Instellingen

15


maar de Levitische priesters,
   zonen van Tsadok,

die, toen de zonen Israëls
   van mij wegdwaalden,

waakzaam zijn geweest in de bewaking
   van mijn heiligdom,

zij mogen tot mij naderen
   om mij van dienst te zijn;

zij mogen voor mijn aanschijn staan
om tot mij te doen naderen vet en bloed,
is de tijding van mijn Heer, de Ene;

16


zij mogen komen in mijn heiligdom,

zij mogen naderen tot mijn tafel
   om mij van dienst te zijn;

waakzaam zullen zij wezen
   in wat ik te bewaken geef;

17


laat het geschieden,

als zij de poorten van de binnenste voorhof
   binnenkomen,

dat zij zich in gewaden van linnen kleden;
laat over hen geen wol opkriebelen
als zij dienst doen
in de poorten van de binnenste voorhof
   en in het huis;

18


laten er tulbanden van linnen
   op hun hoofd wezen

en laten er linnen lendedoeken
wezen om hun lendenen;
laten ze zich niet omgorden
   met iets zweterigs;

19


en wanneer zij weer weggaan
   naar de buitenste voorhof,

naar de buitenste voorhof naar de gemeente,
laten ze daar dan hun gewaden
waarin ze dienst doen
uittrekken en ze neerleggen in de kamers
   van het heiligdom;

kleden moeten ze zich in andere gewaden
opdat ze de gemeente niet verheiligen
   met hun gewaden;

20


ze mogen hun hoofd niet kaalscheren

en hun lokken niet los laten hangen:
als er geknipt wordt
   moeten ze hun hoofdharen
   laten knippen;

21


en elke priester: ze zullen geen wijn drinken,-

als ze naar de binnenste voorhof komen;

22


geen weduwe of verstotene

mogen zij zich tot vrouwen nemen,-
alleen maagden
uit zaad van het huis van Israël
of een weduwe die weduwe wordt
van een priester mogen ze nemen;

23


zij moeten mijn gemeente onderrichten

in het verschil tussen heilig en gewoon,-
en dat tussen onrein en rein
   moeten ze hen laten weten;

24


bij een geding

moeten zij klaarstaan om recht te spreken,
volgens mijn rechtsregels
   zullen zij rechtspreken;

over mijn onderrichtingen, mijn inzettingen
op al mijn samenkomsten moeten ze waken
en mijn sabbatten zullen ze heiligen;

25


bij een dode mens

mogen ze niet komen
   en zich zo verontreinigen;

alleen aan een vader,
een moeder, een zoon, een dochter,
   een broer

of een zuster
   die nooit van een man geweest is
   mogen ze zich verontreinigen;

26


na zijn reiniging,-

zullen ze voor hem zeven dagen aftellen;

27


op de dag dat hij weer in het heiligdom komt,
   in de binnenste voorhof
   om dienst te doen in het Heilige,

moet hij een ontzondiging
   van hem doen naderen,-

is de tijding van mijn Heer, de Ene;

28


dit zal hun erfdeel wezen:

ik ben hun erfdeel!-
grondbezit
zult ge hun in Israël niet geven:
ik ben hun grondbezit!-

29


de broodgift, de ontzondiging

en de verontschuldiging,
zij zullen die eten,-
en al wat in Israël gebannen wordt
   zal voor hen zijn;

30


het eerste van alles, de eerstelingen van alles
   en elke heffing op alles

uit al uw heffingen,
zal voor de priesters wezen;
ook het eerste van uw gerstegort
   zult ge aan de priester geven,

om zegen op je huis te laten rusten;

31


alles wat rustig weggekwijnd is
   of juist verscheurd,

van het gevogelte en van het gedierte,
mogen de priesters niet eten;