Instellingen

1


Jij, mensenzoon, neem een kleitegel

en geef haar een plek voor je gelaat;
grif in haar een stad: Jeruzalem!-

2


bezorg haar een benauwend beleg,

bouw pal voor haar een schans
en werp een wal tegen haar op;
breng bij haar legerkampen aan
   en zet tegen haar rondom stormrammen in!-

3


jij, neem dan een ijzeren bakplaat

en zet die als een ijzeren wand
tussen jou en de stad;
richt je gelaat tegen haar,
   zo komt zij in een benauwend beleg

en zul jij haar benauwen;
een teken is dat voor Israëls huisgezin!-
••

4


jij, leg je neer op je linkerzij,

nadat je de ongerechtigheid
   van Israëls huisgezin
   daarop hebt gelegd;

het aantal dagen dat je daarop zult liggen
zul je hun ongerechtigheid moeten dragen;

5


ik,

ik geef jou de jaren van hun ongerechtigheid
als een evenzo groot aantal dagen:
driehonderdnegentigmaal een dag,-
zolang zul jij de ongerechtigheid
   van Israëls huisgezin
   moeten dragen;

6


heb je die voleindigd,

dan moet je een tweede keer gaan liggen,
   nu op je rechterzij,

en de ongerechtigheid
   van Juda’s huisgezin dragen,-

veertigmaal een dag;
een dag voor elk jaar, ja een dag per jaar
   zal ik je geven;

7


richt dan je gelaat op het benauwende beleg
   van Jeruzalem

met je arm ontbloot,-
en profeteer tegen haar;

8


zie, ik zal touwen over je heen gooien,-

zodat jij je niet zult kunnen wenden
   van zij op zij

tot jij voleindigd hebt
   de dagen van je benauwende beleg!-

9


jij, neem je

tarwe,
gerst, bonen en linzen, gierst en spelt;
doe ze in één pot,
en maak er voor jezelf een brood van;
het aantal dagen
   dat je op je zij zult liggen,

driehonderdnegentigmaal een dag,
   zul je dat eten,

10


jouw eten dat je moet eten

zal afgewogen zijn:
twintig sikkel per dag;
van tijdstip tot tijdstip moet je dat eten;

11


water moet je drinken in de maat,
   een zesde van de hien;

van tijdstip tot tijdstip zul je het drinken;

12


als een gerstekoek moet je dat eten;

die
zul je op drollen van wat van de mens
uitgaat voor hun ogen bakken!
••

13


De Ene zegt:

zo zullen zij van Israëls huisgezin
   hun onreine brood eten,-

bij de volkeren
waarheen ik hen zal verstoten!

14


Maar ik zeg:

ach, mijn Heer, Ene,
zie, mijn ziel is nooit verontreinigd geweest,-
van mijn jeugd af tot nu toe
   heb ik nooit iets doodgevallens
   of verscheurds
   gegeten,

en is er in mijn mond
   geen krengenvlees gekomen!

••

15


Hij zegt tot mij:

zie eens,
jou geef ik runderkeutels
in plaats van mensendrollen,-
dat je dáárop je brood kunt klaarmaken!
••

16


Hij zegt tot mij:

mensenzoon, zie ik ga in Jeruzalem
   de broodstaf breken,

en brood zullen ze eten
   afgewogen in diepe zorg;

water
zullen ze drinken
   mondjesmaat en in verbijstering,-

17


opdat het hun zal ontbreken
   aan brood en aan water;

alleman en zijn broer zullen verbijsterd zijn
en wegteren in hun ongerechtigheid.