Instellingen

8


Er staat een nieuwe koning op
   over Egypte

die Jozef niet gekend heeft.

9


Hij zegt tot zijn gemeenschap:

ziehier,
de gemeenschap van de zonen Israëls
is overvloediger en sterker dan wij!-

10


welaan, laten we wijs handelen met hem,

anders groeit hij nog meer;
en wanneer het zal zijn
dat er een oorlog uitbreekt,
   zal ook hij zich voegen bij onze haters,

oorlog met ons voeren
   en opklimmen uit het land!

11


Ze stellen over hem aan: vorsten van
   dwangarbeid,

met het doel hem te onderdrukken
   met hun lasten;

zo bouwt hij opslagsteden, voor Farao:
   Pitom en Raämsees,


‘de poort was gaaf,
   maar kwáád de dwangarbeid!’

12


Maar hoe meer ze hem onderdrukken,

des te overvloediger wordt hij
   en breekt hij uit,

zodat zij weerzin krijgen
tegen het aanschijn van de zonen Israëls.

13


De Egyptenaren laten de zonen Israëls
   met bruutheid sloven.

14


Ze maken hun het leven bitter
   met harde slavendienst,

met leem en tichelstenen,
met allerlei slavendienst op het veld,-
al hun slavenwerk
waarmee ze bij hen onder bruutheid
   hebben moeten sloven.