Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,-

twee vrouwen,
dochters van éénzelfde moeder
   waren er eens;

3


die werden hoeren in Egypte,

toen ze nog jong waren hoereerden ze al;
daar werden ze in hun borsten geknepen,
daar betastte men
hun maagdelijke tietjes;

4


hun namen:

Ohola heette de grootste
   en Oholiva heette haar zus;

zij werden van mij
en baarden zonen en dochters;
hun namen:
Ohola is Samaria
en Jeruzalem is Oholiva;

5


Ohola hoereerde
   ook toen ze onder mij stond,-

en werd verliefd op haar minnaars,
op Asjoer: vertrouwelingen,

6


gekleed in hemelsblauw,
   stadhouders en bestuurders,

allen begeerlijke jongemannen:
ruiters die paarden bereden;

7


zij gunde haar hoerigheden aan hen,

het uitgelezenste van de zonen van Asjoer,
   zij allen;

en door elk op wie zij verliefd werd
   en door al hun keutelgoden
   liet zij zich besmetten;

8


haar hoererijen met Egyptenaren
   liet ze ook niet na,

nadat ze haar in haar jeugd
   al beslapen hadden

en zij haar maagdelijke tietjes hadden betast,-
stortten ze opnieuw
   hun hoererij over haar uit;

9


daarom gaf ik haar
   haar minnaars in handen,-

de zonen van Asjoer in handen
op wie zij zo verliefd was;

10


die legden haar naaktheid bloot,

namen haar zonen en haar dochters mee
en brachten haar om met het zwaard;
zo werd zij bij de vrouwen
   een beruchte naam

en werden aan haar gerichten voltrokken;
••

11


hoewel haar zuster Oholiva dat zag

werd die nog verderfelijker verliefd dan zij,
en overtrof zij met haar hoerigheid
de hoererijen van haar zuster;

12


op de zonen van Asjoer werd zij verliefd:

stadhouders en bestuurders,
   vertrouwelingen, volmaakt gekleed,

ruiters, die reden op paarden,
allen begeerlijke jongemannen;

13


ik moest aanzien hoe zij zich besmette,-

het was éénzelfde weg voor hen tweeën,

14


maar zij voegde aan haar hoererijen nog toe;

ze zag
mannen aan die op de wand getekend waren,
afbeeldingen van Kasdiem,
getekend met menie,

15


bij hun lendenen slechts omgord
   met een doek,

en afhangende windsels op hun hoofden,
om te zien allen ridders;
van gestalte zonen van Babel, van Kasdiem,
het land van hun geboorten;

16


ze werd op hen verliefd

zodra haar ogen hen zagen;
ze zond boden op hen af, op Kasdiem aan;

17


de zonen van Babel kwamen tot haar
   voor liefkozingen en bijslaap

en besmetten haar met hun hoererij;
toen zij door hen besmet was
rukte haar ziel zich van hen los;

18


zij legde haar hoererijen bloot

en ontblootte haar naaktheid;
toen rukte mijn ziel zich van haar los
zoals mijn ziel zich van haar zuster
   had losgerukt;

19


maar zij vermenigvuldigde
   haar hoererijen,-

indachtig de dagen van haar jeugd
toen ze hoereerde in het land Egypte,

20


en werd verliefd

op hun wellustige kerels,-
wier vlees ezelsvlees is
en wier drift een paardendrift is;

21


je hunkerde

naar de hoererij van je jeugd,
toen die uit Egypte
je tietjes betastten
en in je jeugdige borsten knepen;
••

22


daarom, Oholiva,

zo heeft mijn Heer, de Ene, gezegd:
zie, ik zal je minnaars tegen je opwekken,
hen van wie jouw ziel zich heeft losgerukt;
ik zal ze van rondom over je laten komen,

23


die zonen van Babel en alle Kasdiem,

Pekod, Sjoa en Koa,
en alle zonen van Asjoer met hen;
begeerlijke jongemannen,
   allen stadhouders en bestuurders,

ridders, mannen over wie men roept,
allen rijdend op paarden;

24


ze zullen over je komen

met een drom wagens en wielen
en een hele vergadering manschappen;
lans, schild en helm
zullen ze in het rond tegen je inzetten;
ik zal hun verschijning een rechtszaak gunnen
en zij zullen jou berechten
   volgens hun regels;

25


ik zal mijn naijver tegen jou vrijgeven

en zij zullen met jou doen
   in gloeiende gramschap,

je neus en je oren zullen ze erafhalen
en het laatste beetje van jou
   zal vallen door het zwaard;

zij
zullen je zonen en dochters meenemen
en het laatste beetje van jou
   zal worden verteerd door het vuur;

26


zij zullen je gewaden van je afstropen

en je luisterrijke spullen meenemen;

27


ik zal je schandalig gedrag laten stoppen
   dat van jou uitgaat,

en je hoererij vanuit het land Egypte;
je zult je ogen niet meer naar hen opheffen
en nooit meer aan Egyptenaren denken!
••

28


Want zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

zie, ik geef jou
in de hand van wie jij haat,-
in de hand van hen van wie je ziel
   zich losgerukt heeft;

29


ze zullen aan je doen in haat,

ze zullen al je moeizame loon meenemen
en je als nakende naaktheid achterlaten;
zo zal je hoerennaaktheid
   worden blootgelegd,

je schandelijke gedrag en je hoererijen;

30


doen zullen ze dit alles aan jou,-

om je hoereren achter heidenen aan,
omdat je je
   met hun keutelgoden hebt besmet;