Instellingen

1


Hoort

dit woord,
vaarzen van de Basan / op de berg van Samaria,
die geringen verdrukken
en armen vertrappen!-
die tot hun heren zeggen:
laat komen, we willen drinken!

2


Gezworen heeft mijn Heer, de Ene,
   bij zijn heiligheid

dat er, zie, dagen over u op komst zijn,-
dat men u zal optillen aan angels,
uw achterste aan vishaken,-

3


en gij door bressen de stad uittrekt,
   ieder recht voor zich uit,

ge zult heengezonden worden
   naar de Hermon,
   is de tijding van de Ene.

4


Komt naar Bet El / en begaat maar uw overschrijdingen,

naar de Gilgal
en zorgt voor een overvloed
   van overschrijding!-

brengt tegen de ochtend uw offeranden,
alle derde dagen uw tienden!-

5


ontsteek van wat er verzuurd is een dankoffer,

roept geloften uit, laat ze maar horen!-
want zó hebt ge lief, zonen Israëls,
is de tijding van mijn Heer, de Ene!

6


Ik echter heb aan u gegeven:
   te schone tanden, in al uw steden,

gebrek aan brood in al uw plaatsen,-
maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij,
   is de tijding van de Ene!

7


Ook heb ik u de stortbui onthouden

in de nog drie maanden voor de oogst,
en ik heb het laten regenen over de ene stad
maar over een andere stad / gaf ik weer géén regen;
de ene akker werd beregend,
en een akker waarover het niet regende
   droogde uit;

8


twee, drie steden wankelden

naar één stad om water te drinken
   en waren niet te verzadigen,-

maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij,
   is de tijding van de Ene!

9


Ik heb u geslagen met korenbrand
   en met vergeling,

heb uw hoven / en uw wijngaarden geruïneerd,
   uw vijgenbomen en olijven / heeft de knaagbek opgevreten,-

maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij,
   is de tijding van de Ene!

••

10


Ik zond onder u een pestplaag uit
   op een wijze als in Egypte,

ik bracht uw uitgelezen jongemannen om
   door het zwaard,

gelijk met de kerkering van uw paarden;
ik liet
de stank van uw legers opstijgen / in uw neus,-
maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij,
   is de tijding van de Ene!

11


Ik heb u omgekeerd

zoals God Sodom en Gomorra / omgekeerd heeft,
en ge zijt geworden
als hakhout uit een brandstapel gerukt,-
maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij,
   is de tijding van de Ene!

••

12


Daarom

blijf ik zó met je doen, Israël;
omdat ik dit aan je ga doen:
bereid je voor om je God te ontmoeten, / Israël!

13


Want zie, hij die bergen boetseert / en stormwind schept,

en aan de –rode– mens meldt / wat hij overpeinst,
de maker van morgenrood en nachtzwart,
wiens weg gaat over de hoogten der aarde:

Ene, God der strijdscharen, / is zijn naam.

••