Instellingen

1


Jij, mensenzoon,

neem je een scherp zwaard,
als een barbiersmes moet je dat nemen
en daarmee over je hoofdhaar
   en je baard gaan;

neem dan een weegschaal en verdeel alles;

2


een derde

steek je met een lont aan, midden in de stad,
met dat de dagen van de benauwing
   vervuld zijn;

neem dan het volgende derde
en sla met het zwaard daaromheen,
en het volgende derde
moet je uitstrooien in de wind,
daarachteraan zal ik een zwaard trekken;

3


neem daarvandaan een beetje, afgeteld,

en berg dat op in je zomen;

4


neem daarvan nóg wat

en werp die midden in het vuur
en verbrand ze in het vuur;
daaruit zal een vuur uitgaan
   naar heel het huis van Israël!

5


Zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

dit is Jeruzalem,
midden tussen de volkeren heb ik haar gezet,-
met landen om haar heen;

6


maar weerspannig
   heeft zij mijn rechtsregels veranderd
   in boosheid, erger dan de volkeren,

en mijn wetten,
erger dan de landen om haar heen;
want mijn rechtsregels hebben zij verworpen
en hun wandel is niet volgens mijn wetten;
••

7


daarom,

zo heeft mijn Heer, de Ene, gezegd,
omdat ge meer hebt gerumoerd
   dan de volkeren rondom u,

niet hebt gewandeld volgens mijn wetten
en mijn rechtsregels niet hebt gedaan
en zelfs naar de rechtsregels van
   de volkeren rondom u niet hebt gedaan,-

••

8


daarom,

zo heeft mijn Heer, de Ene, gezegd,
ziehier, ík ben tegen je, ook ik,-
en ik zal voor de ogen der volkeren
   in jouw midden gerichten doen;

9


ik zal bij jou doen

wat ik nooit heb gedaan
en zoals ik nooit meer doen zal,-
vanwege al je gruwelen;
••

10


daarom zullen

vaders
in jouw midden zonen opeten
en zullen zonen hun vaders eten;
ik zal bij jou gerichten voltrekken
en al wat er van je resteert
   uitstrooien naar elke windstreek;

11


daarom, zowaar ik leef,

is de tijding van mijn Heer, de Ene,
als ik niet!…
omdat je mijn heiligdom hebt besmet
met al je afschuwelijkheden
   en al je gruwelen,-

ga ook ik kaalscheren
   en zal mijn oog niets ontzien,

ook ik zal niets en niemand sparen;

12


een derde van jou,

die zullen sterven door de pest
en in jouw midden door de honger
   aan hun einde komen;

het volgende derde,
die zullen rondom jou vallen door
   het zwaard,-

het volgende derde zal ik uitstrooien
   naar elke windstreek

en achter hen aan zal ik een zwaard trekken;

13


mijn woede zal worden gekoeld,

ik zal mijn gloeiende gramschap
   op hen doen rusten
   en dan heb ik rust-en-troost;

weten zullen ze
dat ík de Ene ben,
als ik heb gesproken in mijn naijver
en mijn gloeiende gramschap
   aan hen heb gekoeld;

14


ik maak jou tot een puinhoop,
   een voorwerp van hoon

onder de volkeren om je heen,-
voor de ogen van al wie voorbijtrekt;

15


worden zul je een voorwerp
   van hoon en lastering,

een voorbeeld van bestraffing en verbijstering
voor die volkeren om je heen,-
wanneer ik bij jou gerichten houd,
   in woede, gramschap en grimmige straffen;

ík, de Ene, heb gesproken!-

16


ik schiet

hongerpijlen af, de kwalijkste onder hen,
   en die zullen verderfelijk worden

wanneer ik ze afschiet om u af te slachten;
honger zal ik daaraan toevoegen,
ik zal voor u de broodstaf breken;

17


ik zal honger over u uitzenden

en boosaardig wild,
   en die zullen je kinderloos maken;

pest, een bloedvergieten,
   zal bij je rondtrekken,-

een zwaard zal ik over je laten komen,
ík, de Ene, heb gesproken!