Instellingen

1


Stoot in Sion op een ramshoorn,

laat het schallen op de berg / van mijn heiligdom,-
dat sidderen
alle ingezetenen van het land,-
want gekomen is de dag van de Ene,
ja, genaderd is hij,

2


een dag van duisternis en lichteloosheid,

een dag van wolkendek en donkerte;
als morgenrood is uitgespreid / over de bergen:
een manschap talrijk en kernachtig;
zoals hij
is er sinds de eeuwigheid niet geweest,
en zal er na hem / niet aan worden toegevoegd,
tot in de jaren van generatie na generatie.

3


Vóór zijn aanschijn uit gaat
   een verterend vuur,

achter hem aan een verzengende vlam;
als de hof van Eden
   is het land vóór zijn verschijning,

achter hem wordt het
   een verwoeste woestijn,

en ook zal er geen ontsnappen / voor hem mogelijk zijn.

4


Zoals paarden eruitzien, ziet hij eruit;

als rossen, zo rennen zij voort;

5


als het geluid van strijdwagens

die over de toppen van de bergen hotsen,
als het geluid van een laaiend vuur
dat stoppels verteert;
als een kernachtige manschap
in slagorde opgesteld ten strijde.

6


Voor zijn verschijning
   zullen gemeenschappen beven,-

alle gezichten lopen dan rood aan.

7


Als helden zullen zij rennen,

als krijgslieden / beklimmen zij een muur;
ieder gaan ze over hun eigen wegen,
hun paden kennen geen omweg;

8


man en broeder verdringen elkaar niet,

per kerel gaan ze hun eigen baan;
al vallen er door de werpspeer,
zij laten hun gelid niet breken.

9


Op de stad storten zij zich,

over de muur rennen zij,
de huizen klimmen zij in;
door de vensters komen zij binnen / als een dief.

10


Voor zijn aanschijn zal de aarde sidderen,

zullen de hemelen wankelen;
zon en maan zullen zwart worden,
de sterren halen dan hun schijnsel binnen.

11


De Ene zal

voor de verschijning / van zijn krijgsmacht uit
   zijn stem te horen geven,

want zeer talrijk is zijn leger,
want kernachtig is wie zijn woord dóet;
want groot is de dag van de Ene
   en zeer te vrezen,
   wie zal hem aankunnen?

12


Maar ook nu geldt,
   is de tijding van de Ene:

bekeert u tot mij, met heel uw hart,-
in vasten, geween en weeklacht!-

13


scheurt uw hart in en niet uw gewaden,

keert terug naar de Ene, uw God;
want genadig en ontfermend is hij,
lankmoedig, en rijk aan vriendschap:
hij kan spijt krijgen over het kwaad.

14


Wie weet zal hij zich bekeren en spijt krijgen,-

en een zegen achter zich overlaten
als broodgift en plengoffer
voor de Ene, uw God.

15


Stoot in Sion op een ramshoorn,-

heiligt een vasten, roept een hoogtij uit!

16


Verzamelt de manschap,

heiligt de vergadering, / vergadert de oudsten,
verzamelt de kindertjes
en wie nog aan borsten zuigen,
laat een bruidegom / weggaan uit zijn binnenkamer
en een bruid van onder haar trouwhemel!

17


Laat tussen de voorhal en het altaar

de priesters wenen
die de Ene ten dienste staan,-
laat ze zeggen:
spaar, Ene, uw gemeente,
en geef uw erfdeel niet prijs
   aan de hoon dat de volkeren / over hen heersen;

waarom zouden ze
   bij de manschappen zeggen:

waar is hun God?!

18


Dan zal de Ene ijveren voor zijn land,-

en medelijden hebben met zijn gemeente.

19


De Ene zal antwoorden
   en tot zijn gemeente zeggen:

ziehier, ik zend tot u
   het koren, de most en de boomolie

en ge zult u daaraan verzadigen;
ik zal u niet nogmaals prijsgeven
   aan hoon onder de volkeren;

20


de noorderling

zal ik ver weg van u drijven,
wegstoten zal ik hem naar een / dor en woest land;
zijn aanschijn
naar de oostelijke zee
en zijn achtereind naar de achterzee;
opstijgen zal zijn stank
en opstijgen zal zijn walm,
om zijn grootdoenerij.

21


Vrees niet, –rode– grond;

juich en verheug je,
want de Ene zal grote dingen doen!

22


Vreest niet, dieren op het veld,

want de oases in de woestijn
   zullen weer groen worden,-

ja het geboomte zal zijn vrucht dragen,
vijgenboom en wijnstok / zullen hun vermogen geven!

23


Kinderen van Sion,

juicht, en verheugt u in de Ene, uw God
want geven zal hij u / een leraar ter gerechtigheid,-
en doen neerdalen zal hij voor u
een stortbui van / herfstregen en lenteregen,
   als in het eerst.

24


Vullen zullen zich de dorsvloeren met koren,-

overlopen zullen de perskuipen / van most en olie.

25


Vergoeden zal ik u de jaren

die de sprinkhaan opat,
de langpoot, de kaalvreter en de knaagbek,-
mijn grote krijgsmacht
die ik bij u uitzond.

26


Eten en eten zult ge en verzadigd worden,

en loven zult ge
de naam van de Ene, uw God,
die wonderbaar met u gedaan heeft;
mijn gemeente, ze zullen voor eeuwig
   niet meer beschaamd worden.

27


Weten zult ge

dat ik in Israëls midden ben,
en dat ik, de Ene, uw God ben
   en niemand meer;

mijn gemeente, ze zullen voor eeuwig
   niet meer beschaamd worden!

••