Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

tot mij
   in het negende jaar, in de tiende maand,

op de tiende na nieuwemaan, om te zeggen:

2


mensenzoon,

schrijf, jij, de naam van de dag op,
deze huidige dag;
op deze huidige dag
gaat de koning van Babel
   leunen op Jeruzalem;

3


spreek tot het huis der weerspannigheid
   een zinnebeeld

en zeg tot hen:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
zet de pot op, zet hem op
en giet er ook water in;

4


verzamel er gesneden stukken in,

elk goed stuk van heup en schouder;
vul hem met een keur aan botten;

5


neem een keur van wolvee

en leg de houtblokken eronder;
laat zieden wat moet zieden
tot ook de beenderen in hem koken!-
••

6


daarom,

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
wee die stad van stromen bloed,
de pot waarin de aanslag zit
en welks aanslag
niet uit hem weg te krijgen is;
haal stuk voor stuk eruit
zonder dat daarvoor een lot zal vallen;

7


want haar vergoten bloed
   is in haar midden gebleven,

op een kale rotsplaat
   heeft zij het laten vloeien,-

zij heeft het niet uitgegoten op de aarde
om het te overdekken met stof;

8


om gramschap op te wekken,
   om wraak te wreken

heeft zij haar bloed prijsgegeven
   op een kale rots,-

zonder het te bedekken!-

9


daarom,

zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
wee die stad van stromen bloed!-
ik op mijn beurt
   maak de brandstapel groot!-

10


haal meer stukken hout,
   laat laaien het vuur,
   laat garen het vlees;

maak het kruidigste nog kruidiger
en laat de beenderen verbranden;

11


laat hem leeg op z’n kolen staan
   zodat hij gaat gloeien,
   z’n koperbrons wegbrandt

en z’n verontreiniging midden in hem zal
   wegsmelten,

gedaan is het dan met z’n aanslag;

12


de moeiten waren altijd afmattend,-

maar nooit wilde zijn overvloedige aanslag
   uit hem weg;

z’n aanslag moest het vuur in,-

13


door jouw schandalige verontreiniging!-

omdat ik je heb willen reinigen
   en jij niet rein werd,

zul je van je onreinheid niet meer rein worden
totdat ik mijn gloeiende gramschap
   op jou heb losgelaten;

14


ik, de Ene, heb gesproken; het zal komen
   en ik zal het doen,

ik laat niet los, ik ontzie niemand,
   ik krijg geen spijt;

naar je wegen en je werken
   zal men je berechten,

is de tijding van mijn Heer, de Ene.

15


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   tot mij en zegt:

16


mensenzoon,

zie, ik neem in één klap haar,
   de lust voor je ogen,
   van je weg,-

maar je mag niet weeklagen, niet wenen
en je tranen niet laten komen;

17


houd je kermen stil,

bedrijf geen dodenrouw;
bind je tulband om
en doe je schoenen aan je voeten;
dek je snor en baard niet af
en het treurbrood dat mensen je brengen,
eet dat niet!

18


‘s Ochtends sprak ik de gemeente toe,

‘s avonds stierf mijn vrouw;
ik deed de volgende ochtend
   zoals mij was geboden.

19


Toen zeiden ze tot mij, de gemeente:

moet je ons niet melden wat dit alles
   voor ons betekent

nu jij dat doet?

20


Ik zei tot hen:

het spreken van de Ene
is aan mij geschied om te zeggen:

21


zeg tot het huisgezin van Israël:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
zie, ik ga mijn heiligdom ontwijden,
   de trots van uw aller kracht,

de lust voor uw ogen en de verkwikking
   van uw ziel,-

en uw zonen en dochters
   die ge zult moeten achterlaten
   zullen vallen door het zwaard;

22


en doen zult ge dan
   zoals ik heb gedaan:

ge zult snor en baard niet afdekken
en het treurbrood dat mensen brengen
   zult ge niet eten;

23


uw tulbanden
   zult ge op uw hoofden hebben

en uw schoenen aan uw voeten,
ge zult niet weeklagen en wenen;
wegteren zult ge aan uw ongerechtigheden
en grommen van ellende,
   de een tegen de ander;

24


zo zal Ezechiël u tot een wonderteken zijn:

geheel zoals hij heeft gedaan zult gij doen;
wanneer het komt
zult ge weten
dat ik, de Heer, de Ene ben!
••

25


En jij, mensenzoon,

is het niet zo dat
op de dag dat ik
   van hen hun versterking wegneem,

hun vrolijke luister,-
de lust voor hun ogen,
   het draagvermogen van hun ziel

en hun zonen en dochters,

26


dat op die dag

‘de ontsnapte’ tot je zal komen
om oren iets te laten horen;

27


op die dag

zal voor de ontsnapte je mond worden
geopend: je zult spreken
en niet stom meer zijn;
je zult hun worden tot een wonderteken,
en weten zullen ze dat ík de Ene ben!
••