Instellingen

2


Ze morren,
   heel de samenkomst van de zonen Israëls,
   over Mozes en Aäron, daar in de woestijn.

3


Ze zeggen tot hen, de zonen Israëls:

wie geeft het ons alsnog:
   dat we door de hand van de Ene
   waren gestorven in het land van Egypte!,

toen we bij de vleespot zaten,
toen we brood konden eten tot verzadiging;
want jullie hebben ons uitgeleid
   naar deze woestijn

om heel deze vergadering
   te laten doodgaan van honger!

••

4


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zie, ik laat voor u
   brood uit de hemelen regenen;

de gemeente zal erop uitgaan en vergaren
   het afgesprokene* Letterlijk: woord, ook te lezen als: de benodigde hoeveelheid. voor een dag op zijn dag,

zodat ik hem kan beproeven
   of hij wandelt in mijn onderricht of niet!-

5


zijn zal het op de zesde dag,-

als ze hebben vastgesteld
   waarmee ze zijn binnengekomen,

zal het tweemaal zoveel zijn
als wat ze vergaren dag-aan-dag!
••

6


Dan zegt Mozes -en Aäron-

tot alle zonen Israëls:
een avond
en ge zult weten
dat de Ene u heeft uitgeleid
   uit het land van Egypte,

7


en een ochtend

en ge zult zien de glorie van de Ene,-
daar hij het gehoord heeft: uw morren
   over de Ene;

en wat zijn wíj
dat ge mort over ons?

8


Mozes zegt:

als de Ene u in de avond vlees te eten geeft
en in de ochtend brood tot verzadiging,
daar de Ene uw gemor heeft gehoord,
waarmee ge over hem hebt gemord:
wat zijn wíj?-
niet over ons mort ge, maar over de Ene!

9


Mozes zegt tot Aäron:

zeg
tot heel de samenkomst
   van de zonen Israëls:

nadert tot het aanschijn van de Ene,
want gehoord heeft hij
uw gemor!

10


Dan geschiedt het:

terwijl Aäron heel de samenkomst
   van de zonen Israëls toespreekt

wenden ze zich naar de woestijn,
en zie, de glorie van de Ene
is zichtbaar geworden in de wolk.

11


De Ene spreekt tot Mozes en zegt:

12


gehóórd heb ik

het gemor
van de zonen Israëls;
spreek hen toe en zeg:
tussen de avonden* Tussen het begin van de schemering en het totale donker. eet ge vlees
en in de ochtend
   wordt ge verzadigd met brood;

weten zult ge
dat ik, de Ene, uw God ben!

13


Het geschiedt in de avond:

de kwakkel komt opzetten,
en overdekt de legerplaats;
in de ochtend
is er een laag van dauw geweest
rondom de legerplaats.

14


De laag van dauw trekt op;

en zie,
op het aanschijn van de woestijn ligt
   een dunne laag, schilferachtig,

dun als de rijp op de aarde.

15


Dat zien de zonen Israëls

en ze zeggen,
   elk tot zijn broeder: mán hoe!,-
   ‘mánna’ is dat!,

want ze wisten niet má hoe,- wát het was.
Mozes zegt tot hen:
dat is het brood
dat de Ene aan u als eten heeft gegeven;

16


dit is het woord dat de Ene heeft geboden:

vergaart daarvan
per man voor de mond waarmee hij eet;
een omer per schedel,
naar het getal van uw zielen,
per man voor wie er in zijn tent zijn,
   zult ge nemen!

17


Ze dóen zo, de zonen Israëls;

ze vergaren,
de een veel, de ander weinig.

18


Ze meten het met de omer:

die veel had heeft niets óvergehouden,
die weinig had ontbrak het aan niets;
per man naar wat zijn mond at
   hebben ze vergaard.