Instellingen

15


Dan zegt de Ene tot Mozes:

wat schreeuw je tot míj!-
spreek tot de zonen Israëls
   dat ze moeten opbreken!-

16


en jijzelf:

hef je staf omhoog;
strek je hand uit over de zee en klief hem;
dan komen de zonen Israëls
beneden door de zee op het droge!-

17


en ik,

ziedaar, ik versterk het hart van Egypte
zodat ze hen achterna komen;
dan zal ik gloriëren,
   door Farao en heel zijn legermacht,

zijn wagens en zijn ruiters;

18


weten zullen ze, de Egyptenaren,
   dat ik de Ene ben!,

als ik glorieer door Farao,
zijn wagens en zijn ruiters!

19


Dan breekt op:

de engel Gods
die ging voor het aanschijn van Israëls leger,
en gaat áchter hen mee;
ook breekt op:
de staande wolk, van voor hun aanschijn,
en gaat áchter hen staan.

20


Hij komt

tussen het leger van Egypte
en het leger van Israël,-
zo is er de wolk én het duister
en verlicht hij de nacht;
de een is de ander niet genaderd,
   heel de nacht.

21


Dan strekt Mozes zijn hand uit,

over de zee,
en de Ene laat de zee leeglopen
   door een machtige oosterstorm,
   heel de nacht,

en hij maakt de zee tot droog land;
de wateren worden gekloofd.

22


Zo komen de zonen Israëls
   beneden door de zee op het droge;

de wateren zijn voor hen een muur,
rechts van hen en links van hen!

23


De Egyptenaren jagen hen na
   en komen hen achterna,-

elk paard van Farao,
zijn wagens en zijn ruiters,-
tot onder in de zee.

24


Het geschiedt in de ochtendwake:

de Ene richt zich naar Egyptes leger
in een zuil van vuur en wolken,-
en maakt een warboel
van Egyptes legerkamp.

25


Hij laat het wiel van zijn wagens

wijken
en laat hem slechts zwaar vooruitkomen;
dan zegt Egypte:
ik moet vluchten voor Israëls aanschijn,
want de Ene
voert voor hen oorlog met Egypte!

26


De Ene zegt tot Mozes:

strek je hand uit over de zee,-
dan keren de wateren terug over Egypte,
over zijn wagens en over zijn ruiters!

27


Mozes strekt zijn hand uit over de zee:

en de zee keert, tegen de ochtendwending,
   in zijn stroombed terug,

terwijl de Egyptenaren vluchten,
   hem tegemoet;

dan schudt de Ene Egypte af,
   midden in de zee.

28


De watermassa’s keren terug

en overdekken de wagens en de ruiters
van heel Farao’s legermacht,-
allen die hen achternagekomen waren
   in de zee;

er restte niemand van hen, tot niet één.

29


En de zonen Israëls zijn

-onder in de zee-
gegaan over het dróge!
De wateren waren voor hen een muur,
rechts van hen en links van hen!

30


Zo redt de Ene op die dag Israël
   uit de hand van Egypte,

en ziet Israël Egypte
dood op de lip van de zee;

31


Israël ziet de grote hand

waarmee de Ene het heeft gedaan in Egypte
en ze krijgen ontzag, de gemeente,
   voor de Ene;

ze gaan vertrouwen op de Ene
en op Mozes, zijn dienaar.