Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,

richt je aanschijn naar de weg zuidwaarts,
en laat je spreken
   spetteren naar de middagzon;

profeteer tegen het veldwoud van de Negev;

3


zeggen zul je tot het woud van de Negev:

hoor het spreken van de Ene!-
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
zie, ik steek in jou een vuur aan
en verteren zal dat in jou elke sappige boom
   en elke dorre boom;
   de vlam die opvlamt zal niet doven,

door haar zullen alle gelaten
   worden geblakerd,
   van de Negev tot in het noorden;

4


zien zullen ze, alle vlees,

dat ík, de Ene, haar heb laten ontbranden,-
en dat zij niet dooft!

5


Dan zeg ik:

ach, mijn Heer, Ene!-
ze zeggen tóch al van mij:
is het niet echt een zinnenbeeldenbrabbelaar?!

6


Dan geschiedt het spreken van de Ene* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 21.
   aan mij en zegt:

7


mensenzoon,

richt je aanschijn naar Jeruzalem
en laat je spreken
   spetteren tegen haar heiligdommen;

profeteer tegen Israëls –rode– grond!-

8


zeg

tot Israëls –rode– grond:
zó heeft gezegd de Ene:
hier ben ik, tegen jou!-
uitleiden zal ik mijn zwaard uit zijn schede,-
en wegmaaien zal ik van jou
   rechtvaardige en boosdoener;

9


omdat ik van jou zal wegmaaien
   rechtvaardige en boosdoener,-

daarom zal mijn zwaard
   uit zijn schede wegtrekken
   naar alle vlees, van de Negev tot het noorden;

10


allen van vlees-en-bloed zullen weten

dat ik, de Ene,
mijn zwaard uit zijn schede heb uitgeleid;
het keert daarin niet meer terug!-
••

11


jij, mensenzoon, zult kreunen;

met brekende lendenen en met bitterheid
zul je voor hun ogen kreunen;

12


zal het geschieden dat ze tot je zeggen:

waarover kreun je zo?,
zeg dan:
over wat ik gehoord heb dat zal komen:
dat elk hart zal smelten,
   alle handen zullen verslappen,
   aller geest zal verdoffen

en allen het water over de knieën zal lopen;
zie, het zal komen en het zal geschieden,
is de tijding van mijn Heer, de Ene!

13


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

14


mensenzoon,

profeteer en zeg:
zó heeft gezegd mijn Heer:
zeg:
zwaard na zwaard is gescherpt
   en ook gepolijst;

15


om slachtvee te slachten gescherpt,

om daarvoor een bliksem te zijn
   is het gepolijst;

of wij ooit weer vrolijk worden?-
‘de staf van mijn zoon minacht elke boom!’-

16


men geeft het uit om het te polijsten,
   om het ter hand te nemen;

het is gescherpt, het zwaard
   en het is gepolijst

om het een moordenaar
   in handen te geven;

17


schreeuw en jank, mensenzoon

omdat het in mijn gemeente zal vallen,
tussen al Israëls verhevenen;
mét mijn gemeente
   zullen zij neergesmeten worden
   in een zwaard;

pets jezelf daarom op de heupen!-

18


want men is getoetst;

en wát
als ook ‘de staf die minacht’ er niet zijn zal?,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

19


jij, mensenzoon,

profeteer,
sla handpalm tegen handpalm,-
en verdubbeld
wordt het zwaard, verdrievoudigd;
   een zwaard van doorboorden

is dat,
een zwaard van grote doorboring
dat om hen heen suist,-

20


opdat harten wankelen

en de struikelingen talrijk worden
heb ik bij alle poorten
een vlammend zwaard gegeven,-
ach jij, gemaakt om te bliksemen,
   gepolijst om te slachten:

21


wees als één: naar rechts!, plaatsen!,
   naar links!,

waar je snedes maar zijn overeengekomen;

22


ook ikzelf

zal mijn ene handpalm
   tegen mijn andere slaan

tot mijn gloeiende gramschap
   bekoeld zal zijn;

ik, de Ene, heb gesproken!

23


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

24


jij, mensenzoon,
   teken twee wegen

waarlangs het zwaard van Babels koning
   kan komen,

uit één land vertrekken zij tweeën;
kap een handwijzer uit
aan het begin van een weg naar de stad,
   kap hem uit;

25


teken een weg

waarlangs een zwaard kan komen
naar Raba van de zonen van Amon,-
en naar Juda en Jeruzalem, zo onneembaar;

26


want Babels koning zal staan
   op het moederpunt van de weg

aan het begin van de twee wegen
   en met een lotpijl loten,-

hij zal de pijlen schudden,
   de terafiem uitvragen,

de lever bezien;

27


in zijn rechterhand

zal de lotpijl van Jeruzalem zijn:
om er stormrammen neer te zetten,
om er een mond open te trekken
   met moord-en-brand,

om er een stem te verheffen met geschal,-
om stormrammen neer te zetten bij poorten,
om een wal op te werpen,
   om een schans te bouwen;

28


al zal dit voor hen
   een misgeschoten lotpijl zijn
   in hun ogen,

diepbezworen bezweringen hebben ze,-
hij is het
   die de ongerechtigheid indachtig maakt
   waarvoor zij gegrepen worden!-

29


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
omdat ge
uw ongerechtigheid indachtig maakt
door de onthulling van uw misstappen
en het zichtbaar worden van uw zonden
in al uw handelingen,-
omdat men u indachtig wordt
zult ge met harde hand gegrepen worden!-

30


en jij, onheilige, boosaardige

verhevene van Israël,-
wiens dag gekomen is
in de tijd van uiteindelijke ongerechtigheid,
••