| 1 | Hoort dit woord, vaarzen van de Basan / op de berg van Samaria, die geringen verdrukken en armen vertrappen!- die tot hun heren zeggen: laat komen, we willen drinken!
| |
| 2 | Gezworen heeft mijn Heer, de Ene, bij zijn heiligheid dat er, zie, dagen over u op komst zijn,- dat men u zal optillen aan angels, uw achterste aan vishaken,-
| |
| 3 | en gij door bressen de stad uittrekt, ieder recht voor zich uit, ge zult heengezonden worden naar de Hermon, is de tijding van de Ene.
| |
| 4 | Komt naar Bet El / en begaat maar uw overschrijdingen, naar de Gilgal en zorgt voor een overvloed van overschrijding!- brengt tegen de ochtend uw offeranden, alle derde dagen uw tienden!-
| |
| 5 | ontsteek van wat er verzuurd is een dankoffer, roept geloften uit, laat ze maar horen!- want zó hebt ge lief, zonen Israëls, is de tijding van mijn Heer, de Ene!
| |
| 6 | Ik echter heb aan u gegeven: te schone tanden, in al uw steden, gebrek aan brood in al uw plaatsen,- maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij, is de tijding van de Ene!
| |
| 7 | Ook heb ik u de stortbui onthouden in de nog drie maanden voor de oogst, en ik heb het laten regenen over de ene stad maar over een andere stad / gaf ik weer géén regen; de ene akker werd beregend, en een akker waarover het niet regende droogde uit;
| |
| 8 | twee, drie steden wankelden naar één stad om water te drinken en waren niet te verzadigen,- maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij, is de tijding van de Ene!
| |
| 9 | Ik heb u geslagen met korenbrand en met vergeling, heb uw hoven / en uw wijngaarden geruïneerd, uw vijgenbomen en olijven / heeft de knaagbek opgevreten,- maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij, is de tijding van de Ene! ••
| |
| 10 | Ik zond onder u een pestplaag uit op een wijze als in Egypte, ik bracht uw uitgelezen jongemannen om door het zwaard, gelijk met de kerkering van uw paarden; ik liet de stank van uw legers opstijgen / in uw neus,- maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij, is de tijding van de Ene!
| |
| 11 | Ik heb u omgekeerd zoals God Sodom en Gomorra / omgekeerd heeft, en ge zijt geworden als hakhout uit een brandstapel gerukt,- maar ge zijt niet teruggekeerd naar mij, is de tijding van de Ene! ••
| |
| 12 | Daarom blijf ik zó met je doen, Israël; omdat ik dit aan je ga doen: bereid je voor om je God te ontmoeten, / Israël!
| |
| 13 | Want zie, hij die bergen boetseert / en stormwind schept, en aan de –rode– mens meldt / wat hij overpeinst, de maker van morgenrood en nachtzwart, wiens weg gaat over de hoogten der aarde:
Ene, God der strijdscharen, / is zijn naam. ••
| |