Instellingen

1


Als over mij de hand van de Ene

is gekomen,
leidt hij mij naar buiten,
   door de geestesadem van de Ene,

en zet hij mij neer midden in de kloof;
die is vol beenderen.

2


Als hij mij aan hen voorbij heeft laten trekken,
   rondom en nog eens rondom,-

zie, dan zijn het er zeer vele,
   óp de oppervlakte van de kloof,

en zie, ze zijn zeer droog.

3


Hij zegt tot mij:

mensenzoon,
kunnen deze beenderen leven?
En ik zeg:
mijn Heer, Ene, dat weet gíj!

4


Hij zegt tot mij:

profeteer over deze beenderen,-
en zeg tot hen:
dorre beenderen,
hoort het spreken van de Ene!-

5


zo heeft mijn Heer, de Ene,

tot deze beenderen gezegd:
zie, ik doe geestesadem in u komen
   en ge zult leven!-

6


ik zal pezen over u geven,
   vlees over u laten klimmen,

een huid over u trekken
en geestesadem in u geven, en ge zult leven!-
weten zult ge dat ik de Ene ben.

7


Ik heb geprofeteerd, zoals mij is geboden,-

en er geschiedt een geluid
   zodra ik heb geprofeteerd: zie, een beving,

de beenderen naderen elkaar,
elk bot nadert het erbij passende bot.

8


Als ik dat heb gezien, ziedaar:
   pezen over hen,
   vlees dat opklimt,

en een huid die hij over hen trekt
   daaroverheen;

maar nog geen geestesadem in hen.

9


Dan zegt hij tot mij:

profeteer tot de Geest,-
profeteer, mensenzoon, en zeg tot de Geest:
   zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

kom vanuit vier geestesstreken, o Geest,
en blaas in deze vermoorden,
   dat ze herleven!

10


Als ik heb geprofeteerd
   zoals hij mij heeft geboden

komt de Geest in hen, en zij herleven;
dan staan ze op hun voeten,
een zeer, zeer grote macht!
••

11


Dan zegt hij tot mij:

mensenzoon,
deze beenderen,
heel het huisgezin van Israël zijn zij;
zie, zij zeggen:
onze botten zijn verdroogd
   en onze hoop ging verloren,
   het is met ons gedaan!-

12


daarom, profeteer en zeg tot hen:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
zie, ik ga uw graven openen
en zal u laten opklimmen uit uw graven,
   gemeente van mij;

ik zal u laten komen
   op Israëls –rode– grond;

••

13


weten zult ge dat ik de Ene ben,-

als ik uw graven open
en u laat opklimmen uit uw graven,
   gemeente van mij!-

14


ik zal mijn geestesadem in u geven
   en ge zult léven,

en ik zal u neerzetten op uw –rode– grond;
weten zult ge
dat ik, de Ene, heb gesproken en zal doen,
   is de tijding van de Ene!