Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

tot mij en zegt:

2


jij, mensenzoon,

zó heeft gezegd
mijn Heer, de Ene, tot Israëls –rode– grond:
   er is een einde aan,-

gekomen is het einde
over de vier vleugels van het land;

3


nu is daar het einde over jou,

ik zal mijn woede over je loslaten
en je berechten naar je eigen wegen;
teruggeven zal ik over jou
al je eigen gruweldaden;

4


mijn oog zal je niet ontzien,
   ik zal niemand sparen;

nee, ik zal je eigen wegen over je teruggeven
en je gruweldaden
   zullen iets in je eigen midden
   worden,

weten zult ge dat ik de Ene ben!

5


Zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:

zie, het ene kwaad
   komt na het andere kwaad!-

6


een einde is gekomen,

gekomen is het einde
   dat eindelijk ontnuchtering over je brengt,-

zie, het komt!-

7


de morgenstond is tot jou gekomen,
   ingezetene van het land;

gekomen is het tijdstip,
genaderd de dag van krijgsrumoer
   zonder ‘hoera’ in de bergen;

8


nú is het nabij

dat ik mijn gloeiende gramschap
   over je uitgiet

en mijn woede op jou zal koelen;
ik zal je berechten naar je eigen wegen,-
en over jou teruggeven
al je gruweldaden;

9


mijn oog zal je niet sparen;

naar je eigen wegen geef ik over jou terug,
en je gruweldaden
   zullen in je eigen midden
   geschieden;

weten zult ge
dat ik, de Ene, het ben die slaat;

10


ziedaar de dag, zie het is gekomen;

uitgetogen is de morgenstond,
de staf is gaan bloeien
maar er is onbekooktheid aan ontsproten;

11


het geweld is opgestaan
   tot een staf van boosheid:

niets geschiedt er uit hen,
niets uit hun rumoer,
niets uit hun rumoerige menigte,
   niets van pracht en praal bij hen;

12


gekomen is de tijd, genaakt is de dag;

laat de koper zich niet verheugen
en de verkoper niet rouwen,-
want dat opgloeien geldt al haar rumoer;

13


zolang hij nog in leven is

zal de verkoper
naar het verkochte niet terugkeren;
zo zal zo’n visioen naar al z’n rumoer
   niet terugkeren

en kan een man met zijn ongerechtigheid
   zich niet sterk maken;

14


een stootsignaal zullen ze uitstoten
   en alles gereedmaken

maar er gaat niemand ten oorlog,-
want ik ben gloeiend tegen al hun rumoer;

15


het zwaard woedt buiten de muren,

de pest en de honger erbinnen;
wie op het veld is vindt de dood
   door het zwaard

en wie in de stad blijft
wordt door honger en pest opgevreten;

16


zijn er van hen ontsnapten ontsnapt,

dan zullen ze op de bergen zijn
als duiven uit de dalen:
   ze gaan allemaal dood,-

ieder om zijn ongerechtigheid;

17


alle handen zullen verslappen,-

en alle knieën zullen overgaan in water;

18


ze zullen zich rouwzakken aangorden

en huivering zal hen omhullen;
op aller aanschijn staat schaamte,
aller hoofden zijn kaalgeschoren;

19


hun zilver

zullen ze op de straten wegwerpen
en hun goudgeld wordt tot oud vuil:
hun zilver en goud kan hen niet redden;
op de dag dat de Ene overkookt
zullen zij hun ziel er niet mee verzadigen
noch hun ingewanden er mee vullen,-
want het is hun een struikelblok
   tot ongerechtigheid
   geweest;

20


hun sierlijke tooi hebben ze gemaakt tot
   hoogmoed,

beeltenissen van hun gruwelen en van hun
   afschuwelijkheden
   hebben ze ermee gemaakt;

daarom zal ik het hun geven als oud vuil;

21


ik zal het de vreemdelingen als buit
   in handen geven,-

en aan de boosdoeners der aarde
   als roofgoed;

die zullen het ontwijden;

22


als ik mijn aanschijn van hen wegdraai

zullen ze mijn verborgenheid ontwijden;
inbrekers zullen daar binnenkomen
   en die ontwijden;

23


maak de kettingen klaar,-

want het land is vol van een bloedig gericht
en de stad is vervuld van geweld;

24


ik zal de kwaadaardigste volkeren
   laten komen

en die zullen hun huizen in bezit nemen;
stoppen zal ik de hoogmoed van hun kracht
en hun heiligdommen zullen worden ontwijd;

25


paniek zal er komen;

ze zullen vrede zoeken, maar die is er niet;

26


ramp op ramp zal er komen,

het ene ongehoorde
   na het andere zal geschieden;

ze zullen een visioen zoeken bij een profeet
als onderricht al verdwenen is bij een priester
en bij oudsten goede raad;

27


de koning zal in rouw zijn,

de verhevene gekleed gaan
   in ontzetting,

en de handen van de manschap des lands
   zullen van verbijstering verlamd zijn;

overeenkomstig hun eigen weg
zal ik doen met hen
en naar hun eigen gerichten berecht ik hen;
weten zullen ze dat ik de Ene ben!