Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij om te zeggen:

2


mensenzoon,

richt je aanschijn
tegen het bergland van Seïr;
profeteer daartegen;

3


zeg daartegen:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
hier heb je mij tegen jou, bergland van Seïr!-
uitstrekken zal ik mijn hand tegen jou
en prijsgeven zal ik je
   als wildernis en woestenij;

4


van je steden maak ik een puinhoop

en zelf zul je een woestenij worden;
weten zul je dat ik de Ene ben;

5


omdat jij

eeuwige vijandschap koesterde
en de zonen Israëls uitleverde
   in handen van een zwaard,-

ten tijde van hun ondergang,
ten tijde van uiterste ongerechtigheid;

6


daarom, zowaar ik leef,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
want tot bloed zal ik je maken,
   bloed zal je achtervolgen;

als je bloedvergieten niet hebt gehaat
   zal bloed je achtervolgen!-

7


prijsgeven zal ik Seïrs bergland

aan woestenij en nog eens woestenij;
wegmaaien zal ik daaruit
   wie er doorheen trekt en wie er terugkeert;

8


ik zal zijn bergen vullen
   met zijn doorboorden,-

je hoogten, je dalen en al je ravijnen,
door het zwaard doorboorden
   zullen daarin vallen;

9


als woestenijen voor eeuwig geef ik je prijs

en in je steden zal niemand zich neerzetten;
weten zult ge dat ik de Ene ben;

10


omdat je zegt: die twee volkeren
   en die twee landen moeten van mij worden,
   wij zullen ze beërven,

hoewel de Ene daar is geweest!,

11


daarom, zowaar ik leef,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
zal ik doen
zo woedend als jij en zo naijverig als jij
hebt gedaan
vanuit je haat tegen hen;
ik zal door hen worden gekend
   aan hoe ik jou berecht;

12


weten zul jij dat ik de Ene ben;

gehoord heb ik al je lasteringen
die je hebt gezegd over Israëls bergen,
   toen je zei: die zijn verwoest,

die zijn óns gegeven om kaal te eten!-

13


ge deedt met uw mond groot tegen mij

en hebt uw woorden tegen mij opgestapeld:
ík heb dat gehoord!
••

14


Zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

heel het land zal zich verheugen
als ik jou tot woestenij maak;

15


zoals jij je hebt verheugd
   over het erfdeel van het huis van Israël
   omdat het een woestenij werd,
   zo zal ik aan jou doen;

een woestenij zul je worden,
   bergland van Seïr,
   en heel Edom in haar geheel;

weten zullen ze dat ik de Ene ben;