Instellingen

1


Dit zijn

de namen van de zonen Israëls
die naar Egypte zijn gekomen;
met Jakob,
per man met zijn huis, zijn ze gekomen:

2


Ruben, Simeon,

Levi en Juda;

3


Issachar, Zebulon en Benjamin;

4


Dan en Naftali, Gad en Aser.

5


Zo wordt

alle ziel van wie zijn uitgetrokken uit de
heup van Jakob: zeventigmaal een ziel;
en Jozef wás al in Egypte.

6


Dan sterft Jozef, en al zijn broeders,

heel die generatie.

7


Maar de zonen Israëls

zijn vruchtbaar geweest:
het wemelt van hen, ze zijn er in overvloed,
   ze worden zéér, zéér sterk;

vol wordt het land van hen!