Instellingen

1


Het geschiedt

in het elfde jaar,
in de derde, op de eerste na nieuwemaan:
geschied is het spreken van de Ene
   aan mij om te zeggen:

2


mensenzoon,

zeg tot Farao, de koning van Egypte,
   en tot zijn menigte:

met wie ben jij in je grootheid te vergelijken?-

3


zie, Asjoer was een ceder op de Libanon,

schoon van takken, van loof schaduwrijk
   en hoog van stam;

tussen wolkentwijgen
is zijn kruin gegroeid;

4


waterstromen hadden hem groot gemaakt,

een oervloed heeft hem opgeheven;
met haar rivieren
heeft zij gestroomd rondom zijn plantplek,
haar geulen heeft zij laten reiken
tot alle bomen op het veld;

5


zodoende is zijn stam hoger geworden

dan alle bomen op het veld;
talrijk werden zijn takken
   en lang werden zijn twijgen
   van de overvloed van water
   toen hij opschoot;

6


op zijn takken nestelden
   alle vogels van de hemel,

onder zijn twijgen baarden ze,
al wat in wild leeft op het veld;
in zijn schaduw zaten ze
allen, vele volkeren;

7


hoe groter hij werd hoe mooier,

zo lang werden zijn takken,-
want zijn wortel groeide daarheen
waar water in overvloed was;

8


ceders in de tuin van God
   evenaarden hem niet,

cipressen waren niet te vergelijken
   met zijn takken,

er zijn geen platanen geweest
als zijn twijgen;
al het geboomte in de tuin van God
was niet met hem te vergelijken
   in zijn schoonheid;

9


heel mooi heb ik hem gemaakt

met die overvloed van zijn takken;
alle bomen van Eden werden jaloers
daar in de tuin van God;
••