Instellingen

21


maar ze waren weerspannig tegen mij,
   die zonen:

volgens mijn inzettingen wandelden zij niet
en mijn rechtsregels bewaakten ze niet
   en deden ze niet,

-de mens die ze doet zal door hen leven!-
en mijn sabbatten hebben ze ontwijd;
ik zei
dat ik mijn gramschap zou uitstorten
   over hen

om aan mijn woede op hen
   een eind te maken,
   daar in de woestijn;

22


maar ik keerde mijn hand af

en deed anders, omwille van mijn naam,-
om mij niet te ontwijden
   voor de ogen der volkeren

voor wier ogen ik hen had uitgeleid;

23


wel heb ik

in de woestijn mijn hand
   over hen opgeheven,-

door hen te verspreiden onder de volkeren
en hen te verstrooien over de landen;

24


omdat ze mijn rechtsregels
   niet hadden gedaan,
   mijn inzettingen hadden veracht

en mijn sabbatten ontwijd;
de keutelgoden van hun vaderen achterna
gingen hun ogen;

25


ook heb ikzelf aan hen gegeven

inzettingen die niet goed waren,-
en rechtsregels
waardoor ze niet zouden leven,

26


en heb ik hen bij hun gaven besmet

door al wat een moederschoot splijt
   te laten oversteken,-

opdat ik hen zou verwoesten
en opdat zij zouden weten
dat ík de Ene ben!-
••

27


daarom,

spreek Israëls huishouden toe,
   mensenzoon,

en zeg tot hen:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
nogmaals
hebben hiermee uw vaderen mij gelasterd
dat zij tegen mij trouweloos ontrouw
   zijn geweest;

28


ik liet hen aankomen in het land

waarvoor ik mijn hand heb geheven
om het aan hen te geven,-
maar zij zagen elke hoge heuvel
   en elke dikke boom aan

en slachtten daar hun slachtoffers,
   gaven daar hun krenkende toenadering weg,

brachten dáár
hun ‘reuk-die-tot-rust-brengt’
en plengden daar hun plengoffers;

29


toen zei ik tot hen:

wat is dat voor offerhoogte
waarbij ge zo graag komt?-
uitgeroepen wordt als naam voor haar:
   Bama,- waarbij?,

tot op deze dag;

30


daarom,

zeg tot het huis Israëls:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
wilt ge op de wijze van uw vaderen
   u besmetten,-

en achter hun griezels aanhoereren?-

31


door het opdragen van uw gaven,

door uw zonen door het vuur te laten gaan
   besmet gij u met al uw keutelgoden
   tot vandaag toe,

en ik moet mij dan door u laten raadplegen,
   huishouden van Israël?-

zowaar ik leef,
is de tijding van mijn Heer, de Ene:
ondenkbaar dat ik mij laat raadplegen
   door u!-

32


wat naar uw geest is opgestegen!-

werkelijkheid zal het niet worden;
waar gij zegt:
laten we worden als de volkeren,
   als de families in de landen,

met eredienst aan hout en steen!-

33


zowaar ik leef,

is de tijding van mijn Heer, de Ene:
ondenkbaar dat ik niet met sterke hand,
   uitgestrekte arm en uitgestorte gramschap
   koning over u zal zijn!-

34


uitleiden zal ik u uit de gemeenschappen

en vergaderen zal ik u
uit de landen
waarover ge zijt uitgestrooid,-
door een sterke hand en een uitgestrekte arm
en onder uitgestorte gramschap;

35


doen komen zal ik u

in de woestijn van de gemeenschappen,-
en daar met u in het gericht treden
van aanschijn tot aanschijn;

36


zoals ik in het gericht trad met uw vaderen

in de woestijn van het land Egypte,-
zó zal ik u berechten,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

37


ik zal u onder de staf doen doorgaan,-

en u doen komen
   in de band van het verbond;

38


verbannen zal ik uit u

wie weerspannig zijn
   en zich tegen mij misgaan;

uit het land van hun omzwervingen
   zal ik hen uitleiden,

maar op Israëls –rode– grond
   zullen zij niet komen;

weten zult ge dat ik de Ene ben!-

39


u allen, huisgezin van Israël:
   zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

ieder met zijn keutelgoden,
   gaat heen en dient ze!-

en daarna: als ge dan niet naar mij hoort!-
mijn naam, mijn heiligdom
   zult ge niet nog eens ontwijden

met uw gaven en uw keutelgoden!-

40


want op de berg van mijn heiligdom,

op Israëls meest verheven berg,
is de tijding van mijn Heer, de Ene,
dáár zullen ze mij dienen,
   heel het huisgezin van Israël in zijn geheel
   in het land,

dáár zal ik behagen in hen hebben
en dáár
zal ik heffingen van u vragen,
het eerste van wat ge aandraagt
en alles wat ge heiligt;

41


bij een reuk die-tot-rust-brengt
   zal ik behagen in u hebben,

wanneer ik u uitleid uit de gemeenschappen
en u vergaderen zal
uit de landen
waarover ge verstrooid zijt;
ik zal voor de ogen der volkeren
   door u worden geheiligd;

42


weten zult ge dat ik de Ene ben

wanneer ik u doe komen
   op Israëls –rode– grond,-

in het land
waarvoor ik mijn hand heb opgeheven
dat ik het zou geven aan uw vaderen;

43


gedenken zult ge dáár

uw wegen en al uw werken
waarmee ge u hebt besmet;
walgen zult ge van uw eigen aanschijn
over al uw kwaad dat ge hebt gedaan;

44


maar weten zult ge dat ik de Ene ben

wanneer ik met u doe
   omwille van mijn naam:

niet naar uw kwalijke wegen
   en uw verdorven werken,
   huis van Israël,

is de tijding van mijn Heer, de Ene.