na twee dagen laat hij ons herleven,- ten derden dage zal hij ons doen opstaan en zullen wij voor zijn aanschijn leven;
3
dan zullen wij kennen, ernaar jagen om de Ene te kennen; als de morgenschemer, zo zeker is zijn uittocht; als de stortbui zal hij over ons komen, als een lenteregen zal hij laven het land!
4
Wat moet ik met je doen, Efraïm, en wat doe ik met jou, Juda?- je vriendschap is als de bewolking in de ochtend en als de dauw die de schouders recht en weer gaat!-
5
daarom heb ik op hen ingehakt door de profeten, ik heb hen omgebracht met wat mijn mond zei; maar de gerichten over jou waren een licht dat aanbrak;
6
want in vriendschap heb ik behagen en niet in een offer,- in kennis van God meer dan in opgangsgaven!
7
Zíj hebben in Adam* Vermoedelijk gaat het hier om het stadje Adam aan de Jordaan, genoemd in Jozua 3,16. het verbond overtreden,- daar zijn zij mij ontrouw geworden;
8
Gilead is een vesting vol bewerkers van onheil,- vol voetsporen van bloed;
9
zoals roversbenden iemand verbeiden, is het priesterverband; mogen ze hen op weg naar Sjechem vermoorden,- omdat ze hoererij hebben begaan!-
10
bij het huis van Israël heb ik huiveringwekkende dingen gezien: daar was hoererij bij Efraïm, Israël heeft zich onrein gemaakt!
11
Maar Juda daarentegen, voor jou is een oogst weggelegd,- als ik een keer breng in de kerkering van mijn gemeente! •