Instellingen

1


Dan geschiedt het woord van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,

richt je aanschijn
   tegen Gog van het land Magog,

een verhevene,
het hoofd van Mesjech en Toeval;
profeteer over hem;

3


zeggen zul je:

zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
hier heb je mij tegen jou, Gog,
verhevene,
hoofd van Mesjech en Toeval!-

4


ik zal je omkeren

en jou haken in je kaken geven;
uitleiden zal ik jou en heel je legermacht,
   met paarden en ruiters,

in vol ornaat gekleed zij allen,
een grote vergadering met scherm en schild,
grijpers van zwaarden zij allen;

5


Paras, Koesj en Poet naast hen;

zij allen met schild en helm;

6


Gomer met al haar troepen,

het huis Togarma
uit de heupen van het noorden
   en al zijn troepen,-

vele manschappen bij jou…

7


wees gereed en bereid je voor,

jij
en heel de vergadering
   van wie met jou vergaderd zijn;

wees hun tot een wacht;

8


na vele dagen zul je worden ingeschakeld;

in het laatst der jaren
   zul je komen in een land
   dat is teruggekeerd van het zwaard,

vergaard uit vele gemeenschappen
op Israëls bergen
die tot een voortdurende puinhoop
   waren geworden;

als zij uit gemeenschappen is uitgeleid
zullen ze zetelen in veiligheid, zij allen;

9


eenmaal opgeklommen
   zul je komen als een orkaan,

als een wolk die de aarde overdekt
   zul je wezen,-

jij en al je troepen
met vele volkeren naast je;
••

10


zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

geschieden zal het te dien dage:
er zullen uitspraken opklimmen tegen je hart
en je zult een kwalijk bedenksel bedenken;

11


zeggen zul je:

ik klim op tegen een land van open dorpen,
ik kom aan bij rustige mensen
die neerzitten in veiligheid;
zij allen
zetelen daar zonder muur,
sluitbalk en deuren hebben ze niet!-

12


om roofgoed te roven
   en buit buit te maken,-

om je hand te keren tegen puinhopen
   die al weer bezet zijn

en tegen een gemeenschap
die is verzameld
   uit verschillende volkeren,

doende met have en goed,
terwijl zij neerzitten op de navel der aarde;

13


Sjeva,

Dedan en de handelslui van Tarsjiesj
en haar welpen zullen tot je zeggen:
kom je om roofgoed te roven,
heb je om buit buit te maken
   je vergadering vergaderd?-

om zilver en goud weg te dragen,
om have en goed mee te nemen,
om een grote roof te roven?;
••

14


profeteer daarom, mensenzoon,

en zeg tot Gog:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
is het niet zo te dien dage
als mijn gemeente Israël neerzit in veiligheid,
   dat jij dat weet?-

15


aankomen zul je uit je woonplaats
   in de heupen van het noorden,

jijzelf
en vele manschappen met jou,-
allen rijdend op paarden,
een grote vergadering
   en een talrijke legermacht;

16


je zult opklimmen tegen mijn gemeente Israël

als een wolk die het land overdekt;
in het laatst der dagen zal het geschieden
dat ik je over mijn land laat komen
opdat de volkeren mij leren kennen
wanneer ik voor hun ogen
   door jou geheiligd word, Gog;

••

17


zo heeft gezegd

mijn Heer, de Ene:
jij bent het toch over wie ik heb gesproken
   in vroegere dagen,

door de hand van mijn dienaars,
   Israëls profeten?-

die in die dagen
   jaren lang hebben geprofeteerd,-

dat ik jou over hen zou laten komen?;
••

18


geschieden zal het te dien dage:

ten dage dat Gog komt
   over Israëls –rode– grond,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
zal mijn gramschap opklimmen in mijn neus;

19


in mijn naijver, in mijn vurigheid
   en overkokend heb ik gesproken:

ondenkbaar dat er te dien dage niet
een groot beven zal geschieden
op Israëls –rode– grond!-

20


beven zullen vanwege mijn verschijning

de vissen der zee, de vogels van de hemel,
   wat in het wild leeft op het veld,

al het gekrioel dat rondkruipt
   over de –rode– grond

en heel de grond –rode– mensheid
op het aanschijn van de –rode– grond;
bezwijken zullen de bergen,
de rotswanden zullen vallen
en elke muur zal ter aarde vallen;

21


op al mijn bergen
   roep ik tegen hem een zwaard op,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,-
het zwaard van een man
   zal tegen zijn broeder zijn;

22


ik zal met hem in het gericht gaan
   met pest en bloed;

stortbuien, hagelstenen, vuur en zwavel
zal ik het laten regenen
   op hem en zijn troepen,

en op de talrijke manschappen
   die bij hem zijn;

23


ik zal mij grootmaken, heiligen

en gekend worden
voor de ogen van vele gemeenschappen;
weten zullen ze dat ik de Ene ben;
••