Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,

zeg tot de leidsman van Tsor:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
omdat je hart hoogmoedig is
   en jij zei ‘ik ben een god,

in het hart der zeeën bezet ik een godenzetel’,-
terwijl jij een mens bent en geen god,
al geef je je hart uit voor een godenhart;

3


zie, wijzer dan Daniël ben jij,

geen geheim is voor jou verborgen;

4


in je wijsheid en verstand

heb je voor jezelf
   voor een vermogen gezorgd;

je hebt gezorgd voor goud en zilver
   in je voorraden;

5


met je grote wijsheid heb je met je handel
   je vermogen vermenigvuldigd,-

maar je hart werd hoogmoedig
   door dat vermogen van jou;

••

6


daarom

heeft mijn Heer, de Ene, zó gezegd:
omdat jij je hart uitgeeft
   voor een godenhart,

7


zie, daarom

laat ik vreemdelingen over je komen,
de tiranniekste der volkeren,-
die hun zwaarden zullen trekken
   tegen je schone wijsheid,

je schone schijnsel zullen doorboren

8


en je laten dalen in de kuil;

in het hart der zeeën zul je
   de dood van een doorboorde sterven;

9


zul je, als je wat zegt,
   nog zeggen ‘ik ben een god’

in het aanschijn van wie jou ombrengt?-
in handen van wie jou doorboren
   ben je een mens en geen godheid!-

10


in handen van vreemdelingen
   sterf je de dood van alle voorhuiddragers!-

ja, ík heb dit gesproken,
is de tijding van mijn Heer, de Ene.
••