Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


en jij, mensenzoon,

wil je rechtspreken, berechten
   die stad van stromen bloed?-

laat haar dan weten
al haar gruweldaden;

3


zeg dan:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
stad die in haar midden bloed vergiet
   zodat haar tijd gekomen is,-

en zich keutelgoden heeft gemaakt
   om zich daarmee te besmeuren,

4


met je bloed dat je hebt vergoten
   ben je schuldig geworden

en met de keutelgoden die je hebt gemaakt
   heb je je besmet,

je hebt je dagen nabijgebracht
en bent tot je jaren gekomen;
daarom
heb ik je tot smaad
   prijsgegeven aan de volkeren,

en om te honen aan alle landen;

5


die je nabij zijn en die jou verre zijn
   zullen je honen:

besmeurde naam
van veel rumoer!-

6


zie, Israëls verhevenen

zijn elk voor zijn eigen arm bij jou geweest:
om bloed te vergieten!-

7


vader en moeder
   hebben ze gekleineerd in jou,

de zwerver-te-gast deden ze verdrukking aan
   in jouw midden,-

wees en weduwe beknotten ze in jou;

8


al wat heilig is heb je veracht

en mijn sabbatten heb je ontwijd;

9


stokebranden heb je in je gehad
   om bloed te vergieten,-

ze hebben met jou op de bergen gegeten
en in jouw midden hoererij bedreven;

10


vaders naaktheid heeft men in jou ontbloot,-

en wie ongesteld was en dus onrein
   hebben ze in jou verkracht;

11


de ene man deed een gruweldaad

met de vrouw van zijn naaste,
de andere man
   verontreinigde zijn schoondochter
   met zijn hoererij;

weer een andere man heeft zijn zuster,
   een dochter van zijn vader,
   in jou verkracht!-

12


steekpenningen
   hebben ze in jou aangenomen
   om bloed te vergieten,-

winst en woeker heb je aangenomen,
met afpersing heb je je naaste beknot
en mij ben je vergeten,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

13


zie, ik heb mij in de hand geklapt

om de beknotting die jij hebt begaan,-
en de stromen bloed van jou uit
die in jouw midden hebben gevloeid;

14


zou je hart standhouden
   of zullen je handen sterk blijven

tegen de dagen
dat ik ga doen aan jou?-
ik, de Ene, heb gesproken en zal doen!-

15


verspreiden zal ik je onder de volkeren

en uitstrooien over de landen;
je onreinheid zal ik volmaakt van je wegdoen;

16


je zult door jezelf worden ontwijd
   voor de ogen der volkeren;

weten zul je dat ík de Ene ben!

17


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   aan mij en zegt:

18


mensenzoon,

die van Israëls huis zijn mij geworden
   tot een schuimslak uit een oven;

allen waren ze
koper, tin, ijzer en lood daarin,
en zilverschuim zijn ze geworden;
••

19


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
omdat ge allen
   tot schuimslakken zijt geworden,-

zie, daarom ga ik u vergaren in Jeruzalem;

20


zoals zilver wordt vergaard,

met koper, ijzer, lood en tin
   in het midden van een oven,

om er vuur over te blazen
   om het te laten smelten,-

zó zal ik in mijn toorn
   en gloeiende gramschap

u vergaren, daarin gooien en laten smelten;

21


opstapelen zal ik u

en over u blazen
   met het vuur van mijn verbolgenheid;

midden daarin wordt ge dan gesmolten;

22


zoals zilver midden in een oven
   wordt gesmolten,

zó zult gij midden daarin worden gesmolten;
weten zult ge dan dat ík, de Ene,
mijn gramschap over u heb uitgegoten!

23


Dan geschiedt het woord van de Ene
   tot mij en zegt:

24


mensenzoon,

zeg tot haar:
jij bent een land
dat niet beregend zal zijn,-
dat z’n stortbui zal missen
   op de dag van woede;

25


de samenzwering
   van z’n profeten in z’n midden

is als een brullende leeuw
   die het verscheurde verscheurt;

lijf-en-ziel hebben ze opgevreten,
schat en kostbaarheid meegenomen,
z’n weduwen midden daarin
   hebben ze vermenigvuldigd;

26


z’n priesters
   hebben mijn onderricht verwrongen

en al wat mij heilig is ontwijd;
tussen heilig en ontwijd
   hebben ze geen scheiding gemaakt

en tussen besmet en rein niet laten weten;
voor mijn sabbatten
   hebben ze hun ogen gesloten,

zo word ik in hun midden ontwijd;

27


z’n oversten erbinnen

zijn als wolven
   die het verscheurde verscheuren,-

door bloed te vergieten,
door zielen verloren te laten gaan,
om maar winst te winnen;

28


z’n profeten

hebben hen met slijm bepleisterd,
door bedrieglijke schijn te schouwen
en aan hen leugens te voorspellen,-
zeggend
‘zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene,’
zonder dat de Ene sprak;

29


de manschap van het land,
   zij hebben verdrukkend verdrukt

en rovend geroofd;
gebogene en arme hebben ze beknot
en de zwerver-te-gast verdrukt
   tegen alle recht in;

30


ik zocht bij hen

een man die met een muur zou ommuren
   en voor mijn aanschijn voor het land
   in de bres zou staan
   dat ik het niet moest verderven,-

maar ik vond er geen;