Instellingen

2


mensenzoon,

profeteer over Israëls herders,-
profeteer en zeg tot hen, tot de herders:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
wee de herders van Israël
   die herders voor zichzelf geworden zijn!-

is het niet het wolvee
waarvoor herders herder zijn?-

3


het vet eet ge op, met de wol kleedt ge u

en het gemeste slacht ge,-
maar het wolvee weidt ge niet;

4


die zwak werden hebt ge niet versterkt
   en wat ziek was hebt ge niet genezen;

het gebrokene hebt ge niet verbonden,
het opgedrevene niet helpen terugkeren
en het verlorene niet gezocht;
ge hebt over hen geheerst met hardheid
   en met bruut geweld;

5


zij raken verstrooid, zo zonder herder;

zij worden eetwaar voor al wat in het wild
   leeft op het veld en raken verstrooid;

6


nu dwalen ze, mijn wolvee, over alle bergen

en over elke heuvel die zich verheft;
over heel het aanschijn van de aarde
   zijn ze verstrooid, mijn wolvee,

en geen die naar ze vraagt, geen die zoekt;