zal door hen leven!-

12


ook gaf ik hun mijn sabbatten

om tot teken te zijn
tussen mij en hen,-
opdat ze zouden weten
dat ik, de Ene, het ben die hen heiligt;

13


maar in de woestijn
   waren zij weerspannig tegen mij,
   het huishouden van Israël:

naar mijn inzettingen was hun wandel niet
   en mijn rechtsregels verachtten zij

-de mens die ze doet zal door hen leven!-
en mijn sabbatten
   hebben zij ten zeerste ontwijd;

ik zei
dat ik in de woestijn
mijn gramschap over hen zou uitstorten
   om aan hen een einde te maken;

14


ik deed, omwille van mijn naam,
   weer anders,-

om mij niet te ontwijden
   voor de ogen der volkeren

voor wier ogen ik hen had uitgeleid,

15


maar wel heb ik

in de woestijn mijn hand
   over hen opgeheven,-

dat ik hen niet zou doen komen
   in het land dat ik zou geven

vloeiend van melk en honing,
dat juweeltje onder alle landen;

16


omdat ze mijn rechtsregels hadden veracht,

hun wandel niet was naar mijn inzettingen
en zij mijn sabbatten hadden ontwijd;
want achter hun keutelgoden aan
   ging hun hart;

17


maar mijn oog ontzag hen
   en wilde hen niet vernietigen;

ik heb geen einde aan hen gemaakt
   in de woestijn;

18


ik zei tot hun zonen in die woestijn:

wandelt niet volgens de inzettingen
   van uw vaderen

en hun rechtsregels, bewaakt die niet;
hun keutelgoden, besmet u daarmee niet!-

19


ik, de Ene, ben uw God,

wandelt volgens mijn inzettingen;
mijn rechtsregels, bewaakt die en doet ze;

20


mijn sabbatten, heiligt ze,-

laten die wezen tot een teken
   tussen mij en u,

om te weten
dat ik, de Ene, God-over-u ben!-