Maar zij hebben tot hén geroepen,- zo zijn zij van mijn aanschijn weggelopen, zij, aan de baäls zijn ze gaan offeren, voor snijbeelden gaan wieroken;
3
ik, ik heb Efraïm op de voeten gezet, en hen op mijn armen genomen,- maar zij hebben nooit willen weten wat ik deed voor hun genezing.
4
Aan menselijke snoeren trok ik hen voort, aan koorden van liefde; ik was voor hen als wie een zuigeling optillen tegen hun wang, ik boog mij over hem heen, ik gaf hem te eten.
5
Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte, Asjoer, dát wordt zijn koning,- omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren.
6
Een zwaard zal door zijn steden zwieren, aan zijn zwetsers een eind maken en ze verteren,- vanwege hun beraadslagingen.
7
Gemeente van mij!- ze hebben zich opgehangen aan hun afkeer van mij; al roepen ze naar boven, eensgezind, hij zal hen niet verheffen!
8
Maar hoe kán ik je prijsgeven, Efraïm, kan ik jou uitleveren, Israël; hoe kan ik je prijsgeven als Adama, je neerzetten als Tsevojiem?- mijn hart zal zich in mij omdraaien, eensgezind zullen mijn barmhartigheden zich roeren.
9
Ik zal niet doen naar de gloed van mijn toorn, ik zal niet terugkeren en Efraïm verderven; want een Godheid ben ik en geen mens, in je midden een Heilige; ik zal in de stad niet komen!
10
Zullen ze achter de Ene aangaan, als een leeuw zal hij brullen; wanneer hij brult zullen zonen bevend komen uit het westen;
11
ze zullen bevend als een vogel komen uit Egypte, als een duif uit het land van Asjoer; ik zal hen laten zetelen in hun huizen!- is de tijding van de Ene. ••