Instellingen

1


Toen Israël nog jong was

kreeg ik hem lief,-
uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.

2


Maar zij hebben tot hén geroepen,-

zo zijn zij van mijn aanschijn
   weggelopen, zij,

aan de baäls zijn ze gaan offeren,
voor snijbeelden gaan wieroken;

3


ik, ik heb Efraïm op de voeten gezet,

en hen op mijn armen genomen,-
maar zij hebben nooit willen weten
   wat ik deed voor hun genezing.

4


Aan menselijke snoeren
   trok ik hen voort,
   aan koorden van liefde;

ik was voor hen als
   wie een zuigeling optillen tegen hun wang,

ik boog mij over hem heen,
   ik gaf hem te eten.

5


Hij zal niet terugkeren
   naar het land Egypte,

Asjoer, dát wordt zijn koning,-
omdat zij geweigerd hebben
   zich te bekeren.

6


Een zwaard zal door zijn steden zwieren,

aan zijn zwetsers een eind maken
en ze verteren,-
vanwege hun beraadslagingen.

7


Gemeente van mij!-

ze hebben zich opgehangen
aan hun afkeer van mij;
al roepen ze naar boven,
eensgezind, hij zal hen niet verheffen!

8


Maar hoe

kán ik je prijsgeven, Efraïm,
kan ik jou uitleveren, Israël;
hoe kan ik je prijsgeven als Adama,
je neerzetten als Tsevojiem?-
mijn hart zal zich in mij omdraaien,
eensgezind
   zullen mijn barmhartigheden zich roeren.

9


Ik zal niet doen naar de gloed
   van mijn toorn,

ik zal niet terugkeren en
   Efraïm verderven;

want een Godheid ben ik
   en geen mens,

in je midden een Heilige;
ik zal in de stad niet komen!

10


Zullen ze achter de Ene aangaan,
   als een leeuw zal hij brullen;

wanneer hij brult
zullen zonen bevend komen
   uit het westen;

11


ze zullen bevend als een vogel
   komen uit Egypte,

als een duif uit het land van Asjoer;
ik zal hen laten zetelen in hun huizen!-
   is de tijding van de Ene.

••