Instellingen

1


Dit zijn de rechtsregels

die je voor hun aanschijn zult stellen;

2


stel, je koopt als dienaar een Hebreeër:

zes jaren mag hij dienen;
maar in het zevende
trekt hij als in vrijheid weg, tot niets verplicht;

3


als hij met het vege lijf komt
   zal hij met het vege lijf wegtrekken;

als hij meester van een vrouw is
zal zijn vrouw mét hem wegtrekken;

4


als zijn heer hem een vrouw gééft

en zij heeft hem zonen of dochters gebaard,-
de vrouw, met de borelingen
zal wezen voor haar heer,
en hij trekt weg met het vege lijf;

5


maar als hij zegt, echt zegt, de dienaar:

ik houd van mijn heer,
mijn vrouw en mijn zonen-en-dochters:
ik wil niet vrij wegtrekken!-

6


dan laat zijn heer hem nadertreden tot God

en laat hij hem nadertreden tot de deur
of tot de deurpost;
vastpinnen zal zijn heer zijn oor met een pin
en dienen zal hij hem voor eeuwig;
••

7


stel, een man verkoopt zijn dochter
   als dienstmaagd;

die trekt níet weg
   zoals de dienaars wegtrekken;

8


als ze slecht zal zijn

in de ogen van haar heer
   die haar voor zich bestemd had,
   zal hij haar laten uitkopen,

maar aan vreemde gemeenschap
   is hij niet gerechtigd haar te verkopen
   nu hij haar ontrouw is;

9


en als hij haar voor zijn zoon bestemt,

zal hij naar het recht van de dochters
   met haar doen;

10


als hij zich een andere erbij neemt

zal hij haar in voeding,
   bedekking en bemoeienis
   niet korten;

11


en als hij deze drie dingen

niet aan haar doet,
mag zij wegtrekken,
   tot niets verplicht en zonder zilver;

••

12


wie een man zó slaat dat hij sterft,
   zal de dood sterven;

13


maar wie er niet op loerde,

maar God liet het zo komen voor zijn hand:
ik zal een plaats voor je bepalen
waarheen hij kan vluchten;
••

14


maar stel,
   een man is zó kokend tegen zijn naaste
   dat hij hem uit de weg ruimt met een list:

zelfs van mijn altaar
zul je hem meenemen om te sterven;
••

15


wie zijn vader of zijn moeder neerslaat,
   zal de dood sterven;

••

16


wie een man steelt en hem verkoopt
   en hij wordt in zijn hand aangetroffen,
   zal de dood sterven;

••

17


wie zijn vader en zijn moeder vervloekt
   zal de dood sterven;

••

18


en stel, er zijn mannen aan het bekvechten

en daar slaat een man zijn naaste
met een steen of met de vuist,
en hij sterft niet maar valt te bed:

19


als hij opstaat

en kan rondlopen, buiten,
   leunend op zijn stok,
   dan blijft hij die geslagen heeft
   vrij van straf;

alleen moet hij hem zijn rust geven
en hem helemaal laten genezen!-
••

20


en stel, een man slaat zijn dienaar,
   of zijn dienstmaagd, met de staf

en die is onder zijn hand gestorven,-
met wraak zal hij worden gewroken;

21


echter als hij een dag
   of een paar dagen standhoudt,

wordt hij niet gewroken,
want zijn eigen geld is hij;
••

22


en stel, mannen zitten elkaar in de haren

en raken een zwangere vrouw
   zodat haar borelingen uittrekken

maar er geschiedt haar
   geen dódelijk ongeluk,-

met een boete wordt hij beboet
zoals de meester van de vrouw hem oplegt,
en hij geeft het
via scheidsrechters;

23


maar als er een dodelijk ongeluk geschiedt

dan geef je een ziel voor een ziel;

24


een oog voor een oog

een tand voor een tand;
een hand voor een hand
een voet voor een voet;

25


een blaar voor een blaar

en een wond voor een wond;
een striem
voor een striem;
••

26


en stel,
   een man slaat het oog van zijn dienaar

of het oog van zijn dienstmaagd,
   en hij heeft het vernield:

als vrij man zal hij hem heenzenden,
   voor zijn oog;

••

27


en als hij een tand van

zijn dienaar of een tand van
   zijn dienstmaagd laat vallen:

als vrij man zal hij hem heenzenden,
   voor zijn tand;

28


stel, een os stoot een man -of een vrouw-

en die is gestorven:
gestenigd, ja gestenigd wordt de os
en zijn vlees wordt niet opgegeten;
dan is de meester van de os vrij van straf;

29


maar als

een os gisteren en eergisteren
   al een stoter was

en het was bekendgemaakt bij zijn meester,
   maar die heeft niet over hem gewaakt,

en hij heeft een man of een vrouw gedood,
dan wordt de os gestenigd
maar zal ook zijn meester worden gedood;

30


als hem een zoengeld wordt opgelegd,

geeft hij een losprijs voor zijn lijf-en-ziel
naar alles wat hem wordt opgelegd;