Instellingen

1


Zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

de poort
   van de binnenste voorhof
   die gewend is naar het oosten,

moet gesloten blijven
gedurende de zes dagen van het werk;
op de dag van de sabbat
   zal hij worden geopend

en op de dag van de nieuwemaan
   zal hij worden geopend;

2


door de voorhal van de poort

zal van buiten af de verhevene binnenkomen
en stilstaan bij de deurpost van de poort;
klaarmaken zullen de priesters
zijn opgangsgave en zijn vredesgaven;
hij zal zich neerwerpen
   op de onderdorpel van de poort
   en dan weggaan;

maar tot aan de avond
   zal de poort niet gesloten worden:

3


die van de gemeenschap van het land
   zullen op sabbatten en bij nieuwemanen
   zich neerwerpen

in de ingang van die poort,-
voor het aanschijn van de Ene;

4


de opgangsgave

die de verhevene tot de Ene zal doen naderen,-
op de dag van de sabbat?-
een zestal vol-gave schapen
   en een vol-gave ram;

5


een broodgift van een efa bij de ram

en bij de schapen als broodgift
   wat zijn hand kan geven;

een hien olijfolie per efa;

6


op de dag van nieuwemaan

een var, het jong van een rund, vol-gaaf,-
een zestal schapen en een ram,
   vol-gaaf moeten ze wezen;

7


een efa bij de var en een efa bij de ram
   moet hij klaarmaken als broodgift,

en bij de schapen
naardat zijn hand toereikend is;
een hien olijfolie per efa;

8


als de verhevene komt,-

moet hij binnenkomen
   door de voorhal van de poort

en langs die weg ook weer weggaan;

9


als bij samenkomsten
   de gemeenschap van het land
   tot het aanschijn van de Ene komt,

moet wie door de noorderpoort komt
om zich neer te werpen
weggaan door de zuiderpoort,
en moet wie komt door de zuiderpoort
weggaan door de noorderpoort;
hij mag niet terugkeren
door de poort waardoor hij is gekomen,
nee, door de tegenoverliggende
   moet hij weggaan;

10


de verhevene?-

als zij aankomen zal hij in hun midden
   meekomen,

en als zij weggaan zal hij meegaan;

11


op de feesten en de samenkomstdagen

wordt de broodgift een efa per var
   en een efa per ram

en bij de schapen wat zijn hand kan geven;
een hien olijfolie per efa.
••

12


Wanneer de verhevene iets niet-verplichts
   wil klaarmaken,

een niet-verplichte opgangsgave
   of vredesgaven
   voor de Ene,

dan zal men voor hem openen
de poort die gewend is naar het oosten,
en zal hij zijn opgangsgave
   en zijn vredesgaven
   klaarmaken

zoals hij ze klaarmaakt op de sabbatdag;
zal hij weggaan
   dan zal men de poort sluiten
   nadat hij is weggegaan;

13


een schaap van een jaar oud en vol-gaaf

moet je klaarmaken als opgangsgave
   voor elke dag aan de Ene;

ochtend aan ochtend moet je dat klaarmaken;

14


als broodgift moet je daarbij klaarmaken,
   ochtend aan ochtend, het zesde van een efa,

met een derde hien olijfolie
   om de bloem mee te mengen,-

een broodgift aan de Ene,
een inzetting voor eeuwig en altijd!-

15


klaarmaken zullen ze het schaap,
   de broodgift en de olie ochtend aan ochtend,-

een opgangsgave voor altijd!

16


Zo heeft gezegd

mijn Heer, de Ene:
wanneer de verhevene een gift geeft
   aan iemand uit zijn zonen,

zijn erfdeel is het
   en voor zijn zonen mag het zijn;

hun eigendom is dat, in erfelijk bezit;

17


en wanneer hij uit zijn erfdeel een gift geeft

aan een uit zijn dienaren,
dan zal die van hem zijn tot aan het jaar
   van de vrijlating;

terugkeren zal het dan naar de verhevene;
echt, het is erfelijk bezit van hem
en zijn zonen, voor hen zal het zijn;

18


nooit mag de verhevene nemen

uit het erfbezit van de gemeenschap
en hen zo wegdrukken van hun eigen grond,
uit eigen eigendom
   moet hij zijn zonen toedelen,-

opdat ze nooit verstrooid raken,
   mijn gemeente,-

niemand van zijn eigen grond!

19


Dan brengt hij mij door de ingang
   in de schouder van de poort

naar de kamers
   van de priesters in het heiligdom,

die zich naar het noorden wenden;
en zie, daar is een plaats
bij de ‘heupen’, op zee aan,-
••

20


en hij zegt tot mij:

dit is de plaats
waar de priesters
de verontschuldiging
   en de ontzondiging koken,-

en waar zij de broodgift kunnen bakken
zonder iets naar de buitenste voorhof
   naar buiten te brengen
   en zo de gemeente te heiligen!

21


Dan brengt hij mij naar buiten

naar de buitenste voorhof
en laat mij oversteken
naar de vier hoekpunten van de voorhof.
En ziedaar een voorhof in een hoekpunt
van de voorhof
en weer een voorhof in een hoekpunt
   van de voorhof:

22


in de vier hoeken van de voorhof zijn
   kleine voorhoven

van veertig lang
en dertig breed,-
éénzelfde maat
voor hen vieren, die hoekruimtes;

23


er is een blokkenwering
   rondom hen in het rond
   bij hen vieren;

en er zijn kookplekken gemaakt,
onder aan de borstweringen in het rond.

24


Hij zegt tot mij:

dit zijn de kokshuizen
waar de bedienden van het huis
   het offer van de gemeente koken!